Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU4107

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
123210 - FA RK 10-2948
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7415, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandig verzoek van verweerder, ingediend op de zittingsdag vóór aanvang zitting, is ontvankelijk nu volgens het procesreglement een verweerschrift tot de aanvang van de zitting kan worden ingediend, welk verweerschrift een zelfstandig verzoek mag inhouden. Dat het verzoek niet met stukken is onderbouwd doet hier niet aan af omdat de stukken al eerder in de onderhavige procedure waren ingebracht.

De vrouw is niet-ontvankelijk in het inleidende verzoek omdat geen inhoudelijke argumenten zijn aangevoerd die een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de eerdere beschikking inhouden.

De beperking van de omgang inhoudende dat de man niet samen met de minderjarige buiten Europa op vakantie mag, wordt opgeheven. De man heeft afstand gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit en heeft zijn werk en sociale leven in Nederland. De kans op ontvoering van de minderjarige is gering. Uit overgelegde getuigenverklaringen ontstaat een beeld van iemand die in Nederland is geworteld en bij wie het risico op vestiging in het land van herkomst gering lijkt.

De verzochte dwangsom wordt niet opgelegd. Hoewel is gebleken dat de vrouw zich niet altijd even soepel heeft opgesteld ten aanzien van het contact tussen de man en de minderjarige is niet gebleken van een stelselmatig niet uitvoeren van het recht op omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 123210 / FA RK 10-2948

beschikking d.d. 25 oktober 2011

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. P.A.K. van Eck, thans mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda

en

[de man],

wonende te [adres],

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. Th.A.H. van Blokland te Amersfoort.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 14 december 2010 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Daarin wordt verzocht de beschikking van de rechtbank te Utrecht van

5 maart 2008 te wijzigen en

- een omgangsregeling te bepalen waarbij er recht op omgang bestaat tussen het minderjarige kind van partijen en zijn vader welke omgang onder begeleiding zal plaatsvinden,

- het gezag over de minderjarige te wijzigen in die zin dat de vrouw het eenhoofdig gezag over de minderjarige zal uitoefenen en

- de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De man heeft op 13 mei 2011 een verweerschrift ingediend waarin hij verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw af te wijzen en voorts voornoemde beschikking van de rechtbank te Utrecht te wijzigen en te bepalen:

- dat de man recht heeft op telefonisch contact per week, door de man te entameren met zijn zoon en wel op woensdag;

- een vakantieregeling vast te stellen

- dat de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de bij beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 5 maart 2008 bepaalde omgangsregeling en aan de bij de ten deze te wijzen beschikking te bepalen omgangsregeling voldoet.

Ter griffie is op 25 augustus 2011 een faxbericht met bijlage ontvangen van mr. Th.A.H. van Blokland, waarin het verzoek van de man wordt uitgebreid met het verzoek tot opheffing van de hem opgelegde beperking voor vakantiebestemmingen tot Europa.

De rechtbank heeft partijen, bijgestaan door hun raadslieden, gehoord ter zitting met gesloten deuren van 25 augustus 2011. Daarbij is tevens gehoord de heer J. Scholte Aalbes namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

- partijen hebben een affectieve relatie gehad;

- uit deze relatie is geboren het minderjarige kind

* [minderjarige], geboren [in 2000] in de gemeente [geboorteplaats], erkend door de man [in 2000];

- partijen hebben samen het gezag over de minderjarige;

- de minderjarige heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

Standpunt van de vrouw

Tot de tweede helft van oktober 2010 is uitvoering gegeven aan de beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 5 maart 2008. Toen werd het de vrouw duidelijk dat de man niet alleen zoveel druk uitoefent op [minderjarige] dat [minderjarige] daarvan onder grote spanning komt te staan, maar ook dat er gegronde vrees bestaat dat de man met [minderjarige] naar [land van herkomst man] vertrekt. Zo zou de man een huis aan het bouwen zijn in [land van herkomst man] en daar een goede baan kunnen krijgen. De man heeft laten weten dat hij deze baan uitsluitend zal accepteren wanneer [minderjarige] met hem meegaat naar [land van herkomst man]. Een mogelijk vertrek van de vader met [minderjarige] naar [land van herkomst man] is een voortdurende zorg van de vrouw.

Behalve nieuwe feiten en omstandigheden zijn ook de reacties van [minderjarige] zorgwekkend.

In [land van herkomst man] is de rechtspositie van de vrouw zo goed als nihil.

Partijen hