Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU8334

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/863 en 11/1115 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY5121, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking onttrekkingsvergunning in verband met ernstige overlast vanuit studentenpand. Geen strijd met Huisvestingswet en Huisvestingsverordening. Evenmin strijd met beleidsregels. De voorzieningenrechter acht verder aannemelijk dat er sprake was van een zodanige mate van structurele overlast dat verweerder bevoegd was om de verleende onttrekkingsvergunning in te trekken. De verrichte heroverweging in de bezwaarfase noopte evenmin tot ongedaanmaking van de intrekking van de onttrekkingsvergunning. Niet gebleken van vooringenomenheid van de voorzitter van de bezwaarcommissie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr: AWB 11/863 en 11/1115 BESLU

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker], wonende te [adres], verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen,

ten aanzien van het besluit van 10 oktober 2011 van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. I. Simonides, werkzaam bij de gemeente.

1. Procesverloop

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit van 24 mei 2011 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de intrekking van de aan verzoeker verleende onttrekkingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur voor het pand op het perceel C.H. Petersstraat 19a te Groningen op grond van artikel 28, eerste lid, van de Huisvestingsverordening 2006 van de gemeente Groningen (hierna: de Huisvestingsverordening).

Namens verzoeker is bij brief van 3 november 2011 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij verzoekschrift van 29 augustus 2011 is namens verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het voornoemde besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 9 september 2011 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 6 december 2011, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde, E. Veldthuis, inspecteur kamerverhuur en M. Beukema, politieagent en contactfunctionaris studenten.

De derde-belanghebbenden zijn met kennisgeving niet verschenen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Bij besluit van 9 juni 2010 heeft verweerder aan verzoeker een ontrekkingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur voor het pand op het perceel C.H. Petersstraat 19a te Groningen verleend.

In de periode van februari 2011 tot en met 18 mei 2011 heeft verweerder diverse meldingen van overlast in verband met de kamerverhuur aan studenten op het voornoemde perceel ontvangen. Het betreft meldingen van overlast ingediend bij de politie, het Meldpunt Overlast en de afdeling Kamerverhuur van de dienst Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken van de gemeente Groningen.

Op 25 februari 2011, 15 en 16 maart 2011 hebben buurtagenten een gesprek gehad met de bewoners van het pand aan de C.H. Petersstraat 19a te Groningen en zijn zij op de hoogte gesteld van de ervaren overlast.

Op 18 maart 2011 heeft een medewerker van de gemeente Groningen, inspecteur E. Veldthuis, een gesprek met de bewoners gehad. In dit gesprek heeft de voornoemde inspecteur de bewoners van het voornoemde pand op de hoogte gesteld van de mogelijke consequenties voor de onttrekkingsvergunning indien de overlast aanhoudt.

Vervolgens heeft de voornoemde inspecteur op dezelfde dag met de vrouw van verzoeker gesproken en haar op de hoogte gesteld van de overlastproblematiek en de mogelijke gevolgen voor de ontrekkingsvergunning.

Op 24 maart 2011 hebben buurtagenten wederom een gesprek gehad met de bewoners over de gemelde overlast.

Verweerder heeft verzoeker bij brief van 8 april 2011 medegedeeld voornemens te zijn de verleende onttrekkingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur in te trekken in verband met diverse meldingen van overlast voor wat betreft het voornoemde pand. Voorts heeft verweerder verzoeker in deze brief in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.

Op 15 april 2011 heeft verzoeker telefonisch contact opgenomen met de voornoemde inspecteur. Daarbij heeft verzoeker aangegeven de ontstane situatie vervelend te vinden en dat hij zou trachten de overlast op te lossen.

Bij primair besluit van 24 mei 2011 heeft verweerder de aan verzoeker verleende onttrekkingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur voor het pand op het perceel C.H. Petersstraat 19a te Groningen op grond van artikel 28, eerste lid, van de Huisvestings-verordening ingetrokken.

Bij brief van 18 augustus 2011 heeft de burgemeester verzoeker gewaarschuwd dat bij de eerstvolgende, door de regiopolitie geconstateerde, overlastmelding overgegaan zal worden tot een besluit tot onmiddellijke sluiting van de woning op grond van artikel 174a van de Gemeentewet.

Verzoeker is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie), van welke gelegenheid namens hem gebruik is gemaakt tijdens de hoorzitting van 5 september 2011. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De commissie heeft verweerder bij brief van 19 september 2011 geadviseerd het bezwaarschrift van verzoeker ongegrond te verklaren en het primaire besluit te handhaven.

In overeenstemming met het advies van de commissie heeft verweerder met het thans bestreden besluit het bezwaarschrift van verzoeker ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2.2 Regelgeving

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ingevolge artikel 30 van de Huisvestingswet (Hvw) is het verboden een woonruimte als de onderhavige zonder vergunning van verweerder om te zetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte.

Ingevolge artikel 31 van de Hvw dient een vergunning te worden verleend, tenzij het belang van het behoud of van de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend. Om dit nader te regelen is door de raad van de gemeente Groningen een Huisvestingsverordening vastgesteld.

Ingevolge artikel 32 van de Huisvestingswet bepaalt de gemeenteraad in de Huisvestingsverordening ten minste de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de vergunning, bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen verbinden

Ingevolge artikel 24, onder c, van de Huisvestingsverordening is het verboden om zonder een onttrekkingsvergunning van verweerder een woonruimte als de onderhavige van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Artikel 27, eerste lid, van de Huisvestingsverordening bepaalt dat verweerder de onttrekkingsvergunning verleent, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden of voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de Huisvestingsverordening wordt een vergunning geweigerd indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de onttrekkingsvergunning zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening kan verweerder een verleende onttrekkingsvergunning intrekken of wijzigen, indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een ernstige verstoring van het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.

Verweerder heeft de beleidsregel ‘werkwijze intrekken kamerverhuur-onttrekkingsvergun-ning wegens overlast’ vastgesteld.

Deze beleidsregel bevat vier criteria voor het intrekken van de onttrekkingsvergunning:

1. eerst moeten klagers zelf de betrokken overlastveroorzaker en/of verhuurder op de overlast attenderen;

2. de overlast moet aantoonbaar zijn op grond van objectieve feiten en omstandigheden;

3. de overlast moet uitstijgen boven overlast die men in een stedelijke omgeving normaal gesproken van zijn buren dient te tolereren;

4. voordat de gemeente overgaat tot intrekking moet zij de verhuurder en bewoners van het pand schriftelijk op de hoogte hebben gesteld van de gemelde overlast en hen de gelegenheid hebben geboden om daarop te reageren en om daaraan zelf iets te doen.

In de toelichting van de beleidsregel is aangegeven dat intrekking een uiterst middel is.

2.3 Overwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In formeel opzicht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoeker betoogt dat verweerder geen, althans onvoldoende gelegenheid heeft geboden om zijn zienswijze, als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb naar voren te brengen. In dit verband wijst verzoeker er op dat hij per toeval de heer Veldthuis aan de telefoon heeft gekregen. In dit telefoongesprek heeft de heer Veldthuis verzoeker geen gelegenheid gegeven tot het indienen van zienswijzen.

Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

‘Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen; en,

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.’

Ingevolge artikel 4:9 van de Awb kan de belanghebbende bij toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoeker bij brief van 8 april 2011 in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze met betrekking tot het voornemen om tot intrekking van de onttrekkingsvergunning over te gaan kenbaar te maken. Voorts blijkt uit het verzoekschrift dat verzoeker op 15 april 2011 telefonisch contact heeft gehad met de ambtelijk medewerker Veldthuis, waarin door hem is aangegeven de situatie te betreuren en te trachten de overlast op te lossen. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze met betrekking tot het voornemen tot intrekking van de onttrekkingsvergunning (mondeling) in te dienen, zodat er geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.

Voor zover verzoeker betoogt dat in het voornoemde telefoongesprek onvoldoende gelegenheid geboden is om een zienswijze in te dienen, overweegt de voorzieningenrechter dat aan verzoeker, blijkens het verslag van de hoorzitting van 5 september 2011 van de commissie, in bezwaar in voldoende mate de gelegenheid is geboden alsnog zijn standpunt uiteen te zetten. Voor zover er al sprake is van een schending van het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, kan dit verzuim naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de bezwaarfase worden hersteld (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), 3 december 2003, AB 2004/321). In zoverre kan de grond van verzoeker dan ook niet slagen.

In formeel opzicht wordt nog het volgende overwogen.

Verzoeker betoogt eerst ter zitting dat de voorzitter van de commissie tijdens de hoorzitting een bepaalde vooringenomenheid liet blijken, ondanks de weerlegging en de goede bedoelingen van hem. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker dit aspect verduidelijkt in die zin dat bedoeld is dat het de vraag tijdens de hoorzitting aan verzoeker betrof waarom verzoeker na ontvangst van de brief en de inbeslagname van de geluidsapparatuur niet meteen de huurders uit het pand heeft gezet. Verzoeker wilde serieus antwoord geven, de aanwezige studenten wilden wat zeggen, maar hen werd de mond gesnoerd. Naar de mening van verzoeker is er te weinig aandacht besteed aan de studenten.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting krachtig ontkend dat er sprake is van vooringenomenheid van de voorzitter van de commissie. De gemachtigde van verweerder wijst erop dat de hoorzitting op verzoek van verzoeker is uitgesteld en dat iedereen tijdens de hoorzitting zijn zegje heeft kunnen doen. De voorzitter heeft de hoorzitting afgesloten met de vraag of iedereen voldoende het woord heeft kunnen doen en die vraag werd bevestigend beantwoord. Naar de mening van de gemachtigde van verweerder heeft de voorzitter het onderzoek ter hoorzitting goed gedaan.

Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid van dit artikel waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Met de uitdrukking persoonlijk is blijkens de Memorie van Toelichting (Parlementaire Geschiedenis, Awb I, p. 180) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen.

De rechtbank overweegt dat artikel 2:4, tweede lid, van de Awb er toe strekt de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel doch aan het tot besluiten bevoegde bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat, ten gevolge van vermenging van persoonlijke en bestuurlijke belangen bij de betrokken personen, de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde norm (vgl. ABRS, 7 augustus 2002, JB 2002/280).

Daargelaten de vraag of de eerst ter zitting door verzoeker aangevoerde grond met betrekking tot de vermeende vooringenomenheid wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van vooringenomenheid. Het enkele feit dat de voorzitter van de commissie in het kader van een ordebeslissing tijdens de hoorzitting een voor verzoeker en de bij de procedure betrokken studenten kennelijk onwelgevallige beslissing met betrekking tot de gang van zaken tijdens de hoorzitting heeft genomen, maakt niet dat er sprake is van vooringenomenheid, als bedoeld in artikel 2:4 van de Awb. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat, blijkens het verslag van de hoorzitting, verzoeker en de aanwezige studenten bevestigend hebben geantwoord op de vraag van de voorzitter of alles gezegd is. Gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake van schending van artikel 2:4 van de Awb. In zoverre kan de grond van verzoeker geen doel treffen.

Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder na bezwaar gehandhaafd besluit tot intrekking van de aan verzoeker verleende onttrekkingsvergunning voor kamerverhuur van het pand aan de C.H. Petersstraat 19a te Groningen.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit de geregistreerde meldingen van overlast en het feit dat diverse omwonenden verzoeker en de bewoners van het pand op de overlast hebben geattendeerd naar voren komt dat er sprake is van structurele overlast. De aard van de overlast betitelt verweerder als ernstig en ontwrichtend.

De meest verstrekkende grond van verzoeker houdt in dat het bestreden besluit niet gebaseerd kan zijn op de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening, aangezien deze regelgeving in eerste instantie slechts betrekking heeft op het belang van het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad en het in het onderhavige geval in de kern om burenoverlast gaat. Voor zover artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening ziet op het tegengaan van overlast acht verzoeker deze bepaling vanwege strijd met artikel 30 van de Huisvestingswet onverbindend. De weigeringsgrond en intrekkingsgrond van artikel 27 respectievelijk artikel 28 van de Huisvestingsverordening zien ook niet op burenhinder, maar op een ernstige verstoring van het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw. Dit is overlast die burenoverlast overstijgt, aldus verzoeker.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 3 augustus 2011 van de ABRS, kenbaar uit LJN: BR3993, overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening de wettelijke grondslag vormt voor verweerder om over te gaan tot intrekking van de verleende onttrekkingsvergunning, indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de kamergewijze bewoning van de woonruimte tot een ernstige verstoring van het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van deze woonruimte leidt. Hieruit volgt dat (ernstige) overlast vanuit een pand tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu kan leiden, zodat verweerder op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening bevoegd is tot intrekking van de verleende onttrekkingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening niet onverbindend en hoeft dan ook niet buiten toepassing te worden verklaard. Om die reden kan de stelling van verzoeker dat het bestreden besluit niet gebaseerd kan worden op de Huisvestingswet of de Huisvestingsverordening evenmin worden gevolgd. In zoverre treft de grond van verzoeker dan ook geen doel.

Voor zover verzoeker betoogt dat de beleidsregels voor het intrekken van een onttrekkingsvergunning in strijd zijn met artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening volgt de voorzieningenrechter deze stelling niet. Onder verwijzing naar de voornoemde uitspraak van 3 augustus 2011 van de ABRS, kenbaar uit LJN: BR3993, is de voorzieningenrechter van oordeel dat (ernstige) overlast vanuit een pand tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu kan leiden, zodat verweerder op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening bevoegd is tot intrekking van de verleende onttrekkingsvergunning. Hieruit volgt dat de beleidsregels niet een verruiming creëren van de in de Huisvestingsverordening gegeven intrekkingsbevoegdheid.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder met de vorenbedoelde beleidsregel niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden.

Met betrekking tot de toepassing van de beleidsregel in het onderhavige geval overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoeker betoogt ten eerste dat de lijst van overlastmeldingen in de periode van februari tot en met mei geen objectieve vaststelling van overlast is, maar een overzicht van meldingen die door de bewoners van het pand worden weersproken. In de maand februari hebben renovatiewerkzaamheden plaatsgehad. Hoewel deze werkzaamheden enige mate van geluidsoverlast met zich brengen voor omwonenden zijn de werkzaamheden allemaal uitgevoerd binnen de normale uren en betreft dit geluidsoverlast die gezien de noodzaak van de renovatie en de tijdelijke aard door de omwonenden getolereerd moet worden. Voorts hebben nogal wat meldingen betrekking op contact geluiden: lopen op de trap, schuiven met meubels en het openen en sluiten van deuren. Deze contactgeluiden zijn over en weer. Ook de bewoners van het pand horen deze contactgeluiden van de direct-omwonenden. De contactgeluiden zijn inherent aan de geluidsisolatie van deze woningen en vallen niet buiten de geluiden die bewoners in zo’n situatie van elkaar moeten tolereren, aldus verzoeker. Naar de mening van verzoeker gaat het in het onderhavige geval om niet op juistheid te beoordelen meldingen en ontbreken verdere objectieve gegevens.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde gedingstukken naar voren komt dat sinds de komst van de vijf bewoners van het vorenbedoelde pand in februari 2011 vanaf 8 februari 2011 diverse overlastmeldingen zijn binnengekomen bij de politie, het Meldpunt Overlast en de gemeente Groningen. Voorts valt uit de gedingstukken af te leiden dat in februari en maart gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de bewoners van het pand en de buurtagenten en de kamerverhuurinspecteur. Tevens dient uit de gedingstukken te worden afgeleid dat de politie meerdere keren geconstateerd heeft dat er sprake was van overlast. Op 21 april 2011 is door één van de bewoners van het pand aan de politie toegegeven dat er rommel in de tuin van de onderburen was gegooid. Op 22 april 2011, 15 mei 2011 en 18 mei 2011 is er geluidsoverlast geconstateerd door de politie. Daarbij is geluidsapparatuur in beslag genomen en is er proces verbaal opgemaakt tegen één van de bewoners. Uit de schriftelijke weerlegging van de overlastmeldingen door de bewoners van het pand blijkt bovendien dat er geregeld feestjes met muziek, in het bijzijn van anderen, worden gevierd in het pand, dat één van de bewoners van het pand in verband met zijn nachtdienst regelmatig midden in de nacht thuis komt en dat bezoekers verkeerspalen en andere attributen van de straat mee naar binnen nemen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bewoning van verzoekers pand heeft geleid tot zodanig structurele en zware overlast voor de omwonenden dat gesproken kan worden van een ernstige verstoring van het woon- en leefmilieu ter plaatse. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de gedocumenteerde overlastmeldingen, gelet op hun aantal, inhoud en consistentie, en de daaruit voortvloeiende inbeslagname van geluidsapparatuur door de politie vanwege geluidsoverlast, een bevestiging vormen van de ondervonden overlast. Voor zover verzoeker de door de studenten veroorzaakte overlast als incidenteel beschouwt, kan de voorzieningenrechter hem in deze stelling niet volgen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de uit de gedingstukken blijkende overlast de grens van het maatschappelijk aanvaardbare ver te boven is gegaan. Evenmin is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoeker naar aanleiding van de brief van 8 april 2011 van verweerder jegens zijn huurders onmiddellijk en strikte actie heeft ondernomen om de overlast te (laten) beëindigen. Blijkens het verslag van de hoorzitting heeft verzoeker hierover desgevraagd verklaard dat hij de huurders kort na de ontvangst van die brief te kennen heeft gegeven dat elk van hen die nogmaals overlast zou veroorzaken de huur zou worden opgezegd. Volgend op de gebeurtenis van 15 mei 2011, waarbij de politie in de vroege ochtend is overgegaan tot binnentreding in het pand en inbeslagname van geluidsapparatuur, heeft de toenmalige gemachtigde van verzoeker de huurders eerst op 20 mei 2011 schriftelijk verzocht extra hun best te doen om overlast te voorkomen. Blijkens het verslag van de hoorzitting heeft verzoeker voorts verklaard dat hij de huurders pas geruime tijd later (per 23 augustus 2011) de huur heeft opgezegd. Daargelaten dat verzoeker hieromtrent geen bewijsstukken heeft overgelegd, hebben de huurders blijkens het verslag van de hoorzitting dit weersproken en te kennen gegeven dat de huur niet aan hen maar door hen is opgezegd. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat er van gepaste en tijdige actie van de zijde van verzoeker naar aanleiding van de brief van 8 april 2011 en het primaire besluit van 24 mei 2011 geen sprake is geweest.

Verzoeker wijst er voorts op dat ten tijde van de heroverweging in de bezwaarfase, maar voor het nemen van de beslissing op bezwaar d.d. 10 oktober 2011, bekend was dat de vermeende overlastveroorzakers op vordering dan wel verzoek van verzoeker en uiteindelijk met minnelijke instemming per 23 augustus 2011 hun kamers hebben ontruimd. De intrekking is niet een punitieve sanctie maar een reparatoire, aldus verzoeker. Herstel van de norm heeft dan ook binnen de bezwaarfase plaats gehad. Naar de mening van verzoeker had verweerder dan ook op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb met inachtneming van deze feiten en omstandigheden ex nunc moeten heroverwegen en de intrekking alsnog ongedaan moeten maken.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats, indien het bezwaar ontvankelijk is.

In de toelichting van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb is aangegeven dat heroverweging in beginsel moet geschieden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Op de regel dat ex nunc moet worden besloten bestaan uitzonderingen. De uitzonderingen laten zich verklaren uit de aard van de primaire beslissing. Een belangrijke groep uitzonderingen vormen sanctiebesluiten. Deze mogen in de bezwaarfase juist ex tunc worden beoordeeld (vgl. ABRS, 28 december 1999, AB 2000/107).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit met inachtneming van de alle dan bekende feiten en omstandigheden tot stand is gekomen. Hoewel verweerder geen bewijsstukken hebben bereikt waaruit blijkt dat de huurovereenkomsten tussen verzoeker en zijn huurders rechtens zijn beëindigd, was het verweerder ten tijde van de hoorzitting van de commissie bekend dat het pand kort daarvoor ontruimd leek te zijn. Een inspecteur van de gemeente Groningen heeft het pand op 2 september 2011 in aanwezigheid van verzoeker bezocht, en daarbij waargenomen dat enkele – maar niet alle – vertrekken feitelijk waren leeggehaald. Verweerder heeft bij zijn beslissing echter ook ex nunc overwogen dat verzoeker de opgetreden overlast ter hoorzitting van de commissie niet op waarde bleek te kunnen inschatten en evenmin kon of wilde uitsluiten de huurders, indien mogelijk, weer toegang tot het pand te zullen bieden. Dat van overlast thans geen sprake is, laat dan ook onverlet dat er gelet op het voorgaande weinig reden bestaat om erop te vertrouwen dat verzoeker zal kunnen of willen waarborgen dat dit zo zal blijven, aldus verweerder.

Gelet op de verklaringen van verzoeker en de bevindingen van verweerder heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat de verrichte heroverweging niet noopte tot het ongedaan maken van de intrekking van de onttrekkingsvergunning.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebruik kunnen maken van de aan hem toekomende bevoegdheid tot intrekking van de onttrekkingsvergunning van verzoeker. Niet gezegd kan worden dat het gebruikmaken van deze bevoegdheid in het onderhavige geval, gelet op de verrichte belangenafweging, onredelijk is.

In hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding om tot de conclusie te komen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoeker ongegrond.

Aangezien het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep ongegrond.

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman als voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 13 december 2011, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Wind als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: hw

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ’s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.