Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU6869

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
368921 CV EXPL 08-8863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease (Dexia); beroep op ontbreken schriftelijke toestemming echtgenoot is verjaard; de schade die is ontstaan doordat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden komt in beginsel voor tweederde deel voor rekening van Dexia en voor eenderde deel voor de afnemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 368921 CV EXPL 08-8863

Vonnis d.d. 19 oktober 2011

inzake

Dexia Nederland BV,

gevestigd te Amsterdam,

opposante in conventie, tevens eiseres in reconventie,

hierna Dexia te noemen,

gemachtigde Tijhuis en Partners, gerechtsdeurwaarders te Meppel,

tegen

Q. en R.,

beide wonende te [plaatsnaam],

geopposeerden in conventie, tevens gedaagden in reconventie,

hierna Q. en R. te noemen,

gemachtigde mr. G.A. Versteegh, advocaat te Zutphen.

PROCESGANG

Q. en R. hebben naar aanleiding van het tussenvonnis van 10 februari 2010 een akte genomen waar Dexia vervolgens, eveneens bij akte, op heeft gereageerd.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN in conventie en in reconventie

1. Omdat de kantonrechter die het vonnis van 10 februari 2010 heeft gewezen niet meer bij de rechtbank Groningen werkzaam is, wordt dit vonnis gewezen door de kantonrechter die aan het slot van dit vonnis staat vermeld.

2. De inhoud van het vonnis van 10 februari 2010 moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen worden gehandhaafd.

De vaststaande feiten

3. Als gesteld en niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1. Dexia Nederland BV is de rechtsopvolger van Dexia Bank Nederland BV, die op haar beurt de rechtsopvolger van Bank Labouchere NV was. Waar hierna wordt gesproken over Dexia worden haar rechtsvoorgangers daaronder begrepen.

3.2. Dexia en Q. hebben op 5 juni 1998 een overeenkomst gesloten met betrekking tot het product Capital Effect (contractnummer 20009403). Hierop zijn van toepassing de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease. De looptijd van de overeenkomst bedraagt 180 maanden. Het totaalbedrag van de aankoopbedragen van de effecten bedraagt € 18.912,91, het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst € 20.854,85 en de verschuldigde administratiekosten € 816,80. De overeengekomen lease-som bedraagt derhalve in totaal € 40.584,56. Dat bedrag moest worden voldaan in 180 gelijke maandelijkse termijnen van € 225,47. Genoemde bedragen zijn het equivalent van de bedragen in guldens die in de overeenkomst staan vermeld. Partijen zijn voorts overeengekomen dat Q. na betaling van al hetgeen hij krachtens de overeenkomst aan Dexia verschuldigd is, automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden zal worden.

3.3. Dexia heeft de overeenkomst omstreeks 7 december 2004 (tussentijds) beëindigd in verband met een betalingsachterstand van Q. en de effecten op of omstreeks die datum verkocht. De opbrengst bedroeg in totaal € 10.764,16. Dexia heeft Q. vervolgens een eindafrekening toegezonden, inhoudende dat hij nog € 5.569,16 aan haar moeten betalen (het verschil tussen € 11.135,08 (genoemde opbrengst vermeerderd met een tegoed van € 370,92) en het bedrag van € 16.704,24 dat Q. in de ogen van Dexia nog verschuldigd was).

3.4. De gemachtigde van Q. en R. heeft bij brief van 3 maart 2004 namens R. (de echtgenote van Q.) de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen op grond van het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW en namens Q. de overeenkomst ontbonden op grond van misbruik van omstandigheden en/of bedrog, dwaling en schending van de zorgplicht. Dexia heeft vervolgens laten weten daarmee niet in te stemmen.

3.5. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft op 25 januari 2007 de zogenaamde Duisenberg-regeling algemeen verbindend verklaard. Q. en R. hebben tijdig en op de voorgeschreven wijze laten weten dat zij daar niet aan gebonden willen zijn (de opt-out-verklaring). Volgens Dexia zijn Q. en R. geen gerechtigde in de zin van de Duisenberg-regeling en was de opt-out-verklaring daarom niet nodig.

Het geschil

4. Uit de processtukken volgt dat partijen er in essentie over verdeeld zijn of Q. en R. zich terecht beroepen op het ontbreken van de schriftelijke toestemming van laatstgenoemde voor het aangaan van de overeenkomst en wat de financiële gevolgen moeten zijn van de schending van de zorgplicht van Dexia. Aanvankelijk hebben Q. en R. zich ook op dwaling en misbruik van omstandigheden beroepen, maar dat verweer hebben zij in hun akte van 15 december 2010 laten varen.

5. Voor zover van belang zal hierna op de stellingen van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

6. Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

7. Het beroep op artikel 1:88 BW

7.1. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) moet de onderhavige overeenkomst als koop op afbetaling (huurkoop) worden gekwalificeerd. Voor het sluiten van deze overeenkomst behoefde Q. daarom de schriftelijke toestemming van zijn echtgenote R. (artikel 1:88 BW).

7.2. Vast staat dat de schriftelijke toestemming van R. ontbreekt. De door Q. op 5 juni 1998 gesloten overeenkomst is daarom vernietigbaar (artikel 1:89 BW). De verjaringstermijn voor dit beroep is op grond van art. 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst.

7.3. R. heeft bij brief van 3 maart 2004 een beroep gedaan op deze vernietigingsgrond. Dexia stelt zich op het standpunt dat het beroep op vernietigbaarheid is verjaard. Beoordeeld moet daarom worden of R. pas na 3 maart 2001 van het bestaan van de overeenkomst op de hoogte is geraakt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat om de volgende reden niet het geval.

7.4. Volgens Dexia heeft R. op 11 april 2000 met Dexia een overeenkomst gesloten met betrekking tot het product Capital Effect Maandbetaling. Ter onderbouwing daarvan heeft Dexia in kopie een overeenkomst en aanvraagformulier in het geding gebracht. Q. en R. erkennen dat R. een papier heeft ondertekend met betrekking tot bedoeld product, maar of dit het aanmeldingsformulier of het contract was kunnen zij zich niet herinneren. Q. en R. hebben echter niet betwist dat de handtekening onder het contract en die onder het aanvraagformulier van R. afkomstig is. Dat ook R. met Dexia heeft gecontracteerd staat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voldoende vast.

7.5. De kantonrechter acht het daarom niet waarschijnlijk dat - zoals Q. en R. willen doen geloven - R. zich in het geheel niet met de financiële gang van zaken binnen het gezin bemoeide. Het heeft er dan ook alle schijn van dat R. vóór 3 maart 2001 wist dat Q. de onderhavige overeenkomst met Dexia had gesloten. Het lag daarom op de weg van Q. en R. om aannemelijk te maken dat R. pas na 3 maart 2001 van het bestaan van de overeenkomst op de hoogte is geraakt. Dat hebben zij echter niet, althans onvoldoende gedaan. In rechte moet er daarom van worden uitgegaan dat R. de vernietiging te laat heeft ingeroepen. In deze procedure kan daarom niet met vrucht een beroep worden gedaan op het ontbreken van de toestemming van R.

8. De zorgplicht

8.1. Aanvankelijk hebben Q. en R. zich slechts op het ontbreken van de schriftelijke toestemming door R. beroepen. Pas bij dupliek in oppositie in conventie/dupliek in reconventie hebben zij zich mede op schending van de zorgplicht van Dexia beroepen. Anders dan Dexia is de kantonrechter van oordeel dat dit niet in strijd is met een goede procesorde. Q. en R. hebben namelijk al in de brief van 3 maart 2004, de inleidende dagvaarding en de conclusie van antwoord in oppositie/antwoord in reconventie van de - in hun ogen - geschonden zorgplicht gewag gemaakt. Dexia is door dit aanvullende verweer dan ook niet overvallen en bovendien heeft zij daar gezien haar akte van 16 februari 2011 uitgebreid op kunnen reageren.

8.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 juni 2009 (LJN BH2815) geoordeeld dat Dexia in gevallen als de onderhavige de plicht had de afnemers te waarschuwen voor een mogelijke restschuld en onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de afnemers.

8.3. Niet (meer) in geschil is dat Dexia in het onderhavige geval in beide opzichten niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Zoals in genoemd arrest is overwogen komt de als gevolg daarvan ontstane schade daarom in beginsel voor rekening van Dexia. Van Q. mocht evenwel worden verwacht dat hij zich voor het sluiten van de overeenkomst had ingespannen om de effecten-leaseovereenkomst te begrijpen. Niet gebleken is dat hij dat voldoende heeft gedaan. Aldus heeft Q. daarom bijgedragen aan het ontstaan van deze schade. Het is dan ook niet redelijk dat de volledige schade voor rekening van Dexia komt.

8.4. Over de wijze waarop de schade moet worden verdeeld, heeft de Hoge Raad in voornoemd arrest in algemene zin geoordeeld dat de vergoedingsplicht van de aanbieder (Dexia) moet worden verminderd in evenredigheid met de mate waarin de aan de aanbieder (Dexia) en de aan de afnemer (Q.) toe te rekenen omstandigheden moeten worden geacht te hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze schade en dat vervolgens zal moeten worden onderzocht of op grond van de billijkheid een andere verdeling gerechtvaardigd is. Bij de toepassing van de maatstaf van art. 6:101 BW zullen fouten van de afnemer die uit lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht voortvloeien in beginsel minder zwaar wegen dan fouten aan de zijde van de aanbieder waardoor deze in de zorgplicht is tekortgeschoten, aldus de Hoge Raad.

8.5. Vervolgens is de Hoge Raad in dat arrest overgegaan tot de wijze waarop de schade (bestaande uit rente, aflossing en restschuld) moet worden verdeeld. De Hoge Raad heeft daarbij een onderscheid gemaakt tussen betaalde rente en aflossing enerzijds en restschuld anderzijds en voorts overwogen dat:

(1) in gevallen waarin bij onderzoek door de aanbieder zou zijn gebleken dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer naar redelijke verwachting toereikend was de rente en aflossing te voldoen, deze schadeposten in beginsel geheel voor rekening van de afnemer zullen moeten worden gelaten, aangezien deze schade dan geheel kan worden toegeschreven aan de omstandigheid dat, naar de afnemer wist of moest weten, met geleend geld is belegd;

(2) in gevallen waarin echter bij nakoming van deze onderzoeksplicht zou zijn gebleken dat de afnemer redelijkerwijs niet in staat zou zijn (geweest) aan de betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te (blijven) voldoen - en de aanbieder de afnemer dan ook had moeten adviseren de overeenkomst niet aan te gaan - in beginsel een deel van de betaalde rente en aflossing voor vergoeding in aanmerking zal komen.

De Hoge Raad heeft bovendien bepaald dat van de restschuld in beginsel steeds een deel voor rekening van de afnemer zal kunnen worden gelaten.

8.6. Voortbordurend op dit arrest heeft het Gerechthof Amsterdam in een aantal arresten van 1 december 2009 (onder meer LJN BK4978, waarnaar de kantonrechter kortheidshalve verwijst) een vuistregel ontwikkeld voor de bepaling of de inkomens- en vermogenspositie van een afnemer naar redelijke verwachting toereikend was om de rente en aflossing te voldoen.

8.7. Het Gerechtshof Amsterdam heeft daarin (vrij vertaald) voorts bepaald dat:

(1) als uit de onderzoeksplicht zou hebben gebleken dat financiële draagkracht van de afnemer onvoldoende was om aan de betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te (blijven) voldoen, in beginsel eenderde deel van de betaalde rente en aflossing voor rekening van de afnemer komt en tweederde deel voor rekening van Dexia;

(2) in beginsel steeds eenderde deel van de restschuld voor rekening van de afnemer komt en tweederde deel voor rekening van Dexia.

8.8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 april 2011 (LJN BP4012) genoemde vuistregel voor de bepaling van de financiële ruimte van de afnemers gesanctioneerd. Ook is de genoemde eenderde/tweederde verdeling (als uitgangspunt) van de schade in stand gebleven.

8.9. Verdeling van de schade moet dus in beginsel plaatsvinden op de wijze zoals aangegeven in voornoemde arresten.

8.10. Of de betaalde rente en aflossing (in beginsel) volledig of voor eenderde deel voor rekening van Q. komt, hangt dus af van het antwoord op de vraag of de inkomens- en vermogenspositie van Q. naar redelijke verwachting toereikend was om de rente en aflossing te voldoen. Gezien het voorgaande moet dat worden vastgesteld aan de hand van de hiervoor bedoelde, door het Gerechtshof Amsterdam ontwikkelde vuistregel.

8.11. In haar antwoordakte van 16 februari 2011 stelt Dexia zich - onder verwijzing naar de daaraan gehechte bijlage 6 en bedoeld arrest van het Gerechthof Amsterdam - op het standpunt dat er voor Q. geen risico op een onverantwoord zware financiële last bestond. Q. en R. hebben in hun daaraan voorafgaande akte weliswaar aangevoerd dat het contract in hun ogen wel een onaanvaardbaar zware last was, maar zij hebben dit standpunt niet nader ingekleed aan de hand van genoemde vuistregel. Zij zullen daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.

8.12. Van de restschuld komt in beginsel hoe dan ook tweederde voor rekening van Dexia en eenderde deel voor rekening van Q. In beginsel geldt dezelfde verdeling voor de betaalde rente en aflossing wanneer niet komt vast te staan dat de inkomens- en vermogenspositie van Q. naar redelijke verwachting toereikend was de rente en aflossing te voldoen. Voor een andere verdeling is slechts aanleiding wanneer bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Q. en R. zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich ook daarover uit te laten.

8.13. Over de hoogte van de restschuld overweegt de kantonrechter naar aanleiding van de akte van Q. en R. van 15 december 2010 nog het volgende. Zij stellen in die akte dat de restschuld volgens hen € 3.575,48 bedraagt, namelijk het verschil tussen restant hoofdsom (€ 14.339,64) en de opbrengst van de effecten (€ 10.764,17). Daarbij hebben Q. en R. echter miskend dat blijkens de eindafrekening van 7 december 2004, waartegen op zich geen verweer is gevoerd, er nog een achterstallige post was van € 2.254,60, dat aan Q. € 110,00 aan beëindigingskosten in rekening is gebracht en dat er nog sprake was van een tegoed van € 370,92. Aldus berekend bedraagt de restschuld € 5.569,16.

8.14. Nadat Q. en R. zich zullen hebben uitgelaten als hiervoor aangegeven onder 8.11 en 8.12, zal Dexia de gelegenheid krijgen om daar op te reageren. Daarna zal zo mogelijk eindvonnis worden gewezen.

8.15. De kantonrechter sluit niet uit dat partijen in het licht van het voorgaande wederom een poging willen ondernemen om tot een vergelijk te komen. Mocht daarvoor meer tijd nodig zijn, zal de zaak vanzelfsprekend desgevraagd worden aangehouden.

8.16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie

1. stelt Q. en R. in de gelegenheid om zich op de rolzitting van 16 november 2011 uit te laten als hiervoor aangegeven onder 8.11 en 8.12;

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op woensdag 19 oktober 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH