Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BV0876

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
13-01-2012
Zaaknummer
110920-FA RK 09-1473
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag, ogv. de artt. 1:253t, 1:253v, 1:253n en 1:253n BW. Ontzegging van de omgang ogv. art. 1:377a BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 110920/FA RK 09-1473

beschikking d.d. 6 december 2011

in de zaak van:

M,

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen M,

advocaat mr S.S. Ilahi,

en

G,

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen G,

advocaat mr. J.M. de Haaij-Stekelenburg,

en

N,

wonende te [adres],

b e l a n g h e b b e n d e ,

hierna te noemen N,

advocaat mr. F.B. Flooren.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 30 november 2010 een (tussen)beschikking gegeven.

Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad) heeft de rechtbank bij brieven van 11 maart 2011, 15 juni 2011 en 21 juni 2011 de Raad uitstel verleend voor het indienen van een raadsrapportage.

Op 11 juli 2011 is ter griffie van de rechtbank een brief van de Raad binnengekomen, met als bijlage een raadsrapport, gedateerd 7 juli 2011.

Op 22 augustus 2011 is ter griffie een brief van de advocaat van N ontvangen.

De rechtbank heeft op 27 oktober 2011 de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren. Hierbij zijn M, G en N, allen bijgestaan door hun advocaat, alsmede de heer[naam]namens de Raad verschenen en gehoord. Ter zitting heeft de advocaat van M een pleitnota overgelegd en deze voorgedragen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten;

- M en G hebben een affectieve relatie gehad en hebben van 15 maart 2004 tot 5 november 2007 samengewoond.

- Op 23 juli 2004 is in de gemeente Groningen geboren [kind], kind van G, erkend door N op 3 april 2007.

- N is de biologische vader van [kind].

- Bij beschikking van 17 februari 2005 hebben M en G het gezamenlijk gezag over [kind] gekregen.

- Op 3 april 2007 heeft N, de biologische vader van [kind], [kind] erkend.

- [kind] heeft hoofdverblijf bij G.

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 30 november 2010, waarbij de Raad is verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag welke gezagsvoorziening het meest in het belang is van de minderjarige [kind] en of, en zo ja op welke wijze, er contact tussen [kind] en M kan zijn. De rechtbank heeft iedere overige beslissing aangehouden.

Raadsrapportage en standpunt van de Raad

Uit de raadsrapportage blijkt -kort weergegeven- het volgende.

De Raad acht een gezagswijziging in het belang van [kind], waarbij G en N gezamenlijk het gezag over [kind] krijgen. De feitelijke situatie wordt daarmee juridisch vastgelegd en dit geeft [kind] duidelijkheid. Tussen N en [kind] bestaat een goede band en er is sprake van omgangsregeling. G en N kunnen op een constructieve wijze elkaar betrekken in de opvoeding van [kind] en nemen gezamenlijk beslissingen over haar.

De Raad ziet geen mogelijkheden voor omgang tussen M en [kind]. Hoewel de Raad meent dat M een positieve bijdrage zou kunnen leveren aan de opvoeding van [kind], is gebleken dat geen sprake kan zijn van een ongedwongen contact tussen hen. Er zijn een aantal belemmerende factoren voor omgang tussen M en [kind]. Bovendien is gebleken dat de omgangsregeling in drie delen, zoals deze eerder heeft gefunctioneerd tussen partijen, een groot beroep op de veerkracht van [kind] heeft gedaan. [kind] is gebaat bij duidelijkheid en een verstoring hiervan is niet in haar belang. Het accent van haar opvoeding ligt bij G en N. Indien omgang tussen M en [kind] voortdurend gepaard gaat met conflicten is omgang in strijd met het belang van [kind]. Naar verwachting zijn partijen nu en op termijn niet in staat om de verschillende inzichten tussen G en N enerzijds en M anderzijds te overbruggen en een verbetering aan te brengen in de communicatieproblemen tussen G en N enerzijds en M anderzijds.

Ter zitting is namens de Raad naar voren gebracht dat bij een raadsonderzoek meestal met de minderjarige wordt gesproken om een beeld van het kind te krijgen. Gekeken wordt hoe het kind functioneert, hoe weerbaar en draagkrachtig een kind is. De mening van het kind is echter niet bepalend.

Standpunten van partijen

Standpunt M

M heeft -kort weergegeven- het volgende aangevoerd.

[kind] heeft drie ouders, waarbij M de sociale ouder is. M wenst het gezamenlijk gezag over [kind] te behouden. Zij wil als sociale ouder een rol blijven spelen in het leven van [kind]. Er is niet voldaan aan de vereisten voor gezagswijziging. M heeft geprobeerd om de communicatie met G en N te normaliseren. Zij is telkens bereid geweest tot mediation. M is het niet eens met het advies van de Raad. Zij wenst contact met [kind], waarbij het contact langzaam uitgebreid wordt naar een normale omgangsregeling. Destijds heeft G het initiatief genomen bij het tot stand komen van het gezamenlijk gezag over [kind].

[kind] dient door de rechtbank op grond van het Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) te worden gehoord.

Standpunt G

G verzet zich tegen het horen van [kind]. Zij is te jong om te worden gehoord en het zou te belastend zijn voor haar.

Het gaat nu goed met [kind]. Zij is niet meer verantwoordelijk voor de communicatie tussen partijen. Zij is nu meer kind dan ze eerder was.

M heeft destijds op oneigenlijke gronden gezag gekregen over [kind]. Daarbij is N ten onrechte buiten de procedure gehouden. M heeft maar kort met G samengewoond en kan niet worden aangemerkt als een sociale ouder. [kind] heeft twee ouders, namelijk G en N. Tussen deze ouders is sprake van een goede verstandhouding en onderlinge communicatie. Zij bepalen gezamenlijk of en hoe er contact kan zijn tussen [kind] en M, op een tijdstip waarop [kind] dat aangeeft. De rechtbank dient daarom geen omgangsregeling vast te stellen tussen M en [kind].

Standpunt N

Ten onrechte heeft de rechtbank destijds bepaald dat M en G gezamenlijk het gezag over [kind] uitoefenen. Er is geen onderzoek gedaan naar de biologische vader en er werd niet voldaan aan de voorwaarden voor gezamenlijk gezag.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 10 mei 2011 van het Gerechtshof Leeuwarden (Hof) (LJN BQ6239) stelt N dat het gezag van biologische ouders voorrang heeft op gezag van anderen. M heeft N vanaf de geboorte van [kind] buiten spel willen houden. De communicatie met M verliep vanaf het begin zeer moeizaam. De omgang tussen N en [kind] kwam moeizaam op gang. Ook na de verbreking van de relatie tussen G en M wilde M de vaderrol van N inperken, omdat er geen tijd voor haar zou overblijven. M geeft aan bereid te zijn tot mediation, maar stelt iedere keer als voorwaarde dat N daarbij niet wordt betrokken. Als de biologische en juridische ouder van [kind] dient N wel degelijk te worden betrokken in een mediationtraject. De vele mediationpogingen hebben derhalve geen enkel resultaat gehad. N acht thans mediation niet meer gewenst.

Ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [kind] bestaan grote verschillen tussen N en M. M wilde [kind] groot maken. Zij beschouwde [kind] als een vriendin. M deelde te veel met [kind], waaronder bodysuspension, met alles er op en er aan. [kind] is hiervan behoorlijk van slag geweest. Het gaat nu goed met [kind]. De ouders hebben een stabiele opvoedingsrelatie. Aan de ouders moet worden overgelaten welke rol M kan hebben in het leven van [kind].

[kind] is te jong om te worden gehoord.

Beoordeling

Artikel 809, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt -voor zover hier van belang- dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter niet beslist dan na de minderjarige van twaalf jaren of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, tenzij het naar het oordeel van de rechter een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. De rechter kan minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaren nog niet hebben bereikt, in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze.

M heeft verzocht om [kind] te horen. [kind] is 7 jaar. De rechtbank ziet, gelet op de leeftijd van [kind], geen aanleiding om haar te horen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank [kind] in afwijking van het wettelijk uitgangspunt zou moeten horen.

Gezag

- Beëindiging gezamenlijk gezag G en M

Op 3 februari 2005 hebben G en M de rechtbank verzocht hen gezamenlijk met het gezag te belasten over [kind]. Ambtshalve is gebleken dat de minderjarige [kind] destijds niet in familierechtelijke betrekking stond tot een andere ouder dan tot G. G en M hebben voorts niets gesteld over de biologische vader/verwekker. De voorwaarden van artikel 1:253t, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW) waren destijds dan ook niet van toepassing. Bij beschikking van 17 februari 2005 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en bepaald dat G en M het gezag over de minderjarige [kind] uitoefenen.

Thans is aan de orde de vraag of het gezamenlijk gezag van G en M dient te worden beëindigd. Ingevolge artikel 1:253v, eerste lid, BW dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253n BW.

Artikel 1:253n, eerste lid, BW bepaalt -voor zover hier van belang- dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van gewijzigde omstandigheden, in die zin dat de relatie tussen G en M is beëindigd en voorts dat [kind] in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot N, de biologische vader van [kind]. Voorts is de rechtbank bij het nemen van de beslissing van 17 februari 2005 van onvolledige gegevens uitgegaan, nu bij de rechtbank niet bekend was dat de biologische vader van [kind] bekend was bij M en G en dat [kind] vanaf haar geboorte omgang heeft gehad met haar biologische vader.

Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW dient de rechtbank alsdan ingevolge het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, BW te beoordelen of

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt daartoe dat de communicatie tussen G en M zeer moeizaam verloopt. Hun inzichten ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [kind] komen niet overeen. De verstandhouding en communicatie tussen N, juridische ouder van [kind], en M is ook problematisch, waarbij eveneens sprake is van verschil van inzicht ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [kind]. G respectievelijk N hebben ten opzichte van M een zeer verschillende beleving van het verloop van de omgangsregeling, zoals deze destijds heeft gefunctioneerd, en hoe dit van invloed is geweest op het gedrag van [kind].

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [kind] in het verleden volledig klem is geraakt in de verhouding tussen deze drie partijen. Daarbij werd [kind] te zeer belast door de moeizame verhoudingen en communicatie tussen partijen. Indien M het gezag over [kind] behoudt is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Zowel G als N hebben gesteld geen enkel vertrouwen te hebben in M. Niet te verwachten is dat de onderlinge verschillen ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [kind] binnen afzienbare tijd kunnen worden overbrugd, dan wel dat de communicatie tussen G respectievelijk N en M zal verbeteren.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het gezamenlijk gezag van G en M over [kind] dient te worden beëindigd.

- Gezamenlijk gezag G en N

Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid, BW kan -voor zover hier van belang- de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, dit verzoek slechts afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Wettelijk uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is.

Dit uitgangspunt wordt bevestigd in recente uitspraken (zie onder meer de hierboven vermelde uitspraak van het Hof en de uitspraak van 12 juli 2011, Rechtbank Breda (LJN BR1704). Slechts indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is, kan de rechtbank het verzoek van N tot gezamenlijk gezag afwijzen.

Vast staat dat G en N de biologische en juridische ouders zijn van [kind]. Uit de stukken, waaronder het rapport van de Raad, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat G en N elkaar op constructieve wijze betrekken in de opvoeding van [kind] en zij gezamenlijk beslissingen nemen over [kind]. De communicatie en verstandhouding tussen N en G is goed. Er is voorts sprake van een goedlopende omgangsregeling tussen N en [kind]. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van de in artikel 1:253c, tweede lid, onder a of b, BW vermelde afwijzingsgrond.

De rechtbank acht het in het belang van [kind] dat G en N gezamenlijk met het gezag worden belast over [kind].

Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank het primaire verzoek van G om haar alleen met het gezag te belasten zal afwijzen.

Omgang

Artikel 1:377a, eerste lid, BW bepaalt -voor zover hier van belang- dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Ingevolge het derde lid ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

- Omgang tussen M en [kind]

Vaststaat dat tussen M en [kind] sprake is geweest van family life als bedoeld in artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). M staat met andere woorden in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige [kind]. De rechtbank dient te beoordelen of een omgangsrecht van M dient te worden vastgesteld , dan wel haar het recht op omgang dient te worden ontzegd.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Volgens het raadsrapport ziet de Raad op basis van de onderzoeksbevindingen geen mogelijkheden voor omgang tussen [kind] en M. De Raad acht het vastleggen van een omgangsregeling tussen M en [kind] op dit moment in strijd met het belang van [kind].

De rechtbank neemt dit advies van de Raad over. Gebleken is dat de omgangsregeling zoals die destijds tussen partijen heeft gefunctioneerd te belastend en onrustig is geweest voor [kind]. De communicatie tussen partijen verliep via [kind], waardoor [kind] klem kwam te zitten tussen partijen. De Raad heeft verder vastgesteld dat sprake is van voor omgang tussen M en [kind] belemmerende factoren. Er is inmiddels ruim een jaar geen contact geweest tussen M en [kind]. Partijen hebben een belaste geschiedenis met elkaar. In het verleden was reeds sprake van communicatieproblemen en ook op dit moment zijn partijen niet in staat om op constructieve wijze met elkaar te overleggen over [kind]. Partijen zijn het oneens over de rol die M in het leven van [kind] zou kunnen hebben. Verder is sprake van verschillende inzichten over de verzorging en opvoeding van [kind]. Gelet op deze belemmerende factoren zal omgang tussen M en [kind] naar alle waarschijnlijkheid gepaard gaan met conflicten tussen partijen en onrust en spanningen bij partijen, hetgeen zeker ook zijn weerslag zal hebben op [kind]. Bovendien zijn partijen naar verwachting niet bereid en in staat om deze factoren op te heffen.

[kind] heeft belang bij duidelijkheid en structuur. G en N kunnen haar dat bieden. Een omgangsregeling met M zou de huidige stabiliteit in de opvoeding van [kind] kunnen verstoren. Naar het oordeel van de rechtbank zal omgang tussen M en [kind] daarom ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [kind]. De rechtbank ziet hierin grond om M het recht op omgang met [kind] voor onbepaalde tijd te ontzeggen.

Het verzoek van M met betrekking tot de omgang tussen M en [kind] zal de rechtbank afwijzen. Het aanvankelijke verzoek van G tot omgang tussen M en [kind], zoals G bij verweerschrift van 29 oktober 2009 bij wijze van zelfstandig verzoek heeft gedaan, zal de rechtbank volledigheidshalve eveneens afwijzen.

- Omgang tussen N en [kind]

G en N hebben overeenstemming over de vast te stellen omgangsregeling tussen N en [kind]. Zij hebben de omgangsregeling in een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan opgenomen en hebben naast de vastlegging van een omgangsregeling verzocht het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking.

De rechtbank zal de omgangsregeling tussen N en [kind] vaststellen zoals G en N zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, een en ander als hierna te melden.

Hoofdverblijf

G heeft verzocht om te bepalen dat het hoofdverblijf van [kind] bij haar is. N heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoofdverblijf van [kind] bij G dient te zijn. G en N zijn in het ouderschapsplan ook overeengekomen dat het hoofdverblijf van [kind] bij G is. De rechtbank acht het verzoek van G toewijsbaar.

BESLISSING

wijzigt de beschikking van 17 februari 2005 en beëindigd het gezamenlijk gezag van G en M over de minderjarige [kind], geboren op 23 juli 2004;

bepaalt dat G en N gezamenlijk worden belast met het gezag over de minderjarige [kind], geboren op 23 juli 2004;

ontzegt M het recht op omgang met de minderjarige [kind] voor onbepaalde tijd;

bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarige [kind] bij G;

stelt de volgende omgangsregeling vast tussen N en [kind]:

[kind] verblijft één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij N, alsmede de helft van de vakanties, overeenkomstig hetgeen G en N zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, waarvan een gewaarmerkte kopie aan deze beschikking is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Schadd-de Boer en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 6 december 2011 in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier.

aw

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.