Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9713

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
494459 CV EXPL 11-2754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak.

Kort na het faillissement van de huurder geeft de verhuurder het verhuurde pand aan een derde in gebruik (week 1). Dit gaat buiten de curator om, maar hij ontvangt daarvan wel een bericht. De curator onderneemt op dat moment geen actie en zegt de huurovereenkomst niet op.

De nieuwe gebruiker van het pand betaalt voor het gebruik de eerste 4 maanden hetzelfde bedrag per maand als de voormalige (failliete) huurder.

In maand 5 komen de eigenaar van het pand en de nieuwe gebruiker overeen dat de gebruiker het pand in maand 9 zal kopen. De eigenaar geeft de nieuwe gebruiker in maand 5 tot en met 8 50% korting op het maandelijks te betalen bedrag.

In die 5e maand deelt de eigenaar van het pand aan de curator mee dat er volgens haar nog steeds sprake is van een huurovereenkomst met de failliet, waarna de curator de huurovereenkomst zekerheidshalve, voor het geval deze nog mocht blijken te bestaan, alsnog tegen week 9 opzegt.

De eigenaar vordert dat de curator q.q. zal worden veroordeeld om het verschil (50%) in maand 5 tot en met 8 aan haar te betalen.

De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst die de eigenaar en de nieuwe gebruiker in week 1 hebben gesloten als een huurovereenkomst. Weliswaar betekent dit niet zondermeer dat de huurovereenkomst tussen de eigenaar en de failliet daarmee is geëindigd, maar de eigenaar kan zich daar niet meer op beroepen. Zo dat wel het geval zou zijn, had de eigenaar met de curator overleg moeten voeren alvorens zij 50% korting gaf. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan zij ook op die grond de andere 50% niet bij de curator q.q. claimen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2012/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 494459 CV EXPL 11-2754

Vonnis d.d. 14 december 2011

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Penske Logistics BV en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Penske Logistics Transport BV,

beide gevestigd te Roosendaal aan de Ettenseweg 40,

eiseressen, hierna in enkelvoud Penske te noemen,

gemachtigde mr. F.M. van Hasselt, advocaat te Zwolle,

tegen

mr. Robert Gerlof Holz, kantoorhoudende te Groningen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap De Vries Transport Group BV, statutair gezeteld te Veendam,

gedaagde, hierna mr. Holz te noemen,

gemachtigde mr. J.H. Mastenbroek, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

De bij vonnis van 30 maart 2011 gelaste comparitie heeft plaatsgevonden op 30 september 2011. Mr. M.L. van Essen en mr. F.M. van Hasselt zijn als gemachtigden van Penske verschenen. Verder zijn mr. Holtz en zijn gemachtigde (mr. J.H. Mastenbroek) verschenen. Partijen hebben ter zitting hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Het vonnis is (nader) bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1. Op 1 september 2008 zijn de logistieke activiteiten die door Penske vanuit haar vestiging in Coevorden werden aangeboden overgenomen door De Vries Transport Group BV (hierna De Vries te noemen).

1.2. De onroerende zaak gelegen aan De Mars 1 te Coevorden is eigendom gebleven van Penske. De Vries huurde met ingang van 1 september 2008 de opslagruimte en de overige onroerende zaak op dit adres (het geheel wordt hierna als de onroerende zaak aangeduid). Het betreft overige bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:230a BW. De overeenkomst, met een duur van 5 jaar, is gesloten met Penske Logistics Transport BV. De huurpenningen (€ 44.823,34 (inclusief BTW) per maand) werden door Penske Logistics BV geïnd.

1.3. De Vries is op 25 augustus 2009 failliet verklaard. Mr. Holtz is benoemd tot curator in het faillissement.

1.4. Mr. Holtz heeft het bedrijf van De Vries voortgezet tot en met 6 september 2009. De huurpenningen tot die datum zijn door derden aan Penske voldaan.

1.5. Mr. Holtz heeft de door De Vries gedreven onderneming (voor zover het de activiteiten in Nederland betrof) per 7 september 2009 overgedragen aan IMS Veendam BV. IMS Veendam BV heeft vervolgens op diezelfde dag het deel van het bedrijf dat vanuit Coevorden werd gevoerd overgedragen aan Graaco BV (hierna Graaco te noemen).Per die datum heeft Graaco tevens de onroerende zaak in gebruik genomen.

1.6. In september 2009 hebben Penske en Graaco overleg gevoerd over de voortzetting van de huur dan wel overname van de onroerende zaak. Zij zijn overeengekomen dat Graaco voor het gebruik voorlopig maandelijks € 44.823,34 zou betalen (de huurprijs die De Vries betaalde) totdat zij tot een (definitieve) overeenkomst zouden komen.

1.7. Mr. Van Hasselt heeft namens Penske bij brief van 18 september 2009 het volgende aan mr. Holtz geschreven:

“(...)

Onze opdrachtgevers zijn wel in gesprek met Graa.co, maar overwegen om tot ontruiming over te gaan. Graa.co heeft eerder vandaag laten weten in het geheel nog geen huur te hebben betaald. Onze opdrachtgevers gaan er in ieder geval vanuit dat u er voor in staat dat alle sinds de faillissementsdatum uit hoofde van de nog immer doorlopende huurovereenkomst verschuldigde huur vanuit de boedel wordt betaald.

(...)”

1.8. Het antwoord van mr. Mastenbroek (namens mr. Holtz) in zijn brief aan mr. Van Hasselt van 21 september 2009 luidt als volgt:

“(...)

Zoals uw cliënte weet, is er voor betaling van de lopende kosten gedurende de eerste 13 dagen (derhalve van 25 augustus t/m 6 september jl.) een garantie gegeven door een consortium van transportondernemingen. Vanaf 7 september 2009 wordt de onderneming voortgezet door Graaco. Voor de goede orde merk ik in dit kader nog op dat wij met Graaco geen overeenkomsten hebben gesloten: wij hebben de gehele onderneming verkocht aan IMS Veendam, die (kennelijk) op haar beurt een deel daarvan heeft doorverkocht.

Het lijkt mij in de rede liggen dat uiteindelijk de lasten vanaf 7 september jl. ten laste van Graaco zullen komen.

Het moge duidelijk zijn dat de huurvordering na datum faillissement een boedelvordering is.

(...)

Uit uw brief maak ik op dat uw cliënte vermoedelijk op korte termijn met mij van gedachten wil wisselen over een vroegtijdig einde van de huurovereenkomst. Ik wacht berichten uwerzijds daaromtrent voorlopig af.”

1.9. Op 23 september 2009 schreef mr. Van Hasselt namens Penske het volgende aan Graaco:

“(...)

Met Penske Logistics heeft de curator geen enkele afspraak gemaakt met betrekking tot de nog immer doorlopende huurovereenkomst (terzake bedoeld onroerend goed). De curator heeft ons laten weten dat hij het aan IMS Veendam heeft overgelaten om tot goede afspraken met verhuurders te komen. De curator heeft ons voorts bevestigd dat de huur (...) tot en met 6 september is gegarandeerd, maar vanaf 7 september niet meer.

Voor wat betreft het onroerend goed van Penske Logistics en de positie van IMS Veendam, heeft de curator dus niets bedongen. Door geen huur te betalen, en evenmin de huurovereenkomst op te zeggen en/of het gehuurde ontruimd en bezemschoon op te leveren, handelt de curator in strijd met de geldende regels. Daar komt nog bij dat het huurcontract onder- en wederverhuur verbiedt, zodat het de curator niet vrij stond de gehuurde zaken aan IMS Veendam en/of Graa.co in gebruik te geven zonder voorafgaande toestemming van Penske Logistics.

Graa.co maakt momenteel dan ook gebruik van het gehuurde zonder enige titel. Tenzij Penske Logistics nog deze week van Graa.co de bevestiging ontvangt dat voor het eind van deze maand de huur vanaf september tot en met 31 oktober (door Graa.co, aan Penske Logistics) zal zijn voldaan, zullen wij de curator verzoeken en, voor zover nodig, via verdere stappen ertoe brengen dat hij tot ontruiming op de kortst mogelijke termijn overgaat.”

Mr. Van Hasselt heeft een kopie van deze brief aan mr. Holtz toegezonden.

1.10. Op 31 december 2009 hebben Penske en Graaco een "letter of intent" ondertekend, waarbij zij verklaarden de intentie te hebben om de eigendom van de onroerende zaak per 1 maart 2010 over te dragen aan Graaco.

1.11. Bij brief van 12 januari 2010 schreef Penske het volgende aan dhr. U. Hempenius van H&S Group BV:

“Following the discussions you have had with Mrs. Sockel, it is our pleasure that our companies are now in a position to conclude the letter of intent. The letter of intent had been signed which you will find enclosed.

Penske Logistics will continue to invoice you Euro 33.667 in line with the existing rental agreement until the formal agreement as been concluded but as per January 1 2010, you can short pay 50% of the invoiced rent.

We anticipate that closure of the transaction will take place before February 28th, 2010.

If the intended transaction does not take place by above date, we will revert back tot the existing rental agreement between our companies and the rent will be Euro 33.667 as per January 1st of this year.”

1.12. Mr. Holtz heeft de huurovereenkomst tussen Penske en De Vries bij brief van 29 januari 2010 "voor zover nodig en zekerheidshalve" opgezegd per 1 mei 2010 voor het geval deze op dat moment nog mocht bestaan.

De vordering

2. Penske vordert dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de huurvordering van Penske op De Vries wordt vastgesteld op € 89.646,68 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals aangegeven onder punt 25 van de dagvaarding, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, en deze aan te merken als preferente boedelvordering ex artikel 39 Fw;

2. mr. Holtz wordt veroordeeld om, voor zover de boedel daartoe toereikend is, de door de kantonrechter vastgestelde huurvordering binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn aan Penske te voldoen;

3. mr. Holtz persoonlijk wordt veroordeeld om (aan Penske) te voldoen dat deel van de boedelschuld waarvoor de boedel niet toereikend is;

4. mr. Holtz wordt veroordeeld in de proceskosten (met rente).

Het standpunt van Penske

3. Kort en goed komt het standpunt van Penske op het volgende neer.

3.1. De overeenkomst tussen haar en Graaco is een gebruiksovereenkomst. Het gebruik door Graaco van de onroerende zaak in de periode september 2009 tot mei 2010 uit hoofde van de gebruiksovereenkomst maakt namelijk niet dat er gedurende die periode sprake is van een huurovereenkomst tussen haar en Graaco en evenmin dat de huurovereenkomst tussen haar en De Vries is geëindigd. Beëindiging van die huurovereenkomst heeft - na opzegging door mr. Holtz - immers pas plaatsgevonden per 1 mei 2010.

3.2. De onderhandelingen tussen haar en Graaco vanaf september 2009 moeten worden gezien als een schadebeperkende maatregel. Om de voorgenomen verkoop niet in gevaar te brengen, heeft zij moeten accepteren dat de door Graaco te betalen gebruiksvergoeding vanaf 1 januari 2010 met 50% werd verminderd.

3.3. Het verschil (de resterende 50%) moet worden gezien als misgelopen huurinkomsten en daarmee als boedelschuld. Het bedrag van € 89.646,68 (4 maal 50% van € 44.823,34) moet daarom uit de boedel worden betaald.

3.4. Voor zover dat niet mogelijk is, is mr. Holtz daarvoor persoonlijk aansprakelijk. Hij heeft namelijk de door de Hoge Raad geformuleerde zorgvuldigheidsnorm geschonden door aan Penske en Graaco over te laten om een oplossing te vinden voor het gebruik van de onroerende zaak en bovendien de huurovereenkomst pas op 29 januari 2010 op te zeggen.

Het standpunt van mr. Holtz

4. In essentie komt het verweer van mr. Holtz op het volgende neer.

4.1. Naar zijn mening kan de overeenkomst tussen Penske en Graaco niet anders worden gezien als een huurovereenkomst. Hierdoor is de huurovereenkomst tussen Penske en De Vries - stilzwijgend - beëindigd.

4.2. Zo dat niet het geval is, dan is de huurovereenkomst met ingang van 7 september 2009 althans uiterlijk 1 januari 2010 ontbonden, omdat Penske jegens De Vries c.q. mr. Holtz toerekenbaar tekort is geschoten door het gehuurde aan een ander in gebruik te geven.

4.3. Meer subsidiair stelt mr. Holtz zich op het standpunt dat de aanvullende afspraken die Penske met Graaco heeft gemaakt hem (mr. Holtz) niet regarderen.

4.4. Tot slot is mr. Holtz van mening dat hij in deze procedure hoe dan ook ten onrechte in persoon wordt aangesproken, omdat hij slechts in zijn hoedanigheid van curator is gedagvaard. Los daarvan snijdt de vordering tegen hem in persoon ook inhoudelijk geen hout.

De beoordeling

5. De kantonrechter stelt voorop dat voor zover de vordering gericht is tegen mr. Holtz in persoon, deze hoe dan ook niet kan slagen. Mr. Holtz is namelijk niet in persoon maar slechts in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van De Vries gedagvaard.

6. Volgens vaste rechtspraak (vgl. HR 9 maart 1964, NJ 1964, 215) is de naam die partijen aan de overeenkomst geven niet bepalend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een huurovereenkomst. Wanneer aan de in artikel 7:201 lid 1 BW genoemde essentialia van huur (het verschaffen van het gebruik van een zaak door de verhuurder en het verrichten van een tegenprestatie door de huurder) is voldaan, is er in beginsel sprake van een huurovereenkomst.

7. De in september/oktober 2009 gesloten overeenkomst tussen Penske en Graaco voldoet aan bedoelde essentialia. Penske heeft Graaco immers het gebruik verschaft van de onroerende zaak in Coevorden en de tegenprestatie van Graaco bestond uit het betalen van een bedrag van € 44.823,34 per maand. Zowel het gebruik als de tegenprestatie is voldoende bepaalbaar.

8. Bedoelde overeenkomst tussen Penske en Graaco moet naar het oordeel van de kantonrechter dan ook worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst. Dat zij nog overleg voerden over een "voor beide partijen acceptabele overeenkomst", zoals Penske stelt, maakt dat niet anders.

9. Hoewel het enkele feit dat Penske en Graaco een huurovereenkomst hebben gesloten, niet zondermeer maakt dat daarmee een einde is gekomen aan de huurovereenkomst tussen Penske en De Vries, kan Penske zich naar het oordeel van de kantonrechter op grond van het navolgende in redelijkheid niet beroepen op het voortbestaan van laatstgenoemde overeenkomst.

10. De gemachtigde van Penske heeft op 23 september 2009 een afschrift van zijn brief aan Graaco van die datum toegezonden, waarin hij schrijft dat Graaco voor het eind van de maand de huur voor september en oktober 2009 moet hebben voldaan, bij gebreke waarvan mr. Holtz ertoe zal worden bewogen om de onroerende zaak te ontruimen. Tenzij (de gemachtigde van) Penske zich kort na eind september 2009 met een andersluidende mededeling tot hem zou wenden, mocht mr. Holtz er dan ook redelijkerwijs van uitgaan dat Graaco (ook) in de optiek van Penske als huurder in de plaats van De Vries was getreden of dat Penske De Vries anderszins niet meer als huurder beschouwde. Dat is echter niet gebeurd. Het heeft namelijk tot 6 januari 2010 geduurd voordat mr. Holtz van de zijde van Penske vernam dat de huurovereenkomst tussen Penske en De Vries volgens haar nog steeds doorliep. In de tussenliggende periode heeft mr. Holtz geen enkel stuk of mededeling van Penske ontvangen.

11. Maar ook in het geval de overeenkomst tussen Penske en Graaco als een gebruiksovereenkomst zou moeten worden gekwalificeerd en dat Penske zich wel op het voortbestaan van de huurovereenkomst tussen haar en De Vries zou kunnen beroepen, maakt Penske naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte aanspraak op het verschil (50%) tussen de destijds tussen De Vries en Penske geldende huurprijs en het bedrag dat Graaco in de eerste 4 maanden van 2010 betaalde.

12. Uit de brief van de gemachtigde van Penske aan Graaco van 23 september 2009 blijkt namelijk dat Penske ten opzichte van Graaco aanspraak maakte op betaling van een bedrag per maand gelijk aan de tussen Penske en De Vries geldende huurprijs. Mr. Holtz, die een afschrift van die brief heeft gekregen, mocht er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat zolang Graaco gebruik maakte van de onroerende zaak, zij (Graaco) dit bedrag voor het gebruik verschuldigd was en dat hij (mr. Holtz) er tijdig in zou worden gekend wanneer in die situatie verandering zou komen. Op het moment dat Penske om haar moverende redenen aanleiding zag om het door Graaco te betalen maandbedrag naar beneden bij te stellen, had Penske dit dan ook aan mr. Holtz moeten voorleggen. Dat is echter niet gebeurd.

13. Daar komt nog bij dat uit de brief van 12 januari 2010 bezwaarlijk anders kan worden geconcludeerd dan dat de met 50% verminderde maandprijs onderdeel uitmaakt van de - op dat moment voorgenomen en later gerealiseerde - deal tussen Penske en Graaco. Er wordt immers een korting gegeven van 50% voor het geval de koop tot stand komt. Weliswaar stelt Penske dat dit is gebeurd om te voorkomen dat Graaco alsnog zou afhaken, maar mede in het licht van het feit dat (gezien de letter of intent) partijen het kennelijk over de essentialia van de te sluiten deal eens waren, lag het op de weg van Penske om gemotiveerd aan te geven waar die vrees op was gebaseerd. Nu zij dat niet heeft gedaan, zal aan die stelling voorbij worden gegaan.

14. Een en ander betekent dat de vordering van Penske moet worden afgewezen en dat de proceskosten voor haar rekening dienen te komen.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart Penske niet-ontvankelijk in haar vordering tegen mr. Holtz in persoon;

wijst af de vordering tegen mr. Holtz in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van De Vries;

veroordeelt Penske in de kosten van het geding, aan de zijde van mr. Holtz tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.200,00 voor salaris van de gemachtigde;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 14 december 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH