Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1549

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
125800/FA RK 11-796
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de man om samen met de vrouw het ouderlijke gezag te gaan uitoefenen ex 1:253 C BW en om te bepalen dat het kind hoofdverblijf bij hem zal hebben.

Beide verzoeken worden afgewezen. Partijen zijn in feite niet in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, kunnen in gezamenlijk overleg geen beslissingen van enig belang over het kind nemen en zijn ook niet in staat om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.

Er is onvoldoende grond voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.,

Partijen wordt dringend geadviseerd om in het belang van hun kind met deskundige hulp te streven naar verbetering van de situatie. Gewezen is op mediation en op het volgen van het ONS-traject van Elker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 125800/FA RK 11-796

18 oktober 2011

in de zaak van:

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. W. Eelsing,

en

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. Klopstra.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 8 april 2011 een verzoekschrift ingediend. Daarbij heeft de man

verzocht om partijen gezamenlijk met het ouderlijke gezag over hun minderjarige kind A. te belasten en te bepalen dat deze minderjarige hoofdverblijf bij hem zal hebben.

De vrouw heeft op 30 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Daarbij heeft zij verzocht de verzoeken van de man af te wijzen.

Ter griffie is op 15 juni 2011 een brief met bijlage d.d. 14 juni 2011 van mr. Eelsing ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 28 juli 2011. Daarbij zijn partijen, hun advocaten, alsmede de heer D. Nowee namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen, verschenen en gehoord.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.

Uit hun relatie is het thans nog minderjarige kind A.. geboren, dat door de man is erkend.

De vrouw heeft alleen het ouderlijke gezag over A.

Bij beschikking van de rechtbank Assen van 28 oktober 2009 is een omgangsregeling vastgesteld inhoudende, dat [A.] één weekend per veertien dagen van zaterdagochtend 09.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen bij de man zal verblijven, een en ander in onderling overleg tussen partijen af te stemmen.

Verder is bepaald dat partijen ernaar zullen streven om op korte termijn de omgang tijdens het omgangsweekend uit te breiden naar een weekend, waarbij [A.] van vrijdag 17.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man zal verblijven.

standpunt van de man

Onlangs zou er een hevige ruzie tussen de vrouw en haar huidige echtgenoot B. zijn geweest. De vrouw heeft toen de echtelijke woning verlaten met achterlating van [A.] en de drie uit het huwelijk met [B.] geboren minderjarige kinderen.

De vrouw zou vervolgens via de Ggz zijn opgenomen, waarna B. de dagelijkse zorg van alle vier kinderen voor zijn rekening heeft genomen. Dit was een voor [A.] onwenselijke situatie. De man is namelijk als haar biologische vader de aangewezen persoon om [A.] verder te verzorgen en op te voeden.

Na indiening van het onderhavige verzoekschrift heeft de vrouw [A.] bij B. weggehaald. De andere drie kinderen zouden nog blij B. verblijven. Deze kinderen zijn ook in het kader van de voorlopige voorzieningen aan [B.] toevertrouwd.

De vrouw heeft een moeilijk leven gehad. Zij is altijd aangewezen geweest op steun van de Ggz en hetzelfde geldt voor haar moeder en zuster.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in 2007 onderzoek verricht in verband met de omgangsregeling en zou ook in de onderhavige zaak weer een onderzoek kunnen doen.

De vastgestelde omgangsregeling is goed verlopen tot eerste kerstdag van 2010. De man wilde [A.] toen meenemen naar een kerstviering in Duitsland. De vrouw was het daar niet mee eens en eiste dat [A.] teruggebracht zou worden. De man heeft dat toen ook gedaan om verdere escalatie te voorkomen. De vrouw heeft hierna de omgangsregeling stopgezet. Het is in het belang van [A.] dat de omgangsregeling zo spoedig mogelijk wordt hervat.

De man heeft met zijn huidige partner een minderjarige zoon, die iedere dag vraagt wanneer [A.] weer op bezoek komt.

De vrouw heeft alweer een andere partner, die zij bij de Ggz heeft leren kennen. [A.] is al meerdere keren met nieuwe papa’s geconfronteerd en dat is niet in haar belang.

standpunt van de vrouw

De man heeft [A.] rond de kerstdagen van 2010 bij de vrouw teruggebracht, nadat deze had geweigerd mee te werken aan een verblijf van [A.] met de man in Duitsland omdat zij [A.] daar te jong voor vond. Hierna heeft er geen omgang meer plaatsgevonden.

De man laat zich kennelijk volledig leiden door [B.], die met de vrouw in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld.

Wanneer er sprake zou zijn van enige vorm van communicatie tussen partijen zou de man zich niet eerst tot een advocaat maar tot de vrouw hebben gewend om te vernemen wat er aan de hand was. Dit toont al aan dat er geen enkele basis is voor gezamenlijk ouderlijk gezag. [A.] zou in dat geval volledig klem of verloren raken tussen haar ouders.

De vrouw heeft voor begeleiding ter zake van haar emotionele problemen door de huidige echtscheidingsprocedure op vrijwillige basis drie/vier weken in de GGZ-opvang in Stadskanaal doorgebracht. Vervolgens heeft zij samen met [A.] haar huidige zelfstandige woonruimte betrokken. De vrouw neemt alleen de verzorging en opvoeding van [A.] voor haar rekening. De drie uit haar huwelijk met [B.] geboren kinderen zijn de ene week bij de vrouw en andere week bij [B.]. De vrouw wordt ondersteund door het maatschappelijk werk.

beoordeling

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en van hetgeen ter zitting over en weer naar voren is gebracht overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten.

Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder hiermee niet instemt, wordt het verzoek ingevolge het bepaalde in lid 2 van voormeld artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat partijen in gezamenlijk overleg beslissingen over de minderjarige kunnen nemen.

Gebleken is dat partijen al vanaf de kerstdagen van 2010 helemaal niet met elkaar communiceren en dat er tussen de man en [A.] geen enkele vorm van contact is geweest.

Partijen zijn zelf niet bij machte om de bestaande impasse te doorbreken.

De reeds lang voortdurende situatie is niet in het belang van [A.]. Zij heeft al het nodige moeten verwerken door de scheiding van haar ouders en is recentelijk geconfronteerd met nadelige gevolgen van de echtscheidingsprocedure van haar moeder en haar huidige echtgenoot.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat partijen in feite niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij in gezamenlijk overleg geen beslissingen van enig belang over [A.] kunnen nemen en ook niet in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [A.] kunnen voordoen, zodanig dat [A.] niet klem of verloren raakt tussen haar ouders.

Het verzoek van de man om samen met de vrouw met het ouderlijke gezag over [A.] te worden belast wordt daarom afgewezen. Hetzelfde geldt voor het verzoek van de man om te bepalen dat [A.] hoofdverblijf bij hem dient te hebben, nu op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat dit in het belang van [A.] zou zijn.

De rechtbank is verder van oordeel dat er op dit moment onvoldoende grond is om de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen.

Van partijen mag als ouders van [A.] worden gevergd dat zij zelf alles in het werk gaan stellen, opdat zij voortaan constructief over hun dochter gaan overleggen en ook dat er weer vorm en inhoud wordt gegeven aan (herstel van) de omgang tussen [A.] en haar vader, eventueel eerst een aantal malen onder deskundige begeleiding.

Partijen zullen daarbij moeten worden ondersteund door hun raadslieden.

Verder is inschakeling van een begeleidingsdeskundige zoals een mediator noodzakelijk, maar partijen kunnen er ook voor kiezen om gebruik te maken van het bij uitstek geschikte project Ouderschap na Scheiding (ONS), uitgevoerd door Elker Groningen. In het kader van dat traject worden partijen begeleid bij het opruimen van blokkades.

Voor deelname aan het ONS-traject is het noodzakelijk dat partijen zich zelf tot Bureau Jeugdzorg Groningen (telefoonnummer 050-5239200) zullen wenden.

BESLISSING

wijst - met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen - het door de man verzochte af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 18 oktober 2011, in tegenwoordigheid van

G.D. Kuilman, griffier.