Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9228

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
481419 - CV EXPL 10-19924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ondertekend toedrachtsformulier dwingende bewijskracht; geen tegenbewijs, want inhoud daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist

voor eerder tussenvonnis zie LJN BU9227

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 481419 \ CV EXPL 10-19924

Vonnis d.d. 10 november 2011

inzake

de stichting Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres, hierna het Waarborgfonds te noemen,

gemachtigde J. Haringa, gerechtsdeurwaarder te Groningen,

tegen

Q.,

wonende te [adres],

gedaagde, hierna Q. te noemen,

gemachtigde, mr. F.L. van Lelyveld, advocaat te Leek.

PROCESGANG

Ingevolge het tussenvonnis van 31 maart 2011 is op 24 augustus 2011 een comparitie van partijen gehouden. Het Waarborgfonds is verschenen bij mr. J.J.CM. Mostart, Q. is niet verschenen, haar gemachtigde wel. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Een beslissing over de voortgang van de procedure is in afwachting van onderhandelingen tussen partijen aangehouden.

Het Waarborgfonds heeft vervolgens een akte genomen, waarbij is medegedeeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Daarna is wederom vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen zij in haar tussenvonnis van 31 maart 2011 heeft overwogen en beslist.

2. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of Q. aansprakelijk is voor de schade die het Waarborgfonds aan R. heeft vergoed. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit het geval is. Q. heeft, zo is niet betwist, na de aanrijding bij het benzinestation een toedrachtformulier ondertekend. Daarop staat vermeld - anders dan in deze procedure door haar is gesteld - dat Q. degene was die achteruit reed.

Zij heeft op het formulier haar handtekening geplaatst onder de situatietekening, waarbij eveneens is aangegeven dat haar auto de auto is die achteruit reed. Gelet op het bepaalde in artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft dit door beide (bij de aanrijding) betrokken partijen tussen hen dwingende bewijskracht. Nu het Waarborgfonds ingevolge artikel 27 WAM in de rechten van R. is getreden, geldt die dwingende bewijskracht ook voor het Waarborgfonds. In beginsel staat hier op grond van artikel 151 lid 2 Rv tegenbewijs tegen open. Q. heeft echter noch de inhoud van het toedrachtsformulier, noch de ondertekening daarvan weersproken, zodat Q. niet zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Een en ander leidt tot de conclusie dat Q. in beginsel aansprakelijk is voor de schade die aan het voertuig van R. is toegebracht.

3. De vraag is vervolgens welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter constateert dat Q. slechts de schade aan het linkerportier en de herstelkosten daarvan heeft betwist. Gelet op de hiervoor getrokken conclusie betekent dit dat Q. in ieder geval het schadebedrag van € 421,45 dient te vergoeden, zijnde een bedrag van € 592,81 - € 171,36 (kosten in verband met linkerportier). De kantonrechter zal dit bedrag dan ook toewijzen. Ten aanzien van de schade aan het linkerportier wordt het volgende overwogen.

4. Op het toedrachtformulier staat vermeld dat de deuk aan de linkerkant van de auto zit, net voor het wiel. Het Waarborgfonds heeft weliswaar gesteld dat daarmee schade aan het linkerportier logisch, althans niet onlogisch is, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat er schade aan het linkerportier is ontstaan ten gevolge van de aanrijding, zeker gelet op de betwisting van Q. op dat punt. Op grond van de hoofdregel in artikel 150 Rv is het aan het Waarborgfonds om te bewijzen dat de door Q. veroorzaakte schade mede ziet op het linkerportier. Nu het Waarborgfonds nadrukkelijk bewijs heeft aangeboden zal de kantonrechter het Waarborgfonds tot bewijs toelaten als in het dictum van dit vonnis omschreven. De zaak zal naar de rolzitting worden verwezen, zodat het Waarborgfonds te kennen kan geven of en hoe het aan de bewijsopdracht wenst te voldoen. Uiteraard kan deze uitlating schriftelijk worden gedaan. Voor het geval het Waarborgfonds getuigen wenst te laten horen, dienen alsdan de namen van de te horen getuigen op te worden gegeven, alsmede de verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. Q. dient op deze rolzitting (schriftelijk) haar verhinderdata in deze periode op te geven. Indien een getuigenverhoor dient plaats te vinden, zal op die zitting een datum voor het verhoor worden vastgesteld.

5. Voorts ziet de kantonrechter aanleiding om nu reeds een bedrag van € 89,25 aan buitengerechtelijke kosten toe te wijzen en wel gebaseerd op het thans toegewezen bedrag aan hoofdsom. Tegen de meegevorderde buitengerechtelijke kosten is immers door Q. geen afzonderlijk verweer gevoerd. Mocht na eventuele bewijsvoering blijken dat Q. meer verschuldigd is dan thans wordt toegewezen, dan zal de kantonrechter beoordelen of en in hoeverre het andere deel van de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is.

6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Q. om tegen bewijs van betaling aan het Waarborgfonds te betalen een bedrag van € 510,70;

verklaart het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

laat het Waarborgfonds toe tot het bewijs dat door de aanrijding op 5 oktober 2003 door Q. schade aan het linkerportier van de Ford Sierra met het kenteken [kenteken] is toegebracht;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 december 2011 voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 4;

bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, kantonrechter, en op 10 november 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: FdJ

coll: