Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BV9028

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
131593
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Weigering door de rechtbank op het verzoek om inzage in het dossier.

Wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

MEERVOUDIGE KAMER (WRAKINGSKAMER)

Zaaknummer: 131593/ HA RK 12-14

Datum beslissing: 17 februari 2012

Beslissing op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat mr. B.M. Beg

1. De procedure

1.1. Mr. B.M. Beg heeft namens verzoeker ter zitting van 16 januari 2012 een verzoek tot wraking ingediend van mrs. H.H.A. Fransen, L.W. Janssen en Y. Huizing, als respectievelijk voorzitter en rechters van de meervoudige kamer in strafzaken, die de strafzaak onder parketnummer 18/076024-02 (ontnemingsvordering) tegen [verzoeker] behandelt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2. Op 10 februari 2012 is het verzoek tot wraking ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Ter zitting heeft mr. B.M. Beg het verzoek nader toegelicht.

De officier van justitie, mr. C.H.J. Bollen is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Mrs. H.H.A. Fransen, L.W. Janssen en Y. Huizing hebben schriftelijk hun zienswijze kenbaar gemaakt. Ook hebben voornoemde rechters aan de voorzitter van de wrakingskamer laten weten dat zij niet aanwezig zullen zijn bij de behandeling van het wrakingsverzoek.

2. Het standpunt van verzoeker

2.1. Mr. R.M. Beg heeft namens verzoeker – samengevat – gesteld dat voornoemde rechters er blijk van hebben gegeven vooringenomen te zijn in de vorenbedoelde strafzaak.

Namens verzoeker is ter zitting verzocht om inzage in het dossier. Vorengenoemde rechters hebben dit verzoek afgewezen en beslist dat met de behandeling kon worden voortgegaan. Nu aan de verdediging de inzage in het dossier wordt onthouden is er geen sprake van een onbevooroordeeld college. Ook is geen sprake van de mogelijkheid op een eerlijk proces ten overstaan van een “impartial tribune” als bedoeld in artikel 6 EVRM. De verdediging heeft het recht om in te zien op welke stukken de rechtbank haar beslissing zal gaan nemen. Bevat het dossier van de rechtbank alle stukken die de raadsman ook tot zijn beschikking heeft en andersom. Nu het recht op inzage niet wordt gegeven kan niet worden gesproken van een onbevooroordeeld college. Deze beslissing is niet processueel. Deze beslissing is grotesk, apert in strijd met de wet en internationale mensenrechtenverdragen.

3. Het standpunt van mrs. H.H.A. Fransen, L.W. Janssen en Y. Huizing

3.1. Mrs. H.H.A. Fransen, L.W. Janssen en Y. Huizing hebben aangegeven niet in de wraking te berusten. Uit een schrijven aan de voorzitter van de wrakingskamer van

24 januari 2012 hebben voornoemde rechters – samengevat – hun zienswijze als volgt verwoord.

Het verzoek tot wraking heeft betrekking op een processueel verzoek door de raadsman van verzoeker. Een beslissing in het nadeel van de verzoeker levert in beginsel geen grond op voor de aanname dat daarmee gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat. Een uitzondering hierop doet zich in casu niet voor nu de afwijzing, van het ter zitting gedane verzoek, door de voornoemde rechters van de Noordelijke Fraudekamer op die zitting met argumenten is onderbouwd. Uit de redenen voor afwijzing valt ook te lezen dat er met de belangen van de verdediging rekening is gehouden. De beslissing van de voornoemde rechters is niet zo onduidelijk, zo onbegrijpelijk of zo onkundig/onvolledig beargumenteerd dat hieruit geen andere verklaring kan volgen dan dat deze is gebaseerd op hun vooringenomenheid. Voornoemde rechters verzoeken om het verzoek tot wraking af te wijzen.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 512 Sv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek.

4.3. Mr. R.M. Beg heeft bij brief d.d. 21 januari 2012 verwezen naar een bijlage ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek. Deze verwijzing acht de rechtbank te algemeen. Het is aan verzoeker om concreet aan te geven welke de gronden voor zijn verzoek zijn. De rechtbank zal hieraan verder voorbijgaan.

4.4. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.

4.5. De beslissing van de strafkamer om de verzochte inzage in het procesdossier te weigeren is een procesrechtelijke beslissing. De strekking van het instrument van de wraking is gelegen in het wraken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Uit deze strekking vloeit voort dat het wrakingsinstrument niet is bedoeld als (rechts)middel om een procesrechtelijke beslissing aan te vechten noch als pressiemiddel. Hoger beroep is het rechtsmiddel waarmee tegen een dergelijke beslissing kan worden opgekomen.

Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen levert een procesrechterlijke beslissing in beginsel op zichzelf geen feit of omstandigheid op die de rechterlijke onpartijdigheid raakt in de zin van artikel 512 Sv. Dit is alleen dan anders, indien een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid), althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (objectieve partijdigheid). Een wellicht voor de (advocaat van) verzoeker onwelgevallige beslissing is op zichzelf dan ook nog geen aanwijzing van subjectieve of objectieve partijdigheid van de rechter.

De rechtbank stelt vast dat op de zitting van 16 januari 2012 door mrs. H.H.A. Fransen,

L.W. Janssen en Y. Huizing van de meervoudige kamer in strafzaken gemotiveerd is aangegeven waarom aan de verdediging in casu niet het recht op inzage is verleend. Gelet op die motivering kan niet met succes worden gesteld dat sprake is van bovenvermelde uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

4.6. Nu de rechtbank gezien het voorgaande van oordeel is dat mrs. H.H.A. Fransen, L.W. Janssen en Y. Huizing met hun beslissing geen blijk hebben gegeven van vooringenomenheid, zal zij het onderhavige verzoek tot wraking afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek af,

5.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (parketnummer 18/076024-02) wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking,

5.3. beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mrs. H.H.A. Fransen, L.W. Janssen en Y. Huizing en de officier van justitie.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, R.P. van Eerde en E.M.J. Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

Mrs. R.B.M. Keurentjes en R.P. van Eerde waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.