Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9227

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
481419 - CV EXPL 10-19924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ondertekend toedrachtsformulier dwingende bewijskracht; geen tegenbewijs, want inhoud daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist

tussenvonnis, zie ook LJN BU9228

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 481419 \ CV EXPL 10-19924

Vonnis d.d. 31 maart 2011

inzake

de stichting Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres, hierna het Waarborgfonds te noemen,

gemachtigde J. Haringa, gerechtsdeurwaarder te Groningen,

tegen

Q.,

wonende te [adres],

gedaagde, hierna Q. te noemen,

gemachtigde, mr. F.L. van Lelyveld, advocaat te Leek.

PROCESGANG

Het Waarborgfonds heeft op de inleidende dagvaarding genoemde gronden gevorderd dat Q. wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 771,31 vermeerderd met de wettelijke rent over € 592,81 vanaf 22 april 2004 tot op de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Q. in de proceskosten.

Q. heeft bij antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het gevorderde.

Partijen hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd. Daarna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, kan in deze zaak, mede op basis van de overgelegde producties, van het volgende worden uitgegaan.

1.1 Op 5 oktober 2003 is te Tolbert bij een tankstation schade toegebracht aan de Ford Sierra met het kenteken [kenteken]. Deze auto werd op dat moment bestuurd door R. De cascoschade bedraagt € 657,26.

1.2 Het schadebedrag is uitgekeerd door het Waarborgfonds aan R. Daarnaast heeft het Waarborgfonds een expert ingeschakeld voor het vaststellen van de schade en daarvoor een bedrag van € 71,55 betaald.

1.3 Bij brief van 10 mei 2004 heeft Q. het Waarborgfonds medegedeeld dat zij ten tijde van de aanrijding verzekerd was en zij heeft een kopie van de het polisblad van haar verzekering meegezonden.

1.4 Het Waarborgfonds heeft Q. bij brief van 18 mei 2004 medegedeeld dat zij contact hebben opgenomen met haar verzekeringsmaatschappij en dat hen is medegedeeld dat de verzekering van Q. wegens wanbetaling op 29 augustus 2003 is geroyeerd en dat de verzekering op 23 oktober 2003 wederom is aangemeld. Q. is verzocht tot betaling van – het eerder – gevorderde bedrag van € 592,81 over te gaan.

1.5 Vervolgens heeft nog correspondentie tussen partijen plaatsgevonden. Q. is niet tot betaling overgegaan.

2. Standpunt Waarborgfonds

2.1 Naast de vaststaande feiten heeft het Waarborgfonds – samengevat – haar vordering met de volgende stellingen onderbouwd.

2.2 De schade aan de Ford Sierra is veroorzaakt door Q. met het motorrijtuig, merk Suzuki, met het kenteken [kenteken], waarvan Q. naast bestuurder ook kentekenhouder was ten tijde van de aanrijding. Q. reed achteruit tegen de auto van R. aan. Dit is bevestigd op het door haar ondertekende aanrijdingformulier. R. en zijn vader S., bevestigen de toedracht als weergegeven op dit formulier. Q. heeft de auto van R. linksvoor geraakt, er is daardoor mede schade aan het linkerportier, hetgeen door de ingeschakelde expert is vastgesteld en kan worden bevestigd.

2.3 Het motorrijtuig van Q. was niet verzekerd ten tijde van de aanrijding. Op grond van artikel 27 van de Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen (WAM) heeft het Waarborgfonds een vordering op Q. Naast de cascoschade en expertisekosten, waarop een eigen risico van € 136,- in mindering strekt, maakt het Waarborgfonds ook aanspraak op vergoeding van de incassokosten van € 178,50 die het Waarborgfonds heeft moeten maken. Dat R. niet overgegaan is tot herstel van de (casco)schade maakt niet dat R. die schade niet op Q. kan verhalen.

3. Standpunt Q.

3.1 Naast de vaststaande feiten heeft Q. het volgende ter verweer aangevoerd.

3.2 Primair stelt Q. zich op het standpunt dat zij niet aansprakelijk is voor de door het Waarborgfonds aan R. uitgekeerde schade. De stelling van het Waarborgfonds wordt enkel onderbouwd met door R. ondertekende stukken. De door hem weergegeven toedracht van de aanrijding is onjuist. Q. stond ten tijde van de aanrijding stil bij het tankstation en is door R. aangereden. Q. heeft derhalve geen schade veroorzaakt aan de auto van R., dat heeft R. zelf gedaan door tegen de auto van Q. aan te rijden. Aan de ondersteunende verklaring van S., een familielid, kan geen waarde worden gehecht.

3.3 Subsidiair heeft Q. aangevoerd dat niet vast staat dat de R. de door het Waarborgfonds gevorderde schade heeft geleden, omdat er geen rekening van een garagebedrijf is overgelegd dat tot herstel van de schade is overgegaan. Daarnaast is in het expertiserapport herstel van het linkervoorportier opgevoerd, terwijl die in de toedracht van de schade niet zijn genoemd.

4. Beoordeling

4.1 De kantonrechter constateert dat niet (langer) in geschil is dat het motorrijtuig van Q. ten tijde van de aanrijding op 5 oktober 2003 niet verzekerd was. Dit betekent dat het Waarborgfonds op grond van het bepaalde in artikel 27 WAM verhaal heeft op Q. In beginsel, want dan moet (daarnaast) wel vast staan dat Q. aansprakelijk is voor de door het Waarborgfonds gevorderde schade. Ten aanzien van die aansprakelijkheid wordt het volgende overwogen.

4.2 De aansprakelijkheid wordt door Q. in deze procedure nadrukkelijk betwist. Door het Waarborgfonds zijn diverse stukken in het geding gebracht, waarvan de inhoud door Q. (deels) wordt betwist. Tevens heeft zij de omvang van de gevorderde schade betwist.

4.3 Gelet op de ingenomen standpunten van partijen en de betwisting daarvan over en weer, is het waarschijnlijk dat in deze zaak een of meer bewijsopdrachten moeten worden gegeven. Alvorens daartoe over te gaan, acht de kantonrechter het echter van belang om een comparitie van partijen (een zitting) te gelasten, zodat partijen nadere inlichtingen over het geschil kunnen geven. Die zitting zal ook kunnen worden gebruikt om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

Partijen worden voorts verzocht om stukken die op deze zaak betrekking hebben en van belang kunnen zijn, mee te brengen of tenminste één week voor de comparitie aan de kantonrechter en in afschrift aan de tegenpartij toe te sturen.

De kantonrechter kan uit een niet-verschijnen ter comparitie conclusies trekken die zij geraden acht; dit kan ten nadele van die partij strekken.

Alvorens een datum voor de comparitie zal worden bepaald, worden partijen in de gelegenheid gesteld hun verhinderdata op te geven.

4.4 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

gelast partijen in persoon (rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd) om, desgewenst met gemachtigden, te verschijnen voor de kantonrechter voor het verstrekken van nadere inlichtingen en om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden en wel op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum, tijdstip en plaats

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 14 april te 11.00 uur; vóór of uiterlijk op die zitting kunnen beide partijen schriftelijk aan de sector kanton opgeven op welke dagen zij in de maand volgende op die rolzitting verhinderd zijn, voor welke opgave geen nader uitstel zal worden verleend; op deze zitting zal dan worden bepaald wanneer en waar de comparitie van partijen zal plaatsvinden; na dagbepaling zal geen uitstel meer worden verleend;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, kantonrechter, en op 31 maart 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: FdJ