Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:BV2845

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
128314-FA RK 11-1733
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2012:BX0428, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een verzoek om vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing van een minderjarige met de moeder, waardoor de minderjarige op 185 km afstand van zijn oude woonplaats (tevens woonplaats van zijn vader) zou komen te wonen. De noodzaak van en het belang bij de verhuizing is onvoldoende komen vast te staan.

De belangen van de minderjarige en de vader prevaleren boven die van de moeder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 128314/FA RK 11-1733

beschikking d.d. 31 januari 2012

in de zaak van:

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.P. van der Werf,

en

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.H. Zuidema.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 1 augustus 2011 een verzoekschrift ingediend waarin zij vraagt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw (vervangende) toestemming te verlenen om met [A.] naar C. of omgeving te verhuizen en de zorg- en opvoedingstaken aldus te verdelen dat [A.] één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag (na schooltijd) tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijft, alsmede gedurende een deel van de vakanties en feestdagen, kosten rechtens.

De man heeft een verweerschrift ingediend met tevens de volgende zelfstandige verzoeken:

- te bepalen dat [A.] hoofdverblijf heeft bij de man;

- de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen te verdelen aldus dat [A.] één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 18.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen.

Voor het geval het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en het zelfstandig verzoek van de man wordt afgewezen verzoekt de man:

- de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen te verdelen aldus dat [A.] één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 18.00 uur bij de man zal verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen waarbij de vrouw [A.] telkens naar D. brengt en weer ophaalt.

Op 22 augustus 2011 heeft de vrouw een akte wijziging, c.q. vermeerdering van de verzoeken genomen. Ter aanvulling op het door haar eerder ingediende verzoek heeft de vrouw verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij [A.] het hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de zorg- en opvoedingstaken aldus te verdelen dat [A.], vanaf het moment dat de man passende woonruimte heeft gevonden, contact heeft met de man conform het verzoekschrift.

De rechtbank heeft partijen, bijgestaan door hun raadslieden, gehoord ter zitting met gesloten deuren van 23 augustus 2011. Daarbij was tevens aanwezig de heer J. Scholte Aalbes namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), regio [D.] en Drenthe, locatie [D.].

Ter zitting hebben partijen, na daarover te zijn voorgelicht, besloten de mogelijkheid van mediation te beproeven.

Op 19 september 2011 is ter griffie van de rechtbank een brief ontvangen van het mediationbureau van de rechtbank.

De rechtbank heeft de zaak andermaal behandeld ter zitting met gesloten deuren op 8 december 2011. Partijen, vergezeld van hun raadslieden, zijn daarbij verschenen en gehoord, in tegenwoordigheid van mevrouw A.I. van Dijk, namens de Raad.

Ter zitting is door de raadsvrouw van de vrouw het woord gevoerd aan de hand van een, overgelegde, pleitnota.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten.

- partijen hebben een relatie gehad;

- uit hun relatie is de minderjarige [A.], erkend door de man;

- partijen hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige;

- de minderjarige verblijft bij de vrouw.

Partijen hebben ter zitting van 23 augustus 2011 ingestemd met mediation.

Blijkens de brief van het mediationbureau hebben partijen geen overeenstemming bereikt.

Standpunt van de vrouw.

Er geldt op dit moment een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken volgens welke [A.] bij haar woont en [A.] één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 18.00 uur bij de man is. Voorts brengt [A.] de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij de man door. De vrouw wil naar [C.] verhuizen omdat zij vooral in en nabij [C.] haar sociale contacten (met haar biologische zus, tantes, ooms en een vriendin) onderhoudt. Van de kant van haar familie ervaart zij veel steun. De afgelopen jaren heeft zij een sterke band met hen opgebouwd. Verder geldt dat de vrouw in C. is opgegroeid. Zij heeft daar ongeveer 20 jaar gewoond. Nu de relatie tussen partijen is verbroken heeft de vrouw geen enkele binding meer met de regio [D.]. Van belang in dat verband is dat de vrouw geen werkkring heeft omdat zij arbeidsongeschikt is. Omdat de vrouw financieel niet in staat is in de huidige woning in [D.] te blijven wonen, zal zij ook in [D.] niet in dezelfde wijk kunnen blijven wonen. Een verhuizing is dus sowieso aan de orde. Via haar familie heeft de vrouw huisvesting gevonden in C. Zij kan een woning betrekking van een oom. Mogelijk zal zij zelfs via haar familie een betaalde baan krijgen, waarin rekening zal worden gehouden met haar beperkingen. De vrouw acht de verhuizing in het belang van haar welbevinden. Dit zal ook zijn uitwerking hebben op [A.], waardoor ook zijn belang wordt gediend. De reisafstand [D.] - [C.] is voor [A.] geen probleem. Ook nu gaat [A.] vaak met de vrouw mee naar [C.]. Inzake de reisafstand verwijst de vrouw nog naar een beschikking van het Gerechtshof Leeuwarden van 1 maart 2011 (LJN: BQ 6064). Volgens de vrouw kan de contactregeling tussen de man en [A.] na een verhuizing naar [C.] blijven plaatsvinden zoals die nu plaatsvindt.

Standpunt van de man

Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [A.]. Communicatie tussen partijen is niet mogelijk. Het is niet in het belang van [A.] om, samen met de vrouw, te verhuizen naar [C.]. [A.] heeft een innige band met de man. De man heeft verder in de eerste levensjaren van [A.] een zeer groot aandeel in de opvoeding van [A.] gehad omdat de vrouw leed aan een postnatale depressie. De man woont verder alle activiteiten van [A.] bij. Daarnaast geldt dat [A.] ook vriendjes heeft in de buurt waar de man woont. De man wil geen weekendouder zijn. De vrouw heeft de verhuizing naar [C.] niet met de man besproken. De drang van de vrouw om te verhuizen duidt volgens de man op vluchtgedrag. De man kent de familie van de vrouw. Gedurende hun relatie was het contact met haar familie niet echt intensief. De man hekelt het feit dat de vrouw [A.], zonder medeweten van de man, van voetbal heeft afgehaald, terwijl [A.] erg graag voetbalt. Indien de vrouw toestemming tot verhuizing krijgt, verzoekt de man het hoofdverblijf van [A.] bij hem te bepalen. De man persisteert in de zelfstandige verzoeken zoals gesteld in zijn verweerschrift.

Beoordeling door de rechtbank

Vervangende toestemming verhuizing

Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over de minderjarige [A.]. Dit brengt mee dat de vrouw voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarige in beginsel daarvoor toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil, op grond van artikel 1:253a BW worden voorgelegd aan de rechter.

Niet in geschil is dat de man zijn toestemming aan de door de vrouw voorgenomen verhuizing met de minderjarige [A.] naar [C.] heeft onthouden. Ter zitting is gebleken dat de standpunten van partijen over die verhuizing nog steeds haaks op elkaar staan. Een vergelijk op de voet van artikel 1: 253a, vijfde lid, BW is dan ook niet mogelijk gebleken.

Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van voornoemd artikel dienen de belangen van de minderjarige een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Echter, conform de vaste rechtspraak (onder meer Hoge Raad 25 april 2008, LJN BC5901) dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen, zoals:

(i) het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

(ii) de noodzaak om te verhuizen;

(iii) de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

(iv) de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

(v) de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

(vi) de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

(vii) de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

(viii) de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;

(viii) de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

(ix) of de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing geheel of deels worden gecompenseerd door de verhuizende ouder.

Ten aanzien van de vrouw

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw er in beginsel recht op haar leven in vrijheid te kunnen inrichten. Evenwel vindt dit recht zijn begrenzing in de belangen van de minderjarige [A.] en die van de man. Hoewel de wens van de vrouw om naar [C.] te verhuizen enigszins te begrijpen valt, gezien haar gedachte dat zij dan frequenter contacten kan onderhouden met haar familie en een vriendin en haar gedachte aan haar vroegere binding met C., is de rechtbank van oordeel dat met die redenen de noodzaak van en het belang bij de verhuizing onvoldoende is komen vast te staan. Niet gesteld of gebleken is dat en waarom de wijze waarop de vrouw op dit moment contacten met haar familie en vriendin in [C.] onderhoudt niet volstaat. Evenmin is gesteld of gebleken dat haar geestelijke gezondheid onder het uitblijven van de door haar gewenste intensivering van de contacten in noemenswaardige mate zal lijden. In dit verband verdient opmerking dat uit het verzoekschrift van de vrouw en het verhandelde ter zitting valt af te leiden dat zij een deel van haar familie voorheen niet kende en dat eerst in de laatste jaren de contacten met dat deel van de familie zijn ontstaan. Om die reden en ook anderszins is onvoldoende komen vast te staan dat de vroegere binding van de vrouw met C. haar grondslag vindt in de aanwezigheid van haar familie aldaar. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de vrouw geen of nauwelijks binding heeft met [D.], waar zij inmiddels elf jaar woont, heeft gewerkt en haar sociale leven zich heeft afgespeeld. De vrouw heeft nog aangevoerd gesteld dat zij via haar familie over huisvesting in C. kan beschikken en dat zij misschien parttime kan gaan werken. Deze ontwikkelingen zijn voor de vrouw uiteraard van belang. Echter de vrouw heeft nog geen zekerheid over het verkrijgen van de parttime functie. Voorts geldt dat de vrouw ook pogingen in het werk kan stellen om in [D.] of de nabije omgeving een soortgelijk perspectief voor zichzelf te creëren. Niet gebleken is dat zij die pogingen heeft gedaan en dat die zijn gestrand. Op grond van de door de vrouw genoemde ontwikkelingen kan dan ook geen noodzaak tot verhuizing worden aangenomen.

Ten aanzien van de man

De vrouw heeft niet ontkend dat tussen de man en [A.] een sterke band bestaat zoals de man heeft gesteld. Evenmin heeft de vrouw betwist dat de man na de geboorte een substantieel deel van de zorgtaken ten aanzien van [A.] op zich heeft genomen. In het verzoekschrift staat verder vermeld dat de man iedere woensdagavond met [A.] naar voetbaltraining gaat en dat hij [A.] één dag per weekend bij zich heeft. Inmiddels is er een wijziging in deze situatie opgetreden. [A.] voetbalt niet meer in clubverband. Hij bezoekt de man nu één maal in de twee weken een weekend, conform de door de vrouw voorgestane contactregeling. De rechtbank stelt vast dat de man in het kader van de onderhavige procedure niet heeft verzocht om een uitbreiding van de bestaande contactregeling. Het is echter prematuur om daaraan op dit moment enige consequentie te verbinden, temeer nu de man in het verweerschrift heeft ontkend dat partijen het er over eens zijn dat [A.] één weekend per veertien dagen bij zijn vader zal zijn, hij ter zitting heeft aangegeven geen vrede te hebben met de huidige omgangsregeling omdat hij geen weekendouder wil zijn en er nog geen duidelijkheid bestaat over de vraag of de vrouw al dan niet zal kunnen verhuizen. De rechtbank overweegt verder dat een eventueel toekomstig verzoek van de man om uitbreiding van de contactregeling geen kans van slagen heeft ingeval van een verhuizing van de vrouw naar [C.]. Een meer evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zou daarmee op voorhand uitgesloten zijn. De rechtbank overweegt ten slotte dat een continuering van de huidige contactregeling tussen [A.] en de man na een verhuizing naar [C.] - gezien de reisafstand voor de zesjarige [A.] - problematischer zal kunnen worden. Voor de man zal de verhuizing naar [C.] dan ook tot gevolg kunnen hebben dat hij minder frequent contact zal hebben met [A.] dan op dit moment het geval is.

Ten aanzien van [A.]

Door een verhuizing naar [C.] zal [A.] op 185 kilometer van zijn huidige woonplaats komen te wonen. Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van woon- en sociale leefomgeving voor een kind ingrijpend is. Daarnaast is niet in geschil dat [A.] hoe dan ook zal moeten verhuizen omdat geen van partijen na het uiteengaan de gemeenschappelijke woning waar de minderjarige [A.] en de vrouw nu nog wonen, wil/kan blijven financieren. Dienaangaande is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing van [A.] binnen de stad [D.] minder ingrijpende gevolgen voor hem heeft dan een verhuizing naar [C.]. In de eerste plaats is dit zo omdat [A.] ingeval van een verhuizing naar [C.] vanwege de afstand wordt afgehouden van een frequent(er) contact met zijn vader. Weliswaar staat de vrouw een contactregeling tussen de man en [A.] voor die qua intensiteit identiek is aan de thans lopende contactregeling, evenwel is, zoals hiervoor is overwogen, gebleken dat de man een uitgebreidere contactregeling met [A.] wenst. Voorts geldt, zoals hiervoor is overwogen, dat een contactregeling van één maal in de twee weken een weekend bij een reisafstand van 185 kilometer problematisch kan zijn. In de tweede plaats zal een verhuizing naar [C.] tot gevolg hebben dat [A.] minder mogelijkheden heeft om contact te onderhouden met onder andere zijn familie, vriendjes en vriendinnetjes in [D.] en dat hij in het weekend vanwege de contactregeling met zijn vader geen vaste activiteiten kan ontplooien. Ook aan deze nadelige gevolgen komt betekenis toe. Ten slotte kan, mede onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de vrouw is overwogen, niet worden geoordeeld dat enig belang van [A.] met een verhuizing naar [C.] is gediend.

Afweging

Alle hierboven genoemde omstandigheden en belangen wegende is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minderjarige [A.] en de man dienen te prevaleren boven het belang van de vrouw bij een verhuizing naar [C.], met name gezien het feit dat de vrouw de noodzaak van die verhuizing niet heeft kunnen aantonen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizen dient te worden afgewezen.

Hoofdverblijf en contactregeling

[A.] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw. Niet gesteld of gebleken is dat er zorgen bestaan ten aanzien van [A.] vanwege dit verblijf. Immers, de man heeft aan zijn verzoek om het hoofdverblijf van [A.] bij hem te bepalen alleen ten grondslag gelegd dat de vrouw voornemens is te verhuizen met [A.] wat hij niet in het belang van [A.] vindt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke situatie gehandhaafd dient te blijven en zal zij bepalen dat het hoofdverblijf van [A.] bij de vrouw zal zijn. Dit brengt met zich mee dat het verzoek van de man om het hoofdverblijf bij hem te bepalen en het verzoek in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken om een contactregeling tussen de vrouw en [A.] vast te stellen, dienen te worden afgewezen.

De vrouw heeft in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tevens verzocht om een contactregeling vast te stellen tussen de man en [A.], inhoudende dat [A.] één weekend per veertien dagen bij de man verblijft.

Hoewel de man in het verweerschrift en ter zitting heeft meegedeeld dat hij een uitgebreidere contactregeling wenst, heeft hij geen verzoek met die strekking ingediend. Evenmin heeft hij ter zitting concreet gemaakt hoe een uitgebreidere regeling er uit zou moeten zien. Het verzoek van de vrouw ligt dan ook voor toewijzing gereed met dien verstande dat de rechtbank conform het subsidiaire verzoek van de man geen beletselen ziet om mede te bepalen dat [A.] de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de man verblijft. Uiteraard zijn partijen gerechtigd deze regeling in onderling overleg verder uit te breiden.

Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat partijen samen het ouderlijk gezag hebben over [A.] hetgeen met zich mee brengt dat de vrouw bij belangrijke beslissingen aangaande [A.] de man zal moeten informeren en met de man in overleg zal moeten treden.

BESLISSING

stelt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast dat:

- het hoofdverblijf van de minderjarige [A.] bij de vrouw is;

- de volgende contactregeling tussen de man en [A.] geldt:

[A.] verblijft één weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om te verhuizen af;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 31 januari 2012 in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier.