Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU4416

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
109168 - HA ZA 09-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement. Bestuurdersaansprakelijkheid. Artikel 2:248 lid 2 BW. Schending van de deponeringsplicht en de adminstratieplicht. Tegenbewijsopdracht aan bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 109168 / HA ZA 09-321

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

MEERTINUS JAN UBBENS

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen [G. Holding]., Uniprotect B.V., [G. Projectontwikkeling], Stadefa B.V. en [Bouwbedrijf G.],

kantoorhoudende te Groningen,

eiser,

advocaat mr. S. Vos,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E. Heuzeveldt.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden. De B.V.'s zullen afzonderlijk [G. Holding], Uniprotect, [G. Projectontwikkeling], Stadefa en [Bouwbedrijf G.] genoemd worden en gezamenlijk de B.V.'s.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juli 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 13 oktober 2009,

- de conclusie van repliek van 1 september 2010,

- de conclusie van dupliek 27 oktober 2010.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

2.1. [gedaagde] is directeur en enig aandeelhouder van Alfred Stadskanaal B.V..

2.2. Alfred Stadskanaal B.V. heeft in 2005 de B.V.'s overgenomen. De B.V.'s waren van de vader van [gedaagde] en het ruim honderd jaar bestaande familiebedrijf werd aldus voortgezet.

2.3. Alfred Stadskanaal B.V. was na de overname in 2005 de enig aandeelhouder van [G. Holding]. [G. Holding] was de enig aandeelhouder van [Bouwbedrijf G.], Stadefa, Uniprotect en [G. Projectontwikkeling].

2.4. [Bouwbedrijf G.] was een aannemingsbedrijf dat zich ten tijde van de overname in 2005 voornamelijk bezig hield met onderhoud- en verbouwwerkzaamheden. Stadefa fungeerde als onderaannemer voor [Bouwbedrijf G.] en maakte kozijnen en onderdelen voor te bouwen objecten. Uniprotect en [G. Projectontwikkeling] ontplooiden geen activiteiten.

2.5. [gedaagde] heeft na de overname van de B.V.'s het accent van de bedrijfsactiviteiten verlegd naar nieuwbouwactiviteiten.

2.6. [gedaagde] heeft na de overname het machinepark van Stadefa vervangen.

2.7. [Bouwbedrijf G.] heeft na de overname op aanneembasis de volgende (nieuwbouw-)projecten verricht:

- het project Wollerich, een boerderij in Nieuw-Buinen;

- het project Van Dam, twee woningen woning in Harkstede;

- het project Hoogerduijn-Strating, een woning in Wildervank.

Deze projecten waren ten tijde van het faillissement nog niet volledig afgerond.

2.8. [Bouwbedrijf G.] heeft daarnaast op regiebasis werkzaamheden verricht voor Schipper Houtbouw te Nieuw-Buinen en de Nederlands Hervormde Kerk te Stadskanaal.

2.9. De jaarrekeningen van de B.V.'s over 2004 en de jaarrekening van [G. Holding] over 2005 zijn niet binnen 13 maanden na afloop van het betreffende boekjaar gedeponeerd in het handelsregister, zoals is voorgeschreven door artikel 2:394 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De jaarrekeningen van de B.V.'s over 2004 zijn twee maanden te laat gedeponeerd en de jaarrekening van [G. Holding] over 2005 is twee jaar te laat gedeponeerd. De jaarrekeningen van de B.V.'s over 2006 zijn wel tijdig gedeponeerd.

2.10. [gedaagde] heeft de bank verzocht om de kredietfaciliteit ten behoeve van de B.V.'s te vergroten. Dit verzoek is afgewezen.

2.11. Op 18 oktober 2007 heeft de heer R.W.G. van Suchtelen van de Haare, directeur van "Financiën in Bedrijf", een financiële analyse opgesteld met betrekking tot de B.V.'s. Hierin staat - voor zover relevant - het volgende:

"Sinds de start/overname in 2005 bent u geconfronteerd met samenloop van ongunstige omstandigheden. Onverwacht stopte de omzet bij langdurige relaties zoals Philips, ABN AMRO en Wooncom. Dit verlies aan omzet heeft u gecompenseerd door nieuwbouw activiteiten te intensiveren. Daar de nieuwbouwactiviteiten zoals u die bent gaan uitvoeren gewenning vraagt van uw interne organisatie en medewerkers zijn deze activiteiten nog niet rendabel geweest. Inmiddels kan gesteld worden dat de nieuwbouwactiviteiten geen negatieve bijdrage meer levert aan uw resultaat. Bovendien was u genoodzaakt het machinepark van de onderneming drastisch te vernieuwen ad circa EURO 210.000,-- ten laste van de liquiditeit om weer adequaat te kunnen inspelen op verzoeken vanuit de markt. Kortom forse investeringen in combinatie met het wegvallen van jarenlang bestaande omzet en onrendabel opbouwen van de nieuwbouwactiviteiten.

(...)

U bevindt zich nu op een kruispunt, gaat u verder of stopt u. De winst en cash flow zijn positief en moeten zich positief door ontwikkelen om definitief een besluit te kunnen nemen door te gaan met de onderneming. Als uw onderneming alleen maar verlies en een negatieve cash flow laat zien kunt u beter nu stoppen, echter gelukkig is dat op dit moment niet van toepassing."

2.12. Bij vonnis van deze rechtbank van 30 november 2007 zijn [G. Holding], Uniprotect, [G. Projectontwikkeling], Stadefa en [Bouwbedrijf G.] failliet verklaard, met benoeming van eiser als curator.

2.13. De curator heeft van Schipper Houtbouw te Nieuw-Buinen (een van de debiteuren van [gedaagde]) een bedrag gevorderd van EUR 119.129,95. Schipper Houtbouw heeft deze vordering betwist. De curator heeft vervolgens onderzocht in hoeverre de vordering kon worden onderbouwd en heeft als enige ter zake doende aanwezige bescheiden aangetroffen door de werknemers van [gedaagde] (deels) ingevulde, maar niet door Schipper Houtbouw ondertekende urenbriefjes en niet-gespecificeerde facturen. De curator en Schipper Houtbouw zijn uiteindelijk betaling van EUR 10.000,00 door Schipper Houtbouw overeengekomen.

2.14. De heer A. Pothof, werkzaam bij Voulon Accountants en Belastingadviseurs, heeft bij schrijven van 12 juni 2009 - voor zover relevant - het volgende verklaard:

" De vennootschappen van [gedaagde] en voorheen zijn vader en oom zijn vele jaren cliënt geweest bij ons kantoor en zijn nog steeds cliënt. Er is ons gedurende deze periode nooit gebleken dat de administratie niet zorgvuldig werd bijgehouden. Het samenstellen van de jaarrekeningen heeft voor ons nooit aanleiding gegeven om twijfels te hebben bij datgene dat ons is aangeleverd door [gedaagde].

(...)

De curator stelt (...) dat de administratie zeer slecht werd bijgehouden en dat nooit periodieke uitdraaien werden gemaakt van debiteuren, crediteuren en saldibalansen. Wij zijn van mening dat dit punt niet overeenkomt met onze ervaringen.

(...)

Zoals ook door [gedaagde] aangegeven heeft zich in de bedrijfsvoering een belangrijke wijziging voorgedaan wat betreft de werkzaamheden. Per 30 juni 2007 zijn door ons tussentijdse cijfers opgemaakt. De kengetallen van liquiditeit en solvabiliteit zoals geschetst door de curator ten tijde van het faillissement in vergelijking met de situatie per 30 juni 2007 geven een ander beeld van de situatie. Wij hebben niet de indruk dat bij de situatie per 30 juni 2007 een onjuiste voorstelling gegeven is van de financiële situatie op dat moment en dat ons onjuiste informatie is verstrekt om tot een goed tussentijds resultaat te komen. Volgens ons waren de debiteuren en crediteuren tot 30 juni verwerkt in de administratie. Wij hadden een opgaaf van het onderhanden werk per 30 juni van de heer [gedaagde] ontvangen. De stelling (...) dat [gedaagde] te lang op onverantwoorde wijze is doorgegaan met de bedrijfsvoering is naar onze mening daarom niet juist. "

2.15. [gedaagde] heeft tijdens de comparitie op 13 oktober 2009 verklaard dat de urenbriefjes niet altijd werden afgetekend.

Het standpunt van de curator

3.1. De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan de curator EUR 1.171.139,76 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2007, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten van de conservatoire beslagen, ten bedrage van EUR 3.580,18, en de proceskosten.

3.2. De curator heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van de B.V.'s onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van de B.V.'s zodat [gedaagde] op grond van artikel 2:248, lid 1 BW persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het boedeltekort. De curator heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

3.3. [gedaagde] heeft niet voldaan aan de op hem rustende administratieplicht. Op grond van artikel 2:248, lid 2 BW wordt dan aangenomen dat er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling, waarbij wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. De curator en de door hem ingeschakelde derde-deskundige, de heer Stokkel, zijn in totaal 244 uur bezig geweest met het inzichtelijk krijgen van de administratie van de B.V.'s. Gebleken is dat de debiteurenstand ten tijde van het faillissement EUR 680.000,00 bedroeg. Deze debiteurenstand was echter niet, niet correct of onvoldoende onderbouwd. Er ontbraken gespecificeerde nota's, overzichten van verrichte werkzaamheden en gebruikte materialen, door opdrachtgevers ondertekende meerwerkopdrachten, door opdrachtgevers ondertekende urenbriefjes van het personeel en opnamestaten van afgeronde projecten. Ook werden de voorraden en het onderhanden werk niet per project uitgesplitst en de voortgang van de kostenopbouw van de verschillende (nieuwbouw)projecten werd niet bijgehouden en gecontroleerd. Hierdoor heeft de curator slechts EUR 113.104,97 van de debiteuren kunnen innen. Daarnaast werden er geen periodieke uitdraaien van het grootboek debiteuren-crediteuren en van saldibalansen gemaakt zodat er geen zicht bestond op de liquiditeit en solvabiliteit van de B.V.'s. De liquiditeit en solvabiliteit bleek volgens de bij de curator beschikbare administratie al sinds 2005 onder het minimaal verantwoorde te liggen hetgeen betekent dat [gedaagde] te lang en op een onverantwoorde wijze is doorgegaan met de B.V.'s.

3.4. De slechte administratie is naar het oordeel van de curator een belangrijke, zo niet de enige oorzaak van het faillissement. Dit wordt volgens hem ook bevestigd door de omstandigheid dat de bouwsector in 2007 floreerde. Voorts heeft [gedaagde], ondanks diverse (schriftelijke) verzoeken, geen aanvullende administratie verstrekt of medewerking verleend aan de curator om de wel aanwezige administratie inzichtelijk te maken.

3.5. Daarnaast heeft [gedaagde], nu de jaarrekeningen van alle B.V.'s over 2004 en van [G. Holding] over 2005 te laat zijn gedeponeerd bij het handelsregister, niet voldaan aan de op hem rustende deponeringsplicht. Dit betekent eveneens dat op grond van artikel 2:248, lid 2 BW onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder moet worden aangenomen.

3.6. Ook overigens is de curator van mening dat er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde] omdat hij - naast de schending van de administratie- en deponeringsplicht - opdrachten heeft geaccepteerd beneden kostprijsniveau. [gedaagde] heeft dit tegenover de heer Stokkel verklaard en tevens kan dit worden afgeleid uit de, bij de curator aanwezige, administratie van de nieuwbouwprojecten Wollerich, Van Dam en Hoogerduijn-Strating. Gebleken is dat deze projecten ten tijde van het faillissement nog verre van voltooid waren terwijl de gemaakte kosten de overeengekomen aanneemsom (inclusief meerwerk en btw) reeds hadden overschreden. De curator stelt zich op het standpunt dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op deze wijze zou hebben gehandeld.

3.7. Op grond van het voorgaande is de curator van mening dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het boedeltekort van EUR 1.171.139,76.

4. Het verweer van [gedaagde]

4.1. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering dan wel afwijzing daarvan met veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

4.2. Ten aanzien van de oorzaak van het faillissement heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij na de overname van de B.V.'s onverwacht werd geconfronteerd met het wegvallen van een aantal grote en vaste opdrachtgevers, te weten ABN-AMRO, de Rabobank, Philips te [Stadskanaal] Super De Boer en Wooncom. Hierdoor is een omzet van circa EUR 400.000,00 op jaarbasis weggevallen. Om deze reden heeft [gedaagde] het accent van zijn bedrijfsactiviteiten verlegd van onderhoud- en verbouwactiviteiten naar nieuwbouwactiviteiten. Tevens heeft hij, met het oog op de nieuwbouwprojecten en de toenemende vraag naar kunststofkozijnen, het verouderde machinepark van Stadefa vervangen. De gebruikelijke voorfinanciering van nieuwbouwprojecten in combinatie met het slechte betalingsgedrag van debiteuren heeft ook ten nadele gewerkt van de liquiditeit. Daar komt bij dat de bank het verzoek van [gedaagde] tot uitbreiding van de kredietfaciliteit niet heeft gehonoreerd. Verder was er, hoewel de bouwsector floreerde in 2007, veel concurrentie van schildersbedrijven, zzp-ers en de opmars van "goedkope" Duitse ondernemers, waardoor de marges onder druk kwamen te staan.

4.3. Ten aanzien van de administratieplicht heeft [gedaagde] verklaard dat hij bij de curator is geweest en daar heeft geconstateerd dat een zeer groot deel van de administratie van de B.V.'s - in het bijzonder de projectadministratie - ontbreekt. [gedaagde] acht dit onbegrijpelijk en hij is derhalve niet in staat om concrete projectadministratie te verstrekken aan de curator. Hij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het ontbreken van enkele stukken niet voldoende is om een schending van de administratieplicht te kunnen aannemen. Bovendien was er sprake van een correct gevoerde administratie. Hiertoe wordt in de eerste plaats verwezen naar het schrijven van de heer Pothof, accountant bij Voulon Accountants en Belastingadviseurs, van 12 juni 2009 waarin staat dat nooit is gebleken dat de administratie van de B.V.'s niet zorgvuldig werd bijgehouden en dat er wel degelijk zicht was op de liquiditeit en de solvabiliteit van B.V.'s. Daarnaast wordt verwezen naar de financiële analyse met betrekking tot de B.V.'s van de heer R.W.G. van Suchtelen van de Haare van 18 oktober 2007 waaruit blijkt dat de solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit van de B.V.'s wel degelijk inzichtelijk waren. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat ieder project op dezelfde manier werd ingedeeld en dat de begroting, kosten, uren, meer-/minderwerk, toegepaste materialen en nacalculatie werden bijgehouden in digitale programma's. Dat [gedaagde] geen medewerking aan de curator zou hebben verleend wordt betwist, waarbij wordt opgemerkt dat de huidige medewerking niet van belang is voor de beoordeling van het bestuur voorafgaand aan het faillissement.

4.4. Door [gedaagde] wordt erkend dat hij de jaarstukken van de B.V.'s over 2004 en van [G. Holding] over 2005 te laat heeft gedeponeerd. De jaarstukken over 2006 zijn echter tijdig gedeponeerd. Dit betekent dat de financiële positie van de gefailleerde ondernemingen inzichtelijk was. In zoverre is een formeel te late deponering over voorliggende jaren naar mening van [gedaagde] van ondergeschikt belang, zodat hem niet het vermoeden van een onbehoorlijke taakvervulling kan worden tegengeworpen.

4.5. [gedaagde] heeft voorts betwist dat hij zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld door opdrachten aan te nemen beneden de kostprijs. Hij heeft nooit tegen Stokkel gezegd dat hij opdrachten onder de kostprijs heeft geaccepteerd. Ook was geen sprake van een kostenoverschrijding ten opzichte van de aanneemsom, zoals gesteld door de curator. In de eerste plaats waren de projecten per datum faillissement bijna voltooid. Daarnaast acht [gedaagde] het onjuist dat de curator bij de berekening van de kostenoverschrijding van de projecten Wollerich, Van Dam en Hoogerduijn-Strating het meerwerk in de aanneemsom heeft verwerkt. Immers, de kosten van het meerwerk zijn voorafgaand aan het bouwproject niet in te schatten en dienen niet in de aanneemsom te worden verwerkt. Ten slotte wordt door de curator geen onderbouwing gegeven van de kostenoverschrijdingen en ontbreekt iedere toelichting daarop.

4.6. De hoogte van de vordering wordt door [gedaagde] betwist. De vordering van Belastingdienst Noord is drie keer opgenomen en niet is gebleken dat deze vordering ziet op de periode voor de datum van het faillissement. Verder zijn vorderingen van Bouwradius Training & Advies, Jongeneel BV en Kuiper Verzekeringen dubbel opgenomen.

4.7. Indien de rechtbank aansprakelijkheid aanwezig acht doet [gedaagde] een beroep op matiging.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat voor de beoordeling van de onderhavige vordering niet van belang is de bedrijfsvoering met betrekking tot Uniprotect en [G. Projectontwikkeling], omdat door deze vennootschappen geen activiteiten werden ontplooid. De rechtbank zal deze vennootschappen dan verder ook buiten beschouwing laten.

5.2. In artikel 2:248, lid 1 BW is bepaald dat in geval van faillissement iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

5.3. In artikel 2:248, lid 2 BW is bepaald dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan de verplichting tot het bijhouden en bewaren van een administratie op zodanige wijze dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend (artikel 2:10 BW) of aan de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening door tijdige deponering in het handelsregister (artikel 2:394 BW) het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het hiervoor genoemde vermoeden kan evenwel door de aangesproken bestuurder worden weerlegd ("ontzenuwd") indien hij er in slaagt aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

5.4. Het slot van artikel 2:248, lid 2 BW bepaalt dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen. Of een verzuim als zodanig kan worden aangemerkt, hangt af van de omstandigheden van het geval.

5.5. In artikel 2:248, lid 6 BW is bepaald dat voor het verhaal op een bestuurder slechts relevant is onbehoorlijke taakvervulling in de drie jaren voor de datum van het faillissement.

5.6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de curator over een beperkte administratie beschikt. De curator heeft in dit verband uitvoerig aangegeven welke gebreken de boekhouding heeft. [gedaagde] heeft aangegeven dit onbegrijpelijk te vinden, maar hij heeft voor het ontbreken van de door hem gestelde administratie geen enkele verklaring gegeven. Ook is niet gebleken dat hij - ondanks zijn toezegging aan de curator tijdens de comparitie op 13 oktober 2009 - op enige andere wijze medewerking heeft verleend aan het inzichtelijk maken van de administratie, bijvoorbeeld door aan te geven waar de ontbrekende administratie, voor zover aanwezig, zich wel zou kunnen bevinden of nadere toelichtingen te geven op de wel aanwezige administratie. De enkele niet nader onderbouwde stelling van [gedaagde] dat hij wel zou hebben meegewerkt wordt door de rechtbank in dit verband niet gevolgd. Nu de administratie onvolledig is en de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon derhalve niet (volledig) kunnen worden gekend en niet controleerbaar zijn, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] de op hem, ingevolge artikel 2:10, lid 1 BW, rustende administratieplicht heeft geschonden. Dat de heer Pothof, werkzaam voor Voulon Accountants en Belastingadviseurs bij schrijven van 12 juni 2009 heeft verklaard dat de stelling van de curator dat de administratie slecht werd bijgehouden niet overeenkomt met de ervaringen van Voulon, en dat de heer Van Suchtelen van de Haare, directeur van "Financiën in Bedrijf", in zijn financiële analyse met betrekking tot de B.V.'s van 18 oktober 2007, heeft aangegeven dat de solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit van de B.V.'s wel degelijk inzichtelijk waren, kan in dit verband niet leiden tot een ander oordeel. Het feit dat zij blijkbaar hun werk konden verrichten met de door of namens [gedaagde] aangeleverde bescheiden zegt niets over de achterliggende boekhouding. Uit het voorgaande volgt dat is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en wordt op grond van artikel 2:248, lid 2 BW vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

5.7. De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat de jaarrekeningen van de B.V.'s over 2004 en de jaarrekening van [G. Holding] over 2005 niet tijdig zijn gedeponeerd in het handelsregister. Dit betekent dat er binnen een periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement is gehandeld in strijd met artikel 2:394 BW, zodat ook op deze grond is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Dat de jaarstukken van de B.V.'s over 2006 wel tijdig zijn gedeponeerd doet hier niet aan af. Anders dan door [gedaagde] is gesteld zijn niet slechts de laatst gedeponeerde jaarstukken van belang, maar dient de gehele periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement in aanmerking te worden genomen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijdingen, van twee maanden en - maar liefst - twee jaar, niet als onbelangrijk verzuim kunnen worden aangemerkt. Te meer nu door [gedaagde] geen enkele verklaring is gegeven voor de termijnoverschrijdingen.

5.8. De vraag is vervolgens of [gedaagde], ter weerlegging van het vermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

5.9. [gedaagde] heeft, zoals hiervoor onder 4.2. is weergegeven, verklaard dat de aanleiding van het faillissement is gelegen in (1) het wegvallen van een aantal grote en vaste opdrachtgevers, te weten ABN AMRO, de Rabobank, Philips te Stadskanaal, Super De Boer en Wooncom, waardoor (2) een omzet van circa EUR 400.000,00 op jaarbasis is weggevallen. Hij heeft getracht dit op te vangen door het accent van de bedrijfsactiviteiten te verleggen naar nieuwbouwwerkzaamheden, maar is hierin niet geslaagd. Als reden noemt [gedaagde] (3) de gebruikelijke voorfinanciering door de aannemer bij nieuwbouwprojecten in combinatie met (4) het slechte betalingsgedrag van zijn debiteuren. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] verwezen naar de hiervoor genoemde financiële analyse van de heer Van Suchtelen van de Haare, waarin - voor zover relevant - staat:

"Sinds de start van de overname bent u geconfronteerd met samenloop van ongunstige omstandigheden. Onverwacht stopte de omzet bij langdurige relaties zoals Philips, ABN AMRO en Wooncom. Dit verlies aan omzet heeft u gecompenseerd door nieuwbouw activiteiten te intensiveren. Daar de nieuwbouwactiviteiten zoals u die bent gaan uitvoeren gewenning vraagt van uw interne organisatie en medewerkers zijn deze activiteiten nog niet rendabel geweest. Bovendien was u genoodzaakt het machinepark van de onderneming drastisch te vernieuwen ad circa EURO 210.000,-- ten laste van de liquiditeit om weer adequaat te kunnen inspelen op verzoeken vanuit de markt. Kortom forse investeringen in combinatie met het wegvallen van jarenlang bestaande omzet en onrendabel opbouwen van de nieuwbouwactiviteiten."

Tevens heeft [gedaagde] verwezen naar het hiervoor genoemde schrijven van de heer Pothof van 12 juni 2009. Daarin staat - voor zover relevant - het volgende:

"Zoals ook door [gedaagde] aangegeven heeft zich in de bedrijfsvoering een belangrijke wijziging voorgedaan wat betreft de werkzaamheden."

5.10. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde financiële analyse en het schrijven van Pothof niet voldoende zijn om het in 5.3. bedoelde vermoeden ontzenuwd te achten, maar wel om [gedaagde], overeenkomstig zijn aanbod, toe te laten tot het leveren van het (tegen)bewijs dat de (vier) voornoemde omstandigheden een belangrijke oorzaak zijn geweest van het faillissement.

5.11. Beslist wordt als volgt.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat andere omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling in verband met de schending van de administratie- en deponeringsplicht, een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest;

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 november 2011 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

6.3. bepaalt dat [gedaagde], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken direct in het geding moet brengen;

6.4. indien [gedaagde] bewijs wil leveren door het horen van getuigen dient hij op te geven welke getuigen hij wil horen en dient hij verhinderdata op te geven over de maanden januari, februari en maart 2012, waarna het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M. Griffioen in het gerechtsgebouw te Groningen aan Guyotplein 1 op een door de griffier nader te bepalen datum;

6.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij toesturen;

6.6. houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M. Griffioen, B. van den Bosch, D.W.J. Vinkes en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.