Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9799

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
18-670474-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tegen politieauto aanrijden en snijden tijdens achtervolging op de snelweg gekwalificeerd als poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670474-11 (promis)

datum uitspraak: 23 december 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. M. t’Sas

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 december 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 september 2011,

in de gemeente(n) Groningen en/of Haren (op/aan de snelweg A28),

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk één of meerdere politie-ambtenaren,

te weten [aangever 1] en/of [aangever 2],

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto (met hoge snelheid)

tegen een naast hem rijdende (politie-) auto met voormelde politie-ambtenaren,

althans die personen, is (aan-) gereden en/of

heeft getracht die (politie-) auto van de weg te drukken en/of te snijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 september 2011,

in de gemeente(n) Groningen en/of Haren (op/aan de snelweg A28),

één of meerdere politie-ambtenaren, te weten [aangever 1] en/of [aangever 2],

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

met een door hem bestuurde auto (met hoge snelheid) tegen een naast hem

rijdende (politie-) auto met voormelde politie-ambtenaren, althans die

personen, (aan-) gereden en/of

getracht die (politie-) auto van de weg te drukken en/of te snijden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 3 september 2011,

in de gemeente(n) Groningen en/of Haren (op/aan de snelweg A28),

als bestuurder van een voertuig, (een personenauto),

dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,41 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de verklaringen van verbalisanten [aangever 1], [aangever 2], [getuige 1] en [getuige 2] en de VerkeersOngevalsAnalyse (VOA). Vast is komen te staan dat de auto van verdachte de politieauto met daarin verbalisanten [aangever 1] en [aangever 2] heeft geraakt en dat verdachte in ieder geval harder heeft gereden dan 100 km/h. Door de manier waarop verdachte zijn auto heeft bestuurd, heeft hij de kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel zou optreden. Verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit onderzoek, waarbij aan alle wettelijke voorschriften is voldaan, is komen vast te staan dat verdachte onder invloed van alcohol was en het alcoholgehalte 1,41 milligram alcohol per milliliter bloed was.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat op basis van de stukken in het dossier niet duidelijk is geworden wat er precies is gebeurd. Aangevers [aangever 1] en [aangever 2] hebben verschillend verklaard over de contactmomenten tussen beide voertuigen, zodat niet duidelijk is of zij over dezelfde contactmomenten spreken. Daarnaast komen de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] omtrent de contactmomenten niet overeen met het technisch onderzoek en de verklaringen van verbalisanten [getuige 1] en [getuige 2]. Het dossier geeft bovendien geen uitsluitsel over de totstandkoming van het eerste contactmoment tussen beide voertuigen. Uit de VOA wordt dit niet duidelijk, terwijl de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat de politieauto tegen de auto van verdachte is aangereden. Slechts het afsnijden door verdachte kan worden bewezen, hetgeen onvoldoende is voor de ten laste gelegde poging tot doodslag althans zware mishandeling. De raadsman heeft dan ook geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde. Mocht de rechtbank anders oordelen, heeft de raadsman gesteld dat verdachte in ieder geval geen opzet heeft gehad op doodslag of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft met zeer aanzienlijke snelheid en zigzaggend gereden, hij was onder invloed van alcohol en het was donker. Onder die omstandigheden zou het kunnen zijn dat verdachte onbedoeld tegen de politieauto is aangekomen. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde blijft alleen bedreiging door gevaarlijk rijgedrag, te weten het snijden van de politieauto, over.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Een proces-verbaal d.d. 5 september 2011, opgenomen op pagina 89 e.v. van dossier nr. PL01KD 2011088296 d.d. 18 oktober 2011, inhoudende de verklaring van aangever

[aangever 1], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam als politieagent, algemeen opsporingsambtenaar. Ik doe aangifte terzake doodslag dan wel zware mishandeling. Op 3 september 2011 omstreeks 00:40 uur reed ik als bestuurder van een opvallend politievoertuig in uniform gekleed te Groningen. (p. 89)

Op de A28 ter hoogte van de afslag Groningen Zuid kwamen wij naast het voertuig van verdachte te rijden. Ik zag dat de bestuurder opzij keek en duidelijk naar rechts stuurde. Hij deed dit zo snel dat ik een aanrijding niet kon voorkomen. De bestuurder reed hard en opzettelijk naar rechts en kwam op onze rijstrook. Hij ramde ons dienstvoertuig opzettelijk en veroorzaakte een aanrijding. De verdachte probeerde ons echt van de weg af te drukken en ik moest gewoon tegensturen om te voorkomen dat hem dit ging lukken. Hij reed toen al op mijn baan. Wij reden op dat moment ongeveer 140 km/h. Wij werden door de klap opzij gedrukt. Ik kwam helemaal rechts op mijn rijstrook terecht en moest tegensturen om te voorkomen dat ik de vluchtstrook op werd gedrukt. Ik voelde dat wij in onbalans raakten. Ik kon het dienstvoertuig min of meer onder controle houden, alhoewel de auto hevig schudde en veel lawaai maakte. Ik durfde ook niet fors tegen te sturen of hard te remmen omdat ik bang was dat ik met deze snelheid dan over de kop zou slaan. Op een gegeven moment kon ik remmen en achter de verdachte gaan rijden.

