Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9709

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
510151 CV EXPL 11-8475
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering; CAO voor het horeca- en aanverwante bedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 510151 CV EXPL 11-8475

Vonnis d.d. 15 december 2011

inzake

Q.,

wonende te [adres],

eiseres, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mr. S.G. Rissik, advocaat te Roden,

tegen

1. de vennootschap onder firma R. Horeca V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

2. [naam], vennote van gedaagde sub 1,

wonende te [adres],

3. [naam], vennote van gedaagde sub 1,

wonende te [adres],

gedaagden, hierna gezamenlijk (in enkelvoud) R. te noemen,

in persoon procerende.

PROCESGANG

De procesgang blijkt uit het volgende:

- dagvaarding

- conclusie van antwoord

- conclusie van repliek

- conclusie van dupliek

Partijen hebben producties in het geding gebracht.

Vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1 R. exploiteert hotel-restaurant 'Hotel Spoorzicht' aan [adres].

1.2 Q. is op 4 januari 2010 bij R. in dienst getreden in de functie van medewerker receptie tegen een salaris van € 940,11 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten op basis van een werkweek van 24 uur. Met ingang van maart 2010 heeft Q. 32 uur per week gewerkt.

1.3 Op de arbeidsovereenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het horeca- en aanverwante bedrijf (hierna de CAO) van toepassing.

1.4 Q. heeft per 1 april 2011 het dienstverband beëindigd.

1.5 Op 15 april 2011 is door R. de eindafrekening opgesteld.

2. De vordering

Q. vordert de veroordeling van R. tot betaling van € 734,67 bruto aan hoofdsom, alsmede tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 350,00.

3. Het standpunt van Q.

3.1 Bij de eindafrekening heeft Q. te weinig loon ontvangen. Zij is namelijk uitbetaald volgens een gedateerde loontabel, te weten de tabel geldend tot 1 juli 2008. Daarnaast heeft R., ondanks dat Q. op 1 januari 2011 nog geen vol kalenderjaar in dienst was, toch onverplicht en uit eigen beweging de periodieke loonsverhoging van 4 % doorgevoerd. Deze loonsverhoging kan niet achteraf bij de eindafrekening gecorrigeerd worden. Dit geldt eveneens ten aanzien van de eindejaarsuitkering.

3.2 Voorts heeft R. ten onrechte de feestdagentoeslag verrekend met de plus- en minuren. Gewerkte uren op een feestdag dienen binnen 26 weken gecompenseerd te worden middels een vergoeding in vrije tijd. Aangezien Q. niet in de gelegenheid is gesteld vervangende vrije tijd op te nemen, doet zij een beroep op de feestdagentoeslag van 50% van het bruto loon.

3.3 Tevens heeft R. ten onrechte de plus- en minuren verrekend aan het einde van het dienstverband. Op grond van de CAO is het niet mogelijk om minuren mee te nemen naar een volgend kalenderjaar. De minuren uit het jaar 2010 mogen derhalve niet verrekend worden. Enkel de minuren van het lopende kalenderjaar zouden bij einde dienstverband mogen worden verrekend, mits R. Q. de gelegenheid heeft gegeven om de minuren in te halen. Aangezien hiervan geen sprake is komen de minuren van 2011 voor rekening en risico van R.

3.4 In totaal heeft Q. op grond van het vorenstaande een vordering van € 3.097,38 op R. betreffende achterstallig loon van 2010 en 2011, vakantiegeld en in 2010 gewerkte feestdagen. Aangezien bij de eindafrekening voor de maand maart 2011 een bruto bedrag van € 1.325,00 en aan vakantiegeld een bruto bedrag van € 1.037,71 is uitbetaald door R., resteert van voornoemde vordering een bedrag van € 734,67 bruto.

3.5 Naast voormeld bedrag aan achterstallig loon maakt Q. tevens aanspraak op de wettelijke verhoging, alsmede op de wettelijke rente. Voorts dient R. de buitengerechtelijke incassokosten te betalen, alsmede veroordeeld te worden in de proceskosten.

4. Het standpunt van R.

4.1 De eindafrekening is opgesteld conform de arbeidsovereenkomst en de CAO. R. is met Q. eens dat bij de bepaling van het loon uitgegaan is van een verkeerde tabel. R. heeft het ontstane verschil van € 483,15 gecompenseerd. Daarop is vervolgens in mindering gebracht een bedrag van € 239,77 aan teveel uitbetaalde eindejaarsuitkering voor het jaar 2010 en onterecht uitbetaalde salarisverhoging voor de maanden januari en februari van het jaar 2011, omdat Q. nog geen vol kalenderjaar in dienst was.

4.2 De gevorderde feestdagentoeslag is onterecht, aangezien deze binnen zes maanden verrekend is met minuren. Q. heeft er zelf voor gekozen minuren te laten ontstaan.

4.3 Conform de arbeidsovereenkomst en de CAO zijn de plus- en minuren aan het einde van het dienstverband verrekend. In de arbeidsovereenkomst is een regeling opgenomen dat plus- en minuren aan het einde van het dienstverband worden verrekend. Daarnaast bepaalt de CAO niet dat de minuren aan het einde van het kalenderjaar moeten zijn gecompenseerd. Minuren zijn nooit gemaakt in opdracht van de directie, altijd op initiatief van Q. zelf. Er was voldoende werk voorradig voor Q.

5. De beoordeling

5.1 Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of aan Q. bij de eindafrekening d.d. 15 april 2011 voldoende loon is uitbetaald. De kantonrechter oordeelt als volgt.

5.2 Q. heeft gesteld dat zij achterstallig loon tegoed heeft, aangezien zij is uitbetaald volgens een gedateerde loontabel. R. heeft bevestigd dat er conform een gedateerde loontabel is uitbetaald en heeft het verschil van € 483,15 gecompenseerd. R. heeft echter op voormeld bedrag een bedrag van € 239,77 aan eindejaarsuitkering en salarisverhoging in mindering gebracht, waarbij zij stelt dat deze onterecht, zonder rechtsgrond, zijn uitbetaald.

5.3 De kantonrechter constateert dat artikel 11 lid 3 van de CAO bepaalt dat het loon van een vakvolwassen werknemer, die op 1 januari van enig jaar minstens een vol kalenderjaar in dienstbetrekking is, wordt verhoogd. Voorts bepaalt artikel 11 lid 7 van de CAO dat de werknemer die op 31 december van enig jaar een volledig kalenderjaar in dienst is recht heeft op een eindejaarsuitkering.

5.4 Aangezien Q. op 4 januari 2010 in dienst is getreden bij R. zijn partijen het er over eens dat zij op 1 januari 2011 nog geen vol kalenderjaar in dienst was. Desondanks heeft R. met betrekking tot het jaar 2010 een eindejaarsuitkering uitbetaald, alsmede met ingang van 1 januari 2011 het loon van Q. verhoogd.

5.5 Artikel 2 lid 5 van de CAO bepaalt dat de CAO een minimum karakter heeft en dat dat wil zeggen dat minimaal de in de CAO opgenomen bepalingen moeten worden toegepast. Volgens vaste jurisprudentie (Hoge Raad 8 april 2011, 10/00405, LJN BP0580) kenmerkt een minimum-CAO zich hierin, dat collectief is afgesproken dat het de werknemer en de werkgever vrijstaat om voor de werknemer gunstiger individuele afspraken te maken dan die welke reeds gelden op basis van de CAO. Bij een dergelijke CAO wordt ten aanzien van iedere afzonderlijke daarin opgenomen arbeidsvoorwaarde de contractsvrijheid slechts aan de onderzijde ter bescherming van de werknemer begrensd. Het staat partijen derhalve vrij ten voordele van de werknemer van de betreffende bepaling af te wijken.

5.6 Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat ten aanzien van de uitbetaalde eindejaarsuitkering en loonsverhoging geen sprake is van een onverschuldigde betaling zoals bedoeld in artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek. Er bestond wel degelijk een rechtsgrond, te weten de bepalingen uit de CAO die, conform afspraak, deel zijn gaan uitmaken van de tussen R. en Q. bestaande arbeidsovereenkomst. R. heeft het bedrag van € 239,77 dan ook onterecht in mindering gebracht bij de eindafrekening.

5.7 Daarnaast verschillen partijen van mening omtrent de uitbetaling van de feestdagentoeslag. Artikel 13 lid 3 van de CAO bepaalt dat wanneer een werknemer heeft gewerkt op een feestdag, daarvoor recht op vervangende vrije tijd ontstaat. De te compenseren vrije tijd dient te worden toegekend in de periode van 26 weken volgend op de feestdag. Indien compensatie niet mogelijk is, moet uiterlijk binnen vier weken na afloop van voormelde periode een toeslag van 50 procent van het betreffende uurloon, of gedeelte daarvan, worden uitbetaald.

5.8 Uit de door Q. overgelegde brief d.d. 23 maart 2011 met bijlagen 3 en 4 blijkt dat de vordering betreffende de feestdagentoeslag ad € 158,77 betrekking heeft op de volgende feestdagen: 1e Paasdag (4 april 2010), Koninginnedag (30 april 2010), Bevrijdingsdag (5 mei 2010), 1e Pinksterdag (23 mei 2010) en 1e Kerstdag, totaal 17.01 uur.

5.9 De kantonrechter stelt vast dat R. niet heeft betwist dat Q. die feestdagen heeft gewerkt. Q. heeft derhalve conform de CAO recht op compensatie voor de door haar gewerkte uren. R. heeft de hoogte van dit gedeelte van de vordering ook niet betwist.

5.10 De werkgever is verantwoordelijk voor het toekennen van de compensatie binnen voormelde periode van 26 weken. Q. heeft gesteld dat zij in die periode niet in de gelegenheid is gesteld vervangende vrije tijd op te nemen. R. heeft deze stelling betwist door aan te geven dat Q. minuren heeft laten ontstaan.

5.11 De kantonrechter is van oordeel dat R. door verrekening met minuren niet conform de CAO heeft gehandeld. Indien voor het einde van de periode van 26 weken op enig moment te weinig uren worden gewerkt, dan dienen deze uren niet geregistreerd te worden als minuren indien de werknemer nog recht heeft op compensatie naar aanleiding van gewerkte uren op feestdagen. Bij minuren mag de werkgever namelijk verwachten van de werknemer dat deze later weer ingehaald worden door extra inroostering of door verrekening met salaris. Het is onredelijk van Q. te verwachten dat zij niet gewerkte uren later weer gaat inhalen of deze te compenseren met salaris, terwijl Q. nog recht had op compensatie in vrije tijd en die haar niet is toegekend. Op die manier wordt er dubbel gecompenseerd.

5.12 Ten slotte verschillen partijen van mening over de verrekening van de minuren aan het einde van het dienstverband. De kantonrechter constateert dat in de arbeidsovereenkomst is vermeld:

"De plus-minuren worden met vakantiedagen en vakantiegeld verrekend aan het einde van het diestverband."

5.13 Conform artikel 7:628 lid 1 Burgerlijk Wetboek behoudt de werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Lid 5 van voormeld artikel bepaalt dat van deze bepaling slechts ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst. Volgens lid 7 van voormeld artikel kan na het verstrijken van de termijn van zes maanden slechts ten nadele van de werknemer van deze bepaling worden afgeweken bij CAO of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

5.14 Aangezien Q. reeds op 4 januari 2010 in dienst is getreden bij R., was de termijn van zes maanden inmiddels verstreken. R. kan derhalve geen beroep meer doen op voormelde clausule in de arbeidsovereenkomst.

5.15 In de CAO is in artikel 5 lid 5 het volgende vermeld:

"Minuren zijn uren die zijn ontstaan doordat de werknemer op de einddatum van het dienstverband dan wel aan het einde van het kalenderjaar minder uren heeft gewerkt dan de uren die (gemiddeld) zijn overeengekomen."

5.16 In deze bepaling zijn de woorden 'dan wel' opgenomen. Dit is noodzakelijk, aangezien niet elk dienstverband aan het einde van het kalenderjaar eindigt. In de onderhavige zaak speelt de vraag of uren uit een vorig kalenderjaar bij het einde van het dienstverband verrekend mogen worden.

5.17 Conform de toelichting op de CAO is de werkgever verantwoordelijk voor een goede inroostering en moet deze daarbij rekening houden met het aantal uren waarvoor de werknemer is aangenomen. Als aan het eind van een kalenderjaar blijkt dat er minuren zijn, mogen deze minuren niet meer verrekend worden. De minuren die zijn ontstaan in 2010 mochten derhalve niet meer verrekend worden in 2011 bij het einde van het dienstverband.

5.18 Ten aanzien van de minuren die zijn ontstaan in 2011 stelt Q. dat die voor verrekening vatbaar zouden kunnen zijn, indien Q. de mogelijkheid zou zijn geboden om deze minuren in te halen. R. betwist verantwoordelijk te zijn voor het ontstaan van minuren, omdat er altijd voldoende werk voorradig was.

5.19 De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever uiteindelijk verantwoordelijk is voor het aantal uren dat door de werknemer gewerkt wordt. Indien R. van mening was dat Q. begin 2011 te weinig uren maakte, had het op de weg van R. gelegen Q. hierop aan te spreken en desnoods te waarschuwen. Hiervan is niet gebleken.

5.20 Conform artikel 5 lid 5 sub b van de CAO dient de werkgever na opzegging door de werknemer de werknemer arbeid aan te bieden voor zover die arbeid binnen het bedrijf voorhanden is. Q. heeft op 18 februari 2011 haar dienstverband opgezegd per 1 april 2011. R. heeft erkend Q. in die periode geen vervangende arbeid aangeboden te hebben. Het ontstaan van minuren in die periode komt dan ook voor rekening en risico van R.

5.21 Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Q. ad € 734,67 bruto zal worden toegewezen, alsmede de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter acht evenwel termen aanwezig de wettelijke verhoging conform voormeld artikel te matigen tot maximaal 10%. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.

5.22 Met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter als volgt. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke werkzaamheden meer moeten omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning om voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen. Nu hiervan niet is gebleken, dienen deze werkzaamheden te worden aangemerkt als zijnde ter voorbereiding van de processtukken en instructie van de zaak. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen derhalve worden afgewezen.

5.23 R. zal, als de - grotendeels - in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt R. om tegen kwijting aan Q. te betalen € 734,67 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek van maximaal 10%, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum der opeisbaarheid tot en met de dag der algehele voldoening;

veroordeelt R. tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 142,00 aan griffierecht, € 90,81 aan explootkosten en € 200,00 voor salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 15 december 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: ko