Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9750

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
473857 / 10-16736
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huur woonruimte; waarborgsom; herstelkosten; matiging herstelschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie

Zaak\rolnummer: 473857/10-16736

Vonnis d.d. 22 december 2011

inzake

Q., wonende te Hoogeveen,

eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen Q.,

gemachtigde De Jong & Kistemaker gerechtsdeurwaarders te Amersfoort,

tegen

R., wonende te [postcode] Groningen, [naam]laan 71,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen R.,

gemachtigde mr. K.J. Kanning, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

in conventie en in reconventie

Q. heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden in conventie gevorderd R. te veroordelen tot betaling van € 3.054,10 vermeerderd met rente en kosten. R. heeft in conventie geconcludeerd voor antwoord. In reconventie heeft hij gevorderd Q. te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag groot € 1.441,72. Q. heeft in reconventie een conclusie van antwoord genomen. De kantonrechter heeft vervolgens een comparitie van partijen gelast, die in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden heeft plaatsgevonden op 24 november 2011. Van hetgeen partijen bij die gelegenheid naar voren hebben gebracht, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Hierna is vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

in conventie en in reconventie

1. de feiten

1.1 Tussen partijen staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken het volgende vast.

1.2 Q. heeft van 15 oktober 2007 tot 1 februari 2010 van R. in huur gehad de woning aan de [naam]laan 71 te Groningen tegen een huurprijs van € 995,00 per maand. Daarnaast was Q. maandelijks een bedrag van € 264,30 verschuldigd als voorschot op de leveringen van nutsvoorzieningen en overige diensten. Op de overeenkomst waren de door R. gehanteerde huurvoorwaarden van toepassing.

1.3 Voorafgaande aan de huurovereenkomst heeft een bezichtiging van de woning plaatsgevonden. Daarvan is een (korte) beschrijving opgemaakt. Tevens is toen door Q. een waarborgsom ten bedrage van € 2.518,60 aan R. betaald.

1.4 Ingevolge de beëindiging van de huurovereenkomst heeft op 31 januari 2010 een eindcontrole in bedoelde woning plaatsgevonden. Van deze controle is op dezelfde datum een rapport(tje) opgemaakt dat door beide partijen is ondertekend.

2. het standpunt van Q.

2.1 R. is na de beëindiging van de huurovereenkomst in gebreke gebleven met de terugbetaling van de waarborgsom. Als gevolg daarvan heeft hij de vordering ter incasso uit handen gegeven. Hij maakt aanspraak op buitengerechtelijke kosten.

3. het standpunt van R.

3.1 Hij erkent dat hij de waarborgsom niet aan Q. heeft terugbetaald. Hij heeft deze verdisconteerd met de kosten die hij heeft moeten maken als gevolg van de wijze waarop Q. de woning na beëindiging van de huurovereenkomst heeft opgeleverd.

3.2 Omdat voormelde kosten de hoogte van de waarborgsom overschrijden, vordert hij in reconventie een bedrag van € 1.441,72 van Q.

4. de beoordeling

4.1 Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.2 Tussen partijen staat vast dat Q. bij aanvang van de huurovereenkomst een totaal bedrag van € 2.518,60 aan waarborgsom aan R. heeft voldaan. Nu R. dit bedrag in zijn reconventionele vordering heeft verdisconteerd, zullen de verschillende posten van de vordering in reconventie hierna afzonderlijk worden beoordeeld.

4.3 herstelkosten

Ter comparitie is komen vast te staan dat Q. de woning in oktober 2007 heeft gehuurd in de staat zoals omschreven in het inspectierapport/de opnamelijst van 14 oktober 2007. Dit impliceert dat Q. bij beëindiging van de huurovereenkomst gehouden is het gehuurde in minimaal dezelfde staat op te leveren. Dit is evenwel niet gebeurd. Partijen hebben in ieder geval bij een gezamenlijke eindinspectie op 31 januari 2010 een aantal onregelmatigheden aangetroffen. Daarnaast heeft R. bij een nadere inspectie de volgende dag en buiten aanwezigheid van Q., in afwijking van de aanvangsstaat van het gehuurde, nog een aantal gebreken geconstateerd. Q. heeft daaromtrent aangevoerd dat deze laatste gebreken hem niet bekend zijn en dat hij in het geheel niet in de gelegenheid is gesteld één en ander te herstellen. Anders dan Q. met zijn betoog wellicht heeft bedoeld te stellen, brengt het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter niet mee dat Q. geen schadevergoeding verschuldigd is. De verplichting van Q. om na het einde van de huurovereenkomst het gehuurde op te leveren in de staat waarin het zich bij aanvang van die overeenkomst bevond, kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Nu vast staat dat Q. deze verplichting niet is nagekomen is hij, zonder hij daartoe in gebreke dient te worden gesteld, in verzuim. De functie van de voorafgaande inspectie in aanmerking genomen, komen van de door R. gemaakte herstelkosten, die door Q. inhoudelijk niet, althans onvoldoende zijn weersproken, slechts die in aanmerking welke Q. zelf had moeten maken om de woning in de juiste staat op te leveren. Nu R. ter comparitie heeft aangegeven dat het ter zake gevorderde bedrag voor ongeveer de helft uit arbeidsloon bestaat zal de kantonrechter de door R. geleden schade toewijzen tot een bedrag van € 500,00.

4.4 kosten levering nutsvoorzieningen en diensten

Q. heeft de verschuldigdheid van deze kosten, zoals door R. in zijn schrijven van 1 oktober 2010 berekend op een bedrag van € 735,32, niet betwist, althans niet inhoudelijk weersproken. Weliswaar heeft hij ter comparitie aangegeven dat hij nooit enige (eind)afrekening van de nutsvoorzieningen heeft gehad, maar nu hij voorts heeft aangegeven te berusten in de verschuldigdheid van voormeld bedrag, zal dit onderdeel van de vordering worden toegewezen.

4.5 schade ongepermitteerde inschrijving op en gebruik van adres en brievenbus R. heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarop deze (schade)vordering (totaal € 2.050,00) is gebaseerd. Weliswaar heeft hij daarvoor aansluiting gezocht bij de artikelen 1 en 2 van de huurvoorwaarden, maar nu daarin met geen woord wordt gerept over de door R. geschetste gang van zaken zal daaraan worden voorbijgegaan. Voor zover er al sprake mocht zijn van enige schade heeft hij bovendien nagelaten inzichtelijk te maken wat de aard daarvan is (geweest) en hoe hij tot de door hem gestelde omvang daarvan is gekomen. Resumerend komt de kantonrechter tot het oordeel dat R. ter zake van dit onderdeel van de vordering zodanig weing heeft gesteld, dat daaraan niet het door hem beoogde rechtsgevolg kan worden verbonden. Deze schadevordering zal dan ook worden ontzegd.

4.6 onderzoekskosten ongepermitteerde inschrijving op adres

Evenals de vorige post komt ook dit onderdeel van R.’s vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe overweegt de kantonrechter dat in het geheel niet duidelijk is (geworden) wat de grondslag vormt voor deze vordering. R. kan niet slechts volstaan met de enkele mededeling "onder andere contact met de gemeente Groningen, communicatie met uw cliënt, buren en mijn juridische adviseurs". Om zijn vordering al enige inhoud te geven, had het op zijn weg gelegen om deze in ieder geval te onderbouwen en/of inzichtelijk te maken. Nu hij dit niet heeft gedaan, heeft hij niet voldaan op de op hem rustende stelplicht.

4.7 Het voorgaande leidt er toe dat R. gehouden is om de waarborgsom, onder aftrek van de hiervoor onder 4.3 en 4.4 besproken posten, aan Q. (terug) te betalen. Concreet betekent dit dat R. in conventie zal worden veroordeeld tot betaling aan Q. van een bedrag groot € 1.283,28 (d.i. € 2.518,60 minus € 500,00 en € 735,32) en dat de reconventionele vordering zal worden afgewezen.

4.8 De conventionele vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten is onvoldoende onderbouwd. De gemachtigde van Q. heeft nagelaten concreet invulling te geven aan haar daadwerkelijk verrichte incassowerkzaamheden. Bovendien kunnen enkele (herhaalde) sommaties de kosten niet dragen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Deze kosten zullen dan ook worden afgewezen.

4.9 Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal R. worden veroordeeld in de kosten van zowel de conventionele als reconventionele procedure. Voor zover dit de kosten van de procedure in conventie betreft, zullen deze worden bepaald op basis van het toegewezen bedrag.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt R. om tegen bewijs van betaling aan Q. te voldoen een bedrag van € 1.283,28 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2010 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt R. in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 96,26 aan dagvaardingskosten, € 158,00 aan griffierecht en € 300,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vordering in reconventie af;

veroordeelt R. in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 150,00 aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 22 december 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: jg