Hij reed op de linkerrijstrook en bij de afrit Haren sloeg hij echt op het laatste moment rechtsaf en reed op die manier voor ons langs de afrit af. (p. 90)

Een proces-verbaal d.d. 5 september 2011, opgenomen op pagina 84 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam als politieagent, algemeen opsporingsambtenaar. Op 3 september 2011, omstreeks 00:40 uur bevond ik mij in die hoedanigheid, samen met mijn collega [aangever 1], te Groningen. Wij reden in een opvallend politievoertuig. (p. 84)

De meldkamer stuurde ons naar het Julianaplein te Groningen om daar de bestuurder van een personenauto op te vangen die het stopteken had genegeerd en ervandoor was gegaan voor de politie. De verdachte reed in een groene Ford Escort stationwagen. Hij reed bij ons langs en sloeg met hoge snelheid linksaf de A28 richting Assen op. Wij zijn direct achter het voertuig aan gereden met optische en geluidssignalen en hebben de bestuurder van de personenauto een stopteken gegeven.

Op de A28 ter hoogte van de afslag Groningen Zuid kwamen wij naast het voertuig van de verdachte te rijden. We reden ongeveer 140 km/h. Ik zag dat de genoemde personenauto van richting veranderde en ons voertuig ramde en een aanrijding veroorzaakte. Aangezien we op een rechte weg reden, was de verplaatsing van de personenauto geheel onnodig. De personenauto raakte ons aan de linkerzijkant. Ons voertuig begon te slingeren. Collega [aangever 1] kon door middel van diverse stuuruitslagen ons dienstvoertuig weer recht op de rijbaan krijgen. Ik moest mij schrap zetten.

Ik voelde dat de verdachte ons wederom raakte en dat hij ons richting de afslag Groningen Zuid stuurde. Ik zag dat het asfalt bij het puntstuk ophield en het stootblok dichterbij kwam. Collega [aangever 1] moest tegensturen. Ondanks dat werden wij steeds dichter naar het puntstuk gebracht. Collega [aangever 1] remde stevig. De auto van de verdachte schoot door en kwam voor ons te rijden. (p. 85)

Verdachte ging bij de afrit Haren op het allerlaatste moment rechtsaf en reed rakelings voor ons langs. Ik voelde dat collega [aangever 1] stevig remde om opnieuw een aanrijding te voorkomen. (p. 86)

Een proces-verbaal d.d. 8 september 2011, opgenomen op pagina 103 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten [getuige 1] en [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Wij werden ingehaald door collega’s die met hun opvallend dienstvoertuig naast de genoemde personenauto gingen rijden. Wij hadden goed zicht op de situatie voor ons.

De bestuurder van de personenauto week ineens van zijn rechte lijn af, reed hierbij naar rechts en wisselde van rijstrook. De personenauto kwam hierbij in aanraking met het dienstvoertuig van de collega’s. Het leek ons erop dat de bestuurder van de personenauto trachtte de collega’s van de weg te drukken. Wij zagen dat de snelheid die gevoerd werd rond de 130 en 140 km/h lag. Net voor het puntstuk dat ligt tussen de rijbaan van de afrit Groningen Zuid en de vluchtstrook van de rijksweg A28 reed de bestuurder met zijn personenauto verder naar rechts. Ik, verbalisant [getuige 1], schrok hier erg van. Ik zag namelijk dat de bestuurder de collega’s kennelijk van de weg wilde drukken op het genoemde puntstuk.

Wij zagen dat het voertuig van de collega’s al slingerend los kwam van het andere voertuig en dat de collega’s hard moesten remmen om niet in aanraking te komen met de vangrail.

Met een snelheid van nog steeds 130, 140 (p. 105)

km/h reden wij verder. Bij de afrit Haren reed de bestuurder van de personenauto op het laatst rechtsaf de afrit af, richting Haren. De bestuurder reed met hoge snelheid. (p. 106)

Een proces-verbaal d.d. 3 september 2011, opgenomen op pagina 55 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik negeerde het stopteken van de politie, omdat ik drank had gehad. (p. 57)

Een proces-verbaal d.d. 18 oktober 2011, opgenomen op pagina 23 van voormeld dossier, inhoudende de relatering van [verbalisant], hoofdagent:

Ik heb de verdachte [verdachte] gevraagd zijn toestemming te geven tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming.

Een schriftelijk stuk, te weten het rapport Alcohol in het verkeer d.d. 8 september 2011 van het Nederlands Forensisch Instituut, als bijlage D bij voormeld dossier gevoegd, inhoudende:

Naam bloedgever: [verdachte].

Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, 1,41 milligram ethanol per milliliter bloed.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van (een van) de agenten. Het rijgedrag van verdachte zou in een enkel geval tot de dood kunnen leiden, maar de kans daarop kan niet zonder meer aanmerkelijk worden genoemd.

Op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte is met een aanzienlijke snelheid met zijn auto tegen de politieauto van [aangever 1] en [aangever 2] aangereden. Dat [aangever 2] dit heeft ervaren als twee contactmomenten en [aangever 1] als één, doet – gelet op het korte tijdsbestek (seconden) – daaraan niet af. Daarnaast heeft verdachte de politieauto gesneden door zeer plotseling van de linkerrijbaan over de rechterrijbaan de afrit Haren op te rijden en waarbij [aangever 1] stevig heeft moeten afremmen om een aanrijding te voorkomen. Door zijn rijgedrag heeft verdachte het risico aanvaard dat de politieauto van de weg zou raken, kantelen of ergens tegen aan zou botsen. Verdachte heeft door aldus te handelen eveneens welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 1] en [aangever 2] ernstig gewond zouden raken.

Op basis van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte onder invloed was van alcohol en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals onder 2 is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 3 september 2011 in de gemeenten Groningen en/of Haren op de snelweg A28, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk politieambtenaren, te weten [aangever 1] en [aangever 2], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid tegen een naast hem rijdende politieauto met voormelde politieambtenaren is aangereden en heeft getracht die politieauto van de weg te drukken en die politieauto heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 3 september 2011 in de gemeenten Groningen en Haren als bestuurder van een voertuig (een personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,

1,41 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. poging tot zware mishandeling;

2. overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 jaar. Daarbij heeft zij met name rekening gehouden met het rijgedrag van verdachte en de manier waarop hij door de binnenstad en vanaf het Juliana-plein heeft gereden, na meerdere stoptekens van de politie te hebben genegeerd. Verdachte heeft een aanslag gepleegd op twee politieambtenaren, die er alleen maar goed vanaf zijn gekomen doordat zij goed getraind zijn.

Standpunt verdediging

Namens verdachte heeft, voor het geval zijn standpunt omtrent de bewezenverklaring wordt gevolgd, gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van twee politieambtenaren en heeft de verkeersveiligheid in gevaar gebracht door zijn rijgedrag en door onder invloed van alcohol achter het stuur te gaan zitten. Verdachte is, na met zijn auto door het uitgaansgebied van Groningen te hebben gereden en meerdere stoptekens van de politie te hebben genegeerd, tijdens een achtervolging door twee politieauto’s tegen één van die auto’s aangereden en heeft geprobeerd deze auto van de weg af te drukken. Vervolgens heeft verdachte al zigzaggend over de snelweg gereden en heeft hij de politieauto gesneden bij het verlaten van de snelweg. Dit zeer onverantwoordelijke rijgedrag van verdachte had ernstige gevolgen kunnen hebben. Dat het bij blikschade is gebleven, is te danken aan de alerte reactie van aangever [aangever 1]. Verdachte heeft er werkelijk alles aan gedaan om uit handen te blijven van de politie en heeft zich daarbij niet bekommerd om de veiligheid van anderen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook het feit dat de poging tot zware mishandeling was gericht tegen twee gezagsdragers, die zorgen voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid op straat, weegt de rechtbank mee. De rechtbank is daarom van oordeel dat een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur passend en geboden is.

Daarnaast acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen op haar plaats omdat verdachte beide feiten met een motorvoertuig heeft begaan en door het plegen ervan de verkeersveiligheid in ernstige mate in gevaar heeft gebracht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf en de duur van de rijontzegging in aanmerking genomen dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, onder meer wegens overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden en een rijontzegging voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

18 maanden.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest, voordat deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, op de duur van die ontzegging in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. G. Eelsing, voorzitter, H.J. Bastin en

K.K. Lindenberg, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 december 2011.