Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2012:2148

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
132985/FA RK 12-670
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het ouderlijk gezag ex artikel 1:266/268 BW van 2 van de 3 kinderen. Het verzoek tav het derde kind wordt afgewezen omdat het in de huidige verzorgings- en opvoedingssituatie bij grootmoeder m.z. tot rust lijkt te zijn gekomen en zich in die situatie positief ontwikkelt. Bovendien is er met grote regelmaat een goed verlopend contact met de moeder. Ondanks dat wordt onderkend dat er het risico is dat er tussen moeder en grootmoeder m.z. conflicten gaan ontstaan die nadelig voor de ontwikkeling van het kind zijn, is het - ook gezien de uitdrukkelijke wens van het kind zelf -, in het belang van het kind dat de huidige situatie niet wordt gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254, 261, 266,
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige kamer

zaaknr.: 132985/FA RK 12-670

beschikking d.d. 4 september 2012

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen,

gevestigd te 9726 AD Groningen, Cascadeplein 6,

v e r z o e k e r,

hierna te noemen de Raad,

en

[…]

v e r w e e r s t e r,

hierna te noemen de moeder.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    de vader van de minderjarigen[---] (verder te noemen de vader);

  • -

    de pleegmoeder [----] (verder te noemen grootmoeder m.z.);

  • -

    de pleegouders [-----]

  • -

    Bureau Jeugdzorg Groningen (bjz);

  • -

    Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering Groningen (LJ&R).

P0ROCESVERLOOP

De Raad heeft op 28 maart 2012 een verzoekschrift met bijlagen d.d. 26 maart 2012 ingediend, waarin wordt verzocht om bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de moeder primair te ontheffen subsidiair gedwongen te ontheffen van het ouderlijke gezag over de minderjarige kinderen [A, B en C]

De rechtbank heeft op 4 april 2012 de minderjarige [A.] gehoord.

De zaak is door de rechtbank behandeld ter zitting met gesloten deuren van 5 juni 2012. Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    [-] de moeder van de kinderen;

  • -

    de pleegmoeder[----] (grootmoeder m.z.);

  • -

    de pleegouders [-----]

  • -

    mevrouw H. Blaauw en mevrouw R. Zittrop namens het Leger des Heils;

  • -

    de heer D. Nowee namens de Raad.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad.

Uit die relatie zijn in de gemeente Groningen [drie thans nog minderjarige kinderen geboren.]

  • -

    [drie thans nog minderjarige kinderen geboren.]

  • -

    [drie thans nog minderjarige kinderen geboren.]

  • -

    [drie thans nog minderjarige kinderen geboren.]

De moeder heeft het ouderlijke gezag over de kinderen.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 19 november 2009 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden,

met benoeming van bjz tot gezinsvoogd. Tevens is machtiging verleend tot hun

(spoed-) uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.

Bij beschikking van dezelfde kinderrechter d.d. 3 februari 2010 zijn de kinderen met ingang van 19 februari 2010 onder toezicht gesteld voor de duur van negen maanden, met opdracht aan het LJ&R tot de uitvoering van de maatregel namens bjz.

De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van voornoemde kinderrechter d.d. 25 oktober 2011 tot 19 november 2012.

standpunt van de Raad

De kinderen zijn opgegroeid in een zeer chaotische, onrustige gezinssituatie. Er was sprake van ernstige opvoedingsproblemen.

Er zijn jarenlang allerlei hulpverleningsvarianten ingezet zoals Basiszorg in de Buurt, (BiB), Gespecialiseerde Gezinsverzorging (GV), Intensieve Orthopedagogische Gezinsbegeleiding (IOG) en Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling (IPG), maar geen van deze (intensieve) vormen van hulpverlening heeft het gewenste effect gehad.

De moeder verleende niet altijd haar medewerking en zij is onvoldoende in staat gebleken om gebruik te maken van de hulpverlening.

[De minderjarige A.] vertoonde als klein kind regelmatig boos en agressief gedrag en hij uitte zich verbaal op latere leeftijd suïcidaal. In de periode van het Raadsonderzoek vertoonde [De minderjarige A.] grensoverschrijdend gedrag in de richting van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] in de vorm van het spelen van seksueel getinte spelletjes. In het verleden is [De minderjarige A.] slachtoffer geweest van misbruik door zijn halfbroer (v.z.). Het wonen op een groep is voor [De minderjarige A.] onrustig gebleken en in een pleeggezin ontstonden er teveel ruzies tussen de kinderen onderling. [De minderjarige A.] woont thans bij grootmoeder m.z. [De minderjarige A.] heeft elke zondagmiddag een bezoekregeling met zijn moeder.

Bij grootmoeder m.z. gaat het beter met [De minderjarige A.]. Zijn gedragsproblematiek is sterk afgenomen en ook op school (RENN4-onderwijs) lijkt [De minderjarige A.] op zijn plek te zijn. [De minderjarige A.] is gebaat bij de 1-op-1-aandacht en structuur die grootmoeder m.z. hem biedt.

Het geconstateerde seksueel overschrijdend gedrag van [De minderjarige A.] in de richting van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] is zorgelijk voor hun ontwikkeling.[De minderjarige B.] heeft een ontwikkelingsachterstand op alle gebieden. Zij functioneert als een kind dat jonger is. Haar IQ kwam in oktober 2011 uit op 64.[De minderjarige B.] vindt weinig tot geen aansluiting bij leeftijdsgenootjes en daar heeft zij verdriet van. Op school kan[De minderjarige B.] het niveau van haar klasgenootjes niet aan. Zij zal waarschijnlijk over moeten stappen naar het speciaal onderwijs. In het pleeggezin geeft[De minderjarige B.] steeds meer haar mening en heeft zij een weerwoord. Daaruit blijkt dat[De minderjarige B.] zich steeds veiliger in dat pleeggezin gaat voelen.

Volgens de pleegouders is er sprake van contactgroei tussen hen en[De minderjarige B.], hoewel het moeilijk blijft om na te gaan wat er precies omgaat in[De minderjarige B.]. In het kader van speltherapie bij Elker heeft[De minderjarige B.] aangegeven dat er op seksueel gebied door [De minderjarige A.] bij haar grenzen zijn overschreden.

[De minderjarige C.] vertoonde reeds op jonge leeftijd externaliserende gedragsproblemen. Hij was op school vaak druk en aanwezig en nam meestal een onverschillige houding aan. Bij zijn komst in het pleeggezin liet [De minderjarige C.] veel boosheid zien en kon hij om kleine dingen driftig worden. Het agressieve gedrag van [De minderjarige C.] is inmiddels afgenomen. Hij volgt bij Elker speltherapie. Daarbij is [De minderjarige C.] naar voren gekomen als een onzeker kind met een algeheel gevoel van onveiligheid.

Bij [De minderjarige C.] zijn door [De minderjarige A.] op seksueel gebied grenzen overschreden. [De minderjarige C.] doet het goed op school. Hij lijkt op zijn plek te zijn in het reguliere basisonderwijs. [De minderjarige C.] heeft wel een leerachterstand. Hij legt en onderhoudt gemakkelijk contact met andere kinderen.

De ontwikkelingsbedreiging is bij de kinderen nog steeds niet volledig weggenomen.

Het LJ&R heeft in 2010 door middel van de module “Terug naar huis” van Elker tevergeefs geprobeerd om[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] terug te laten keren in de voormalige thuissituatie bij de moeder. Volgens Elker beschikt de moeder echter over geringe vaardigheden, kennis en veerkracht en voldoet haar thuissituatie niet aan de criteria voor een veilige opvoedingsomgeving.

De moeder ontkent de onveiligheid van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] wanneer deze alleen met [De minderjarige A.] in een ruimte zijn, ondanks dat beide kinderen meerdere keren hebben aangegeven dat [De minderjarige A.] in hun richting seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoont. De moeder heeft een totaal gebrek aan probleeminzicht en daardoor weet zij niet voldoende aan te sluiten op de behoefte van de kinderen. Dit, in combinatie met de andere zorgpunten die Elker bij de moeder in kaart heeft gebracht, toont voldoende aan dat het perspectief van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] in het pleeggezin ligt.[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] hechten zich steeds meer aan de pleegouders en zij voelen zich ook thuis in het pleeggezin. Voor hun ontwikkeling is het van belang dat[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] duidelijkheid wordt geboden over hun woonperspectief.

[De minderjarige A.] heeft veel baat bij de structuur en duidelijkheid die grootmoeder m.z. hem biedt.

Een terugkeer van [De minderjarige A.] naar de moeder lijkt onder andere hierdoor nu niet aan de orde.

De moeder kan onvoldoende aansluiten op de ontwikkelingsproblematiek van [De minderjarige A.], omdat zij die problematiek deels ontkent.

De Raad concludeert dat de moeder ongeschikt en onmachtig is gebleken om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Zij dient daarom te worden ontheven van het ouderlijke gezag over de kinderen.

De ontheffing draagt bij aan een positieve ontwikkeling van de kinderen en aan duidelijkheid over hun verblijfplaats. Voor de moeder is duidelijkheid van belang zodat zij haar rol als ouder op afstand in de toekomst zal kunnen accepteren, hetgeen voor haar en daarmee ook voor de kinderen van belang is. Van de ontheffing zijn voor de ontwikkeling van de kinderen geen negatieve effecten te verwachten. Zorgelijk is dat de moeder gedreigd heeft het contact met[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] te zullen verbreken wanneer zij geen gezag meer over hen zou hebben. Het is niet in het belang van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] dat de moeder uit hun leven zal verdwijnen. Desondanks weegt dit niet op tegen het belang van de kinderen bij rust en duidelijkheid over hun woonperspectief.

[De minderjarige A.] heeft nog steeds de hoop dat hij weer samen met[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] bij de moeder kan gaan wonen. Deze hoop wordt noch door de moeder noch door de grootmoeder m.z. weggenomen omdat beiden hetzelfde - niet reële - toekomstbeeld hebben. Uiteindelijk zal een ontheffing echter bijdragen aan een positieve ontwikkeling van [De minderjarige A.] omdat hij dan een reëel toekomstbeeld kan creëren.

Het is van groot belang dat [De minderjarige A.], maar ook de moeder en de grootmoeder m.z., worden begeleid in de acceptatie van de huidige en toekomstige situatie.

standpunt van de moeder

De moeder is het niet eens met de conclusies in het Raadsrapport. Het is voor haar pijnlijk om te lezen hoe er over de kinderen gedacht wordt. De moeder heeft altijd de intentie gehad om[De minderjarige B.] speciaal onderwijs te laten volgen. [De minderjarige A.] is door zijn stiefbroer seksueel misbruikt toen hij vier jaar oud was. De instanties zijn bang dat [De minderjarige A.] seksuele spelletjes met[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] gaat doen.[De minderjarige B.] heeft één keer het woord vagina op papier gezet en vanaf dat moment heeft men het over seksuele spelletjes van [De minderjarige A.] met[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.]. Dat zou zijn gebeurd terwijl de moeder thuis stond te koken. Dat is echter niet mogelijk omdat het een open keuken betreft. [De minderjarige A.] zou ook met vingers in de vagina van[De minderjarige B.] zijn gegaan. De moeder heeft nooit bloed in de onderbroek van[De minderjarige B.] gezien. Kinderen kunnen door een ouder niet steeds in de gaten worden gehouden. Toen de moeder de module “Terug naar huis” volgde ging het heel goed met haar. Er is onvoldoende onderzoek verricht naar de huidige mogelijkheden van de moeder. Ook in haar directe omgeving, op school of bij de politie heeft men geen navraag gedaan. De moeder heeft de vorige gezinsvoogdes nooit bedreigd. Het is spijtig dat de kinderen geen goede vader hebben gehad. De moeder heeft meerdere relaties gehad, maar de laatste tweeënhalf jaar is zij alleen. De kinderen en de moeder hebben vertrouwen in elkaar. De moeder wil de kinderen het liefste zelf verder verzorgen en opvoeden. Momenteel heeft de moeder één keer in de zes weken gedurende twee uur contact met[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.]. [De minderjarige A.] ziet zij iedere zondag bij haar moeder thuis.

standpunt van de pleegmoeder van [De minderjarige A.] (grootmoeder m.z.)

Het gaat momenteel heel goed met [De minderjarige A.]. Hij verheugt zich iedere week op het bezoek van de moeder. De moeder moet niet van het gezag over de kinderen worden ontheven. De kinderen horen bij hun biologische moeder. Zij heeft altijd alles voor de kinderen over gehad. Grootmoeder m.z. heeft nooit iets verkeerds bij de moeder thuis geconstateerd.

standpunt van de pleegouders van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.]

[De minderjarige B.] volgt vanaf medio april 2012 speciaal onderwijs. Zij is sindsdien veel vrolijker geworden.[De minderjarige B.] wordt nog steeds getoetst en in juni 2012 wordt er geëvalueerd.

moet het schooljaar overdoen. Zijn woedeaanvallen komen steeds minder frequent voor.

Zowel bij[De minderjarige B.] als bij [De minderjarige C.] is er sprake van een duidelijk stijgende lijn in hun ontwikkeling.

standpunt van LJ&R

De moeder heeft zich er steeds alleen maar op gericht om te bewerkstelligen dat de kinderen uiteindelijk weer bij haar thuis zouden komen wonen. Zij heeft de kinderen daarmee - ook tijdens de bezoekmomenten - te veel belast. De moeder heeft geen probleembesef.

Bij meerdere gelegenheden heeft de moeder laten zien dat zij zich niet aan gemaakte afspraken over de veiligheid van de kinderen kon houden. De moeder kan die veiligheid niet waarborgen. In de huidige verzorgings- en opvoedingssituatie gaat het steeds beter met de kinderen. De moeder heeft een aanvaring gehad met de vorige gezinsvoogd. Met de huidige gezinsvoogd verloopt de samenwerking prima. De door de gezinsvoogd begeleide bezoeken verlopen in een prettige en ontspannen sfeer.

beoordeling

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een ouder ontheffen van het ouderlijk gezag over zijn/haar kind, indien hij/zij ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet. Volgens het bepaalde in artikel 1:268, eerste lid, BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich hiertegen verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering wanneer er sprake is van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel. In deze zaak is alleen het bepaalde onder a. van belang.

Dat houdt in dat een ontheffing ondanks dat, zoals in dezen het geval, de moeder zich hiertegen verzet, uitgesproken kan worden indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Vast staat dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen.

Voornoemde maatregelen zijn in beginsel van tijdelijke aard en moeten zijn gericht op (het werken aan) een terugkeer van de minderjarigen naar in casu de moeder. Uit de duur van de maatregelen, de inhoud van de overgelegde stukken en gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is echter naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de moeder onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [De minderjarige A.],[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] te vervullen en dat terugkeer niet kan worden gerealiseerd. Bij verschillende pogingen om de kinderen weer bij de moeder thuis te laten zijn is steeds opnieuw gebleken dat de moeder hen niet de veiligheid kan bieden die zij nodig hebben. De moeder ontbeert probleeminzicht en is onvoldoende leerzaam gebleken.

Doordat de moeder hen veel te veel betrekt bij haar eigen wens om hen weer te gaan verzorgen en op te voeden heeft de moeder de kinderen in een loyaliteitsconflict gebracht.

De geboden hulp in het vrijwillige kader en in het kader van de getroffen kinderbeschermingsmaatregelen heeft onvoldoende bescherming geboden tegen het zodanig opgroeien van[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] dat hun zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig wordt bedreigd.[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] groeien nu voorspoedig op bij de pleegouders.

Deze beschikken over voldoende opvoedingscapaciteiten om te kunnen voorzien in hun ontwikkelingsbehoeften. Het hechtingsproces tussen[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] en de pleegouders verloopt positief. Zij worden goed verzorgd en ontwikkelen zich prima.

Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de moeder om het gezag over[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] te behouden niet op tegen het belang van de kinderen bij duidelijkheid, continuïteit en stabiliteit in hun leven. Zij dient daarom te worden ontheven van het gezag over voornoemde kinderen. Door de ontheffing wordt ook een einde gemaakt aan de spanning, onrust en onzekerheid die de verlenging van de maatregelen iedere keer met zich meebrengt.

De ontheffing van de moeder heeft tot gevolg dat een gezagsvoorziening over[De minderjarige B.] en [De minderjarige C.] komt te ontbreken. De rechtbank dient daarom op grond van artikel 1:275 eerste lid BW een voogd te benoemen. De voogdij wordt opgedragen aan bjz Groningen, waarbij de uitvoering geschiedt door het LJ&R, dat als neutrale partij de belangen van de kinderen kan behartigen. Bjz heeft zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden.

Het LJ&R dient zorg te dragen voor het volgen van de ontwikkeling van de kinderen, deze te stimuleren en te waarborgen. Verder moet hun individuele veiligheid in het oog gehouden worden, moeten de contacten tussen de kinderen en de ouders gecontinueerd en gecoördineerd worden en moet er aandacht zijn voor de acceptatie van het woonperspectief.

Ten aanzien van [De minderjarige A.] wordt het volgende overwogen.

[De minderjarige A.] lijkt in de huidige verzorgings- en opvoedingssituatie bij grootmoeder m.z. tot rust gekomen te zijn. Hij ontwikkelt zich daar positief en heeft met grote regelmaat een goed verlopend contact met de moeder. [De minderjarige A.] heeft een sterke gevoelsband met de moeder en is zeer loyaal aan haar. Grootmoeder m.z. staat vierkant achter de moeder. Hierdoor bestaat het risico dat erbij een ontheffing van het ouderlijk gezag van de moeder conflicten zullen ontstaan die nadelig voor [De minderjarige A.]’s ontwikkeling zijn. De rechtbank is desondanks van oordeel dat het - ook gelet op de problematiek van [De minderjarige A.], zijn leeftijd en zijn uitdrukkelijke wens om bij grootmoeder m.z. te blijven wonen - in het belang is van de verdere ontwikkeling van [De minderjarige A.] om geen verandering te brengen in de huidige situatie.

Het verzoek om de moeder van het gezag te ontheffen wordt daarom ten aanzien van [De minderjarige A.] afgewezen.

BESLISSING

ontheft de moeder

[-------]

van het ouderlijke gezag over de minderjarige kinderen

[A. en B.]

benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige Bureau Jeugdzorg Groningen,

postbus 1203, 9701 BE Groningen, waarbij de uitvoering geschiedt door het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, Laan Corpus den Hoorn, 9728 JR Groningen;

wijst het verzoek tot ontheffing van het gezag van voornoemde moeder over [De minderjarige A.] af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.A. Flinterman, H.J.B. Holsink en D.W.J. Vinkes en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van dinsdag 4 september 2012, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.

gdk

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.