Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU5007

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
18/630389-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafmaat: drie jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630389-11 (promis)

datum uitspraak: 14 november 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. S.S. Ilahi

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in [detentieadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

31 oktober 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 mei 2011,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op of omstreeks 03:00 uur,

in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

uit de woning [adres slachtoffer] te Groningen

weg te nemen geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geld en/of goederen onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming en/of

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

voorzien van een bivakmuts die woning is/zijn binnengedrongen en/of

die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft getoond en daarbij heeft gezegd/geroepen: "Geld of ik schiet" en/of

"[slachtoffer] geef me geld of ik schiet je dood" en/of "Geef me geld", althans woorden

van dergelijke dreigende aard of strekking en/of

die [slachtoffer] dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in

de nek heeft gedrukt en daarbij gezegd/geroepen: "Geef me geld of ik schiet je

dood" en/of

die [slachtoffer] met dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, een klap op/tegen het hoofd heeft gegeven en/of

die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van strafrecht

art 310 Wetboek van strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van strafrecht

EN/OF

hij op of omstreeks 25 mei 2011,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op of omstreeks 03:00 uur,

in een woning gelegen aan de [adres slachtoffer] te Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van

geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

voorzien van een bivakmuts die woning is/zijn binnengedrongen en/of

die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft getoond en daarbij heeft gezegd/geroepen: "Geld of ik schiet" en/of

"[slachtoffer] geef me geld of ik schiet je dood" en/of "Geef me geld", althans woorden

van dergelijke dreigende aard of strekking en/of

die [slachtoffer] dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in

de nek heeft gedrukt en daarbij gezegd/geroepen: "Geef me geld of ik schiet je

dood" en/of

die [slachtoffer] met dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, een klap op/tegen het hoofd heeft gegeven en/of

die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt,

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of

inklimming,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat het ten laste gelegde geweld niet kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Met de officier van justitie is de raadsvrouw van verdachte van mening dat het ten laste gelegde geweld niet bewezen kan worden.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal d.d. 25 mei 2011, opgenomen op pagina 13 e.v. van dossier nummer 2011051568 d.d. 29 augustus 2011, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik woon op de [adres slachtoffer] te [woonplaats verdachte]. Op 25 mei 2011 heb ik mijn woning afgesloten en onbeschadigd achtergelaten. Tussen 03:00 uur en 03:10 uur schrok ik wakker van een knal. Ik zag een donkere schim in de keuken staan. Ik zag daar een persoon staan met een bivakmuts op. Ik zag dat de man het vuurwapen op mij gericht hield. Ik hoorde dat de man zei: “Geld of ik schiet”. Ik zag en voelde dat de man het vuurwapen tot twee keer toe in mijn nek drukte. Ik hoorde dat de man zei: “Geef me geld anders schiet ik je dood”. De man heeft mij ongeveer 4 a 5 keer gevraagd waar het geld was. De verdachte heeft geen goederen meegenomen uit mijn woning.

Een proces-verbaal d.d. 26 juli 2011, opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb het raam van de achterdeur ingeslagen met een hamer. Ik sloeg het raam in om binnen te komen. Ik heb tegen die man gezegd: “geef me geld, geef me geld”. Ik had een bivakmuts over mijn hoofd. Ik heb mijn balletjespistool gepakt en deze heb ik in zijn buik gedrukt. [Mederverdachte] heeft mij naar die woning geloodst. [Medeverdachte] is niet naar binnen geweest, omdat hij mij zover heeft weten te krijgen. Hij heeft mij de omgeving laten zien en heeft mij uitgelegd bij welke woning ik moest zijn en waar ik daarna heen moest rennen.

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Gelet op de concrete aangifte en de op een aantal punten daarmee overeenkomende verklaring van verdachte, acht de rechtbank de aangifte ten aanzien van het dreigen met het wapen en het drukken van dat wapen in de nek van aangever geloofwaardig.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 mei 2011, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks 03:00 uur,

in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

uit de woning [adres slachtoffer] te Groningen weg te nemen geld en/of goederen,

toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming en

welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte voorzien van een bivakmuts die woning is binnengedrongen en die [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond en daarbij heeft geroepen: "Geld of ik schiet" en "[slachtoffer] geef me geld of ik schiet je dood" en "Geef me geld", en die [slachtoffer] dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de nek heeft gedrukt en daarbij geroepen: "Geef me geld of ik schiet je dood", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 19 oktober 2011, opgemaakt door

D. Breuker, forensisch psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergeven, dat bij verdachte op basis van het onderzoek een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens kan worden vastgesteld in de zin van een posttraumatische stressstoornis met symptomen als herbelevingen, vermijdingsgedrag en hyperarousal. Daarnaast is bij betrokkene sprake van een drugsverslaving (cannabis en cocaïne) en mogelijk van alcoholverslaving. In 2009 werd bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, borderline en narcistische trekken vastgesteld.

Deze persoonlijkheidstrekken worden tijdens het huidige onderzoek ook waargenomen. De stoornissen hebben een aanzienlijke invloed op de gedragskeuzes van betrokkene. Geadviseerd wordt om betrokkene ten aanzien van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen, gelet op de onderbouwing daarvan, en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een veel lagere gevangenisstraf dan is geëist door de officier van justitie. De raadsvrouw is van mening dat de nadruk moet liggen op de behandeling van verdachte en niet op de afstraffing van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot beroving. Verdachte heeft

’s nachts in de woning van het slachtoffer, terwijl hij een bivakmuts droeg en heeft gedreigd met een balletjespistool, geld en goederen proberen weg te nemen van het slachtoffer.

Daarbij heeft verdachte zijn balletjespistool in de nek van het slachtoffer gedrukt.

Voor het slachtoffer is het een angstige en bedreigende situatie geweest. Dit blijkt onder andere uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Uit deze verklaring blijkt dat het slachtoffer dacht dat hij “er geweest” zou zijn. Tevens blijkt dat het slachtoffer nog steeds gevangen zit in angst en last heeft van slapeloze nachten. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige berovingen zich veelal nog lange tijd angstig en onveilig voelen. Daarnaast ontstaat ook in de samenleving een gevoel van onveiligheid als gevolg van dit soort berovingen. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zeer ernstig aan.

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister aangaande verdachte, blijkt dat hij al meerdere malen is veroordeeld wegens ernstige geweldsdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een ernstig geweldsdelict te plegen.

De rechtbank heeft anderzijds rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf de conclusie van voornoemde psychologische onderzoeksrapportage in aanmerking genomen, te weten dat het bewezen verklaarde feit aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Uit het psychologisch onderzoeksrapport betreffende verdachte komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een stoornis van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zoals hiervoor weergegeven. Daarnaast is bij verdachte sprake van een drugsverslaving. De onverwerkte emoties van verdachte en zijn drugsverslaving zijn risicofactoren voor recidive. Het advies is dan ook om verdachte in een deels voorwaardelijk kader een klinische behandeling bij een forensische verslavingskliniek en een verplicht toezicht door de verslavingsreclassering op te leggen. Na een klinische behandeling kan verdachte doorstromen naar een ambulant behandelkader.

Door het Leger des Heils is op 21 oktober 2011 een reclasseringsrapport over verdachte uitgebracht. Gezien het verloop van eerdere toezichten en recidive in het verleden, acht het Leger des Heils een toezicht zonder een klinische opname met betrekking tot middelengebruik en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek niet haalbaar. Indien een klinische opname en een reclasseringstoezicht geïndiceerd worden door het NIFP, en de rechtbank dit oplegt, dan zal de reclassering hier uitvoering aan geven.

Gelet op voornoemde adviezen acht de rechtbank het mogelijk dat verdachte een klinische behandeling moet ondergaan gericht op onder andere zijn posttraumatische stressstoornis en zijn verslavingsproblematiek. Nu er echter geen indicatiestelling voorhanden was ten tijde van de zitting op 31 oktober 2011, kan de rechtbank het ondergaan van een klinische behandeling niet als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijk strafdeel koppelen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte te zijner tijd een klinische behandeling in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling kan ondergaan. Derhalve zal de rechtbank geen voorwaardelijke straf opleggen.

De ernst van het bewezenverklaarde feit wegend, evenals de problematiek van verdachte en de noodzakelijke behandelingen die mogelijk nog volgen, is de rechtbank van oordeel dat de op te leggen vrijheidsstraf lager bepaald dient te worden dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur een passende reactie op dit feit.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer] , wonende te [woonplaats slachtoffer]. De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering ten bedrage van € 2.347,-- (€ 347,-- aan materiële schade en € 2000,-- aan immateriële schade) en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering voor het hele bedrag zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de kosten van de ondergane fysiotherapie en de beschadiging van de bank niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade kan er slechts een aanzienlijk lager bedrag worden toegewezen, nu er geen geweld is gebruikt. De raadsvrouw is van mening dat er maximaal € 500,-- aan geleden immateriële schade kan worden vergoed.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht zowel de kosten van de bank, die schade heeft opgelopen door de bloedvlekken die als gevolg van het bewezen verklaarde feit op die bank zitten, als ook de kosten van de fysiotherapie die [slachtoffer] heeft moeten ondergaan naar aanleiding van zijn val van de trap toen hij verdachte ’s nachts in zijn woning tegen het lijf liep, toewijsbaar. Het gevorderde bedrag van € 2000,-- ter zake van immateriële schadevergoeding acht de rechtbank, uitgaande van de ernst van de inbreuk op de fysieke en emotionele integriteit van het slachtoffer, alleszins redelijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering van € 2374,-- zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen bovengenoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats slachtoffer], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2374,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2011.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 2374,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2011 ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij geldt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag ten behoeve van de benadeelde partij, de verplichting vervalt om dit bedragen aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, D.M. Schuiling en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2011.