Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BW1030

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
516924 - CV EXPL 11-11224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop hond. Gebrek naar verkeersopvattingen niet voor rekening verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 516924 \ CV EXPL 11-11224

Vonnis d.d. 1 februari 2012

inzake

Q.,

Q.,

beiden wonende te [plaatsnaam],

eisers, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mw. mr. R. Kollee, D.A.S. Ned. Rechtsbijstand Verz.Mij. NV

(postbus 23000, 1100 DM Amsterdam),

tegen

R.,

R.,

wonende te [adres],

gedaagden, hierna R. te noemen,

gemachtigde mr. E.J. Postma, Juridisch advies- en incassobureau te Surhuisterveen

(postbus 129, 9230 AC).

PROCESGANG

Q. heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad R. te veroordelen tot betaling van een bedrag aan hoofdsom van € 3.111,93 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en tevens te verklaren voor recht dat R. gehouden is de kosten van de sterilisatie te voldoen, met veroordeling van R. in de kosten van de procedure.

R. heeft de vorderingen betwist.

Bij vonnis van 9 november 2011 is een comparitie van partijen bepaald.

Q. heeft voorafgaande aan de comparitie een akte inhoudende aanvulling producties genomen. Daarbij is de eis aan hoofdsom verminderd tot een bedrag van € 2.566,76 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 535,50, met veroordeling van R. in de kosten van de procedure. De vordering ter zake van de verklaring voor recht is ingetrokken.

De comparitie heeft plaatsgehad op 11 januari 2012. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun raadslieden. Partijen hebben een nadere toelichting gegeven op hun standpunt.

De comparitie heeft niet tot een regeling geleid zodat nader dient te worden beslist.

Vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

1.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende betwist, staat tussen partijen het navolgende vast.

1.2 Q. en R. zijn op 12 november 2010 een koopovereenkomst aangegaan voor een pup van het ras Friese Stabij tegen een koopprijs van € 250,00. Q. heeft de pup, Senna, uitgezocht uit een nest van drie hondjes bestaande uit een teefje, Senna, en twee reuen.

De pup is vrijwel direct na de geboorte en ook de dag vóór aankoop klinisch gekeurd door de dierenartspraktijk te [plaatsnaam]. De pup is klinisch goedgekeurd.

1.3 Na ongeveer 6 weken is er door de dierenarts van Q. in het kader van een inenting bij Senna hartruis geconstateerd.

1.4 Q. heeft ter zake van de onderzoeksbevindingen op 20 december 2010 telefonisch contact opgenomen met Q. R. heeft in dat gesprek aangegeven niet bereid te zijn de rekeningen voor een operatie van Senna te betalen. R. heeft Q. verder aangegeven, aldus partijen ter comparitie, dat de hond kon worden teruggebracht en dat Q. dan het aankoopbedrag terug zou krijgen. Q. heeft daar niet voor gekozen.

1.5 Begin januari 2011 is Senna geopereerd aan een aangeboren hartafwijking. Het gaat om de afwijking L-R shuntende PDA waarbij de ader tussen de long en het hart niet is afgesloten.

1.6 Bij brief van 1 februari 2011 heeft Q. R. medegedeeld dat de dierenarts aansprakelijk werd gesteld voor de kosten van behandeling en dat R. werd verzocht het aankoopbedrag terug te betalen.

R. heeft bij brief van 22 februari 2011 aangegeven niet te zullen overgaan tot vergoeding van het aankoopbedrag nu Q. heeft gekozen de pup te houden en te laten behandelen.

1.7 De raadsvrouwe van Q. heeft bij brief van 25 maart 2011 namens Q. bij R. aanspraak gemaakt op vervangende en aanvullende schadevergoeding, uitmakend een bedrag van € 3.361,93.

Partijen hebben nadien correspondentie gewisseld.

2 Het standpunt van Q.

2.1 Senna was al bij aflevering non-conform. Uit het verslag van de dierenkliniek te Utrecht blijkt dat de afwijking aan het hartje al bij de geboorte bestond. Gezien de klinische keuring mocht Q. erop vertrouwen dat zij conform was. Q. heeft R. tijdig van die situatie op de hoogte gesteld. Uit de mededeling van R. mocht Q. gerechtvaardigd afleiden dat R. niet bereid was tot vervanging of vergoeding van de kosten over te gaan.

2.2 Nakoming is blijvend onmogelijk geworden. Door de verklaring van R. is verzuim ingetreden zodat R. aan Q. vervangende en aanvullende schadevergoeding verplicht is.

2.3 Bij non-conformiteit gaat het niet om de vraag of de tekortkoming toerekenbaar is maar om de vraag of het gebrek op het moment van levering aanwezig was. Het arrest Brok/Huberts van de Hoge Raad van 9 januari 1998 is in zoverre achterhaald door het arrest Oerlemans/Driessen van 27 april 2001.

2.4 Na vermindering van eis wordt aanspraak gemaakt op het bedrag aan koopsom, € 250,00, en de vergoeding van kosten voor onderzoek en operatie, uitmakend een totaalbedrag van € 3.566,76. De verzekeraar van de dierenarts heeft een uitkering gedaan van € 1.000,00. Minus die uitkering wordt aan hoofdsom gevorderd een bedrag van € 2.566,76.

3 Het standpunt van R.

3.1 R. handelt niet bedrijfsmatig zodat geen sprake is van een consumentenkoop. R. heeft betwist dat sprake is non-conformiteit en dat de operatie daadwerkelijk noodzakelijk was. Q. heeft geen ontbinding gevorderd van de overeenkomst omdat Q. de pup niet aan R. wil(de) teruggeven. Teruggave van de koopprijs is dan niet aan de orde.

3.2 Er is geen sprake van een toerekenbaar verzuim. Broers en zusters van Senna uit eerdere nesten hebben de gestelde afwijking niet. R. was van die afwijking ook in het geheel niet op de hoogte.

Q. heeft niets gedaan om de schade te beperken, Q. had Senna tegen teruggave van de koopprijs bij R. kunnen terugbrengen. De kosten van de operatie staan in geen enkele verhouding tot de aankoopprijs.

4 Beoordeling

4.1 Q. heeft een vordering ingesteld tot vervangende en aanvullende schadevergoeding bestaande uit de koopsom en de kosten van onderzoek, operatie en verdere behandeling. Q. heeft geen vordering ingesteld strekkende tot (partiële) ontbinding van de koopovereenkomst.

4.2 Op grond van het bepaalde in artikel in artikel 6:74 BW is R. tegenover Q. tot schadevergoeding verplicht indien er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tenzij die tekortkoming R. niet kan worden toegerekend.

In artikel 6:75 BW is bepaald dat een tekortkoming niet kan worden toegerekend indien zij niet te wijten is aan schuld van de schuldenaar, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4.3 Uitgaande van de veronderstelling dat de aandoening PDA leidt tot non-conformiteit, R. betwist dit, wordt het volgende overwogen.

4.4 R. heeft ter comparitie, onbetwist, naar voren gebracht dat hij twee teefjes heeft die ieder gemiddeld eenmaal per twee jaar een nest pups heeft. Die pups worden verkocht.

Daarmee is geen sprake van een handelen in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf zodat daarmee evenmin sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW.

4.5 In het arrest Huberts/Brok van 9 januari 1998 ( NJ 1998,272) overweegt de Hoge Raad onder meer dat Brok als verkoopster van een hond niet tot schadevergoeding gehouden is, indien de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. Het enkele feit dat de afgeleverde zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst, aldus dat arrest, leidt nog niet tot aansprakelijkheid van de verkoopster voor schadevergoeding.

Q. stelt zich op het standpunt dat blijkens het arrest Oerlemans/Driessen de Hoge Raad in geval van non-conformiteit niet meer aan die eis van toerekenbaarheid vasthoudt.

4.6 In dat arrest van 27 april 2001 ( NJ 2002,213) overweegt de Hoge Raad onder meer: "De verkeersopvattingen brengen mee dat in een geval als het onderhavige een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het gebrek kende noch behoorde te kennen."

In dat arrest ging het om een koopovereenkomst tussen professionele partijen ter zake van een industrieel product. In dat arrest is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook met name een uitgangspunt geformuleerd omtrent (de rol van) de verkeersopvattingen in de zin van artikel 6:75 BW in een dergelijke situatie.

In dit geval gaat het echter om de verkoop van een pup tussen niet professionele partijen. In een dergelijke situatie brengen de verkeersopvattingen naar het oordeel van de kantonrechter niet met zich mee dat dit gebrek van de pup zonder meer al voor rekening komt van R. als verkoper.

4.7 Dat betekent dat beoordeeld dient te worden of de gestelde tekortkoming R. anderszins toerekenbaar is in de zin van artikel 6:75 BW.

Q. heeft ter comparitie aangegeven dat Senna kleiner was dan de twee reuen en haar borstkas sneller op en neer ging. Daaruit valt echter bepaald niet op te maken dat R. wist of behoorde te weten dat sprake was van de aandoening PDA bij de geboorte. R. heeft betwist dat honden uit eerdere nesten die aandoening hadden. Q. heeft die stelling niet, althans niet gemotiveerd betwist. Zoals overwogen handelde R. niet bedrijfsmatig. Kennelijk heeft ook de dierenarts die afwijking bij de keuringen kort na de geboorte en voor de aankoop niet geconstateerd.

Bij de beoordeling wordt er dan ook van uitgegaan dat R. geen weet had of had behoren te hebben van de aandoening bij de, door Q. uit het nest zelf gekozen, pup Senna.

4.8 De gestelde tekortkoming kan R. dan ook noch op basis van schuld noch op basis van verkeersopvattingen, worden toegerekend.

R. is al om die reden niet verplicht de gestelde schade, inclusief de aankoopprijs, te vergoeden. De vorderingen van Q. worden dan ook afgewezen.

5 Proceskosten

Q. wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van Q. af;

-veroordeelt Q. in de kosten van het geding, aan de zijde van R. begroot op een bedrag van € 350,00 voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 1 februari 2012 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: BvdB

coll: