Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1412

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
128075 - FA RK 11-1636
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:266; 1:268 BW. Gedwongen ontheffing van de moeder die alleen het gezag heeft. De ouders zijn in verband met hun verslavingsproblematiek niet in staat om de verzorging en opvoeding op zich te nemen. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn niet voldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Perspectief van de kinderen is niet bij de ouders. Duidelijkheid hierover voorkomt loyaliteitsconflict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 128075 / FA RK 11-1636

beschikking d.d. 1 november 2011

in de zaak van:

De Raad voor de Kinderbescherming,

regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen

gevestigd te 9726 AD Groningen, Cascadeplein 6,

verzoeker,

hierna te noemen de Raad,

en

[naam],

hierna te noemen de moeder,

verweerster,

wonende te [adres].

thans verblijvende te [adres].

Belanghebbenden:

* [naam], hierna te noemen de vader,

* bureau jeugdzorg Groningen (bjz).

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 20 juli 2011 een verzoekschrift met bijlagen d.d. 19 juli 2011 ingediend, waarin wordt verzocht om bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de moeder gedwongen te ontheffen van het gezag over de minderjarigen

* [kind 1] geboren op [datum] en

* [kind 2], geboren op [datum],

en bureau jeugdzorg Groningen tot voogd te benoemen.

De rechtbank heeft de minderjarige [kind 1] opgeroepen om op 21 september 2011 respectievelijk 5 oktober 2011 te worden gehoord. Zij is niet verschenen.

De rechtbank heeft op 7 oktober 2011 een faxbericht met bijlage ontvangen waarin [kind 1] haar mening over het verzoek weergeeft.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting met gesloten deuren van 27 september 2011.

Ter zitting zijn verschenen de ouders, D. Nowee namens de Raad en G. van Stralen namens bjz.

RECHTSOVERWEGINGEN

De feiten

In deze procedure wordt van de volgende feiten uitgegaan:

* uit de relatie tussen de ouders zijn voornoemde minderjarige kinderen geboren;

* de vader heeft beide minderjarigen erkend;

* de moeder is belast met het gezag over de minderjarigen;

* bij beschikking van 28 februari 2006 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar;

* met ingang van 11 juli 2008 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor beide kinderen tot 28 februari 2009;

* de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen zijn jaarlijks verlengd;

* [kind 2] is in juni 2010 bij woonvorm In Between geplaatst;

* [kind 2] verblijft thans in een gezinshuis in [plaats];

* [kind 1] verblijft sinds april 2011 in een instelling van “Fier Fryslân”.

Standpunt van de Raad

[kind 1] en [kind 2] zijn vanaf hun geboorte tot aan het moment van uithuisplaatsing opgegroeid bij hun aan alcohol en harddrugs verslaafde ouders. De pogingen om de kinderen weer terug te laten keren naar het gezin door middel van een plaatsing in de Lage Kamp is mislukt, omdat de moeder al vóór de plaatsing afhaakte en de vader tijdens de plaatsing weer middelen had gebruikt. De ouders zijn ondanks meerdere pogingen nooit hun verslaving te boven gekomen en kennen goede en slechte periodes. Het is niet te verwachten dat zij in staat zijn om van hun verslaving af te komen.

Van affectie en betrokkenheid op de kinderen is altijd sprake geweest. Het heeft de kinderen echter ontbroken aan continuïteit op het gebied van huisvesting, scholing, veiligheid, goede verzorging en opvoeding. De kinderen zijn opgegroeid in een onveilige en ongestructureerde omgeving waarin onvoldoende naar hen om werd gekeken, waardoor ze op te jonge leeftijd teveel vrijheid kregen. De inzet van de ouders voor hun kinderen was afhankelijk van de mate van hun verslaving van dat moment, maar over het geheel genomen onvoldoende.

De ouders zijn onmachtig aan te sluiten bij hun kinderen en hen te bieden wat zij nodig hebben.

[kind 1] en [kind 2] zijn kwetsbare kinderen geworden die de komende jaren nog de nodige extra zorg en aandacht nodig hebben om de opgelopen schade voor zover mogelijk te herstellen. Beide kinderen hebben specifieke problematiek.

De ouders zijn vanwege hun chronische persoonlijke en relationele problematiek niet in staat om de verantwoordelijkheid voor deze kwetsbare kinderen nu en in de toekomst op zich te nemen. Niet is te verwachten dat hierin op korte termijn verandering zal komen.

Een ontheffing van het gezag maakt zowel aan de ouders als aan de kinderen duidelijk dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders maar elders is. Voordeel van de ontheffing is tevens dat zowel de kinderen als de ouders niet meer worden geconfronteerd en mogelijk belast met de jaarlijkse OTS-verlengingsprocedure.

Standpunt van de ouders

De moeder stemt niet in met het verzoek. Zij verklaart dat het op het moment heel goed met haar gaat. Zij is op 23 juli 2011 opgenomen bij VNN in [plaats]. Ze volgt hier een intern behandeltraject. Dit traject is 14 oktober 2011 afgerond. Daarna is er nog een vervolgbehandeling in Groningen. De moeder geeft aan dat ze niet meer gebruikt. Ook de vader gebruikt niet meer.

In tegenstelling tot hetgeen de Raad aangeeft in de rapportage is er geen onrust tijdens de bezoeken van de kinderen. Zij weten dat de kinderen niet thuis kunnen wonen en zeggen dat ook tegen de kinderen. Er wordt door hen niet aan de kinderen getrokken.

De samenwerking met bjz is nu goed. Met de vorige gezinsvoogd was dat niet het geval. Deze voogd heeft ook het onderzoek bij de Raad aangevraagd. De ouders geven aan bang te zijn dat zij na een ontheffing niet meer mogen meedenken over wat er met de kinderen gebeurt. Ze zijn bang dat de verkeerde beslissingen worden genomen als hen niets gevraagd wordt. Door de huidige gezinsvoogd worden ze wel bij beslissingen betrokken, maar wie zegt dat dit zo blijft. De huidige voogd is al de achtste voogd op rij en er is geen zekerheid dat hij blijft tot het moment dat de kinderen achttien zijn.

Standpunt van bjz

De samenwerking met de ouders is goed. Het is ook zeker de bedoeling om na een ontheffing de ouders zoveel mogelijk bij beslissingen over de kinderen te blijven betrekken.

Beoordeling

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank de ouder ontheffen van het ouderlijk gezag over zijn kind(eren), indien hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en de belangen van de minderjarige(n) zich daar niet tegen verzetten.

Gelet op het rapport en advies van de Raad, dat hiervoor summier is weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat de moeder onmachtig is om de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarigen op 28 februari 2006 onder toezicht zijn gesteld en op 11 juli 2008 uit huis zijn geplaatst, omdat de ouders in verband met hun verslavingsproblematiek niet in staat waren de opvoeding en verzorging op zich te nemen. De ouders hebben in het verleden diverse pogingen gedaan om van hun verslaving af te komen. Gebleken is dat zij keer op keer terugvallen in hun verslaving en niet in staat zijn de situatie voor hun kinderen ten goede te keren.

De ouders zijn niet in staat gebleken de kinderen zelf te verzorgen en op te voeden. De moeder is thans opgenomen in een kliniek van VNN in [plaats]. Deze laatste ontwikkeling is echter nog zeer pril. Dat de moeder nu wel in staat is om de minderjarigen zelf te verzorgen staat dan ook allerminst vast.

Artikel 1:268, lid 1 BW schrijft voor, dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. In het tweede lid van dat artikel is bepaald, dat deze regel uitzondering lijdt indien (voor zover hier van belang) na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn of haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Vaststaat dat de minderjarigen vanaf 28 februari 2006 onafgebroken onder toezicht zijn gesteld en dat zij sinds juli 2008 uit huis zijn geplaatst krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW.

Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de onmacht van de moeder om de minderjarigen te verzorgen en op te voeden, stelt de rechtbank vast dat het opvoedingsperspectief van de minderjarigen niet bij de ouders ligt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen onvoldoende zijn om de bedreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wensen. Er kan immers niet gewerkt worden aan de terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder. Derhalve is de ondertoezichtstelling niet langer de geëigende maatregel.

Ten aanzien van de belangen van de minderjarigen overweegt de rechtbank het volgende. Het is van belang dat er voor de minderjarigen duidelijkheid geschapen wordt over hun perspectief en dat zij zich niet meer hoeven te richten op een terugkeer naar hun ouders.

De onzekerheid die de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van hen en de overige betrokkenen met zich meebrengt draagt niet bij aan een harmonieuze ontwikkeling en moet worden weggenomen. Het voorkomt ook dat de kinderen, wetende dat de ouders graag willen dat ze weer thuis komen wonen, in een loyaliteitsconflict komen. Het is van groot belang dat de minderjarigen de rust en stabiliteit ervaren die nodig is voor hun ontwikkeling. Het belang van de minderjarigen weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de op zichzelf begrijpelijke wens van de ouders om het gezag van de moeder in stand te laten.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een gedwongen ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarigen noodzakelijk is.

De ontheffing van het gezag van de moeder leidt er toe, dat een gezagsvoorziening over de minderjarigen komt te ontbreken.

Daarom zal de rechtbank op grond van artikel 1:295 BW juncto art. 1:302 BW en gelet op hetgeen daaromtrent hierboven is overwogen bjz Groningen tot voogd benoemen, nu deze zich hiertoe bereid heeft verklaard.

De rechtbank merkt op dat de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen niet tot gevolg zal hebben dat er geen overleg meer met de ouders zal plaatsvinden over zaken die de minderjarigen betreffen. De ouders blijven als ouders betrokken bij het leven van hun kinderen. Bjz zal hen dan ook, in overeenstemming met de toezegging ter zitting, waar mogelijk dienen te betrekken bij de te nemen beslissingen.

BESLISSING

De Rechtbank:

ontheft

[naam], geboren op [datum] te [plaats],

wonende te [adres],

van het gezag over de minderjarigen

* [kind 1], geboren op [datum] te [plaats], en

* [kind 2], geboren op [datum] te [plaats];

benoemt tot voogd over voornoemde minderjarigen

bureau jeugdzorg Groningen,

p/a/ postbus 1203, 9701 BE Groningen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs K.R. Bosker (voorzitter), D.A. Flinterman en

J.H.H. M. Dorscheidt en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van 1 november 2011 in aanwezigheid van mr. M.M. Verbeek, griffier.

mmv

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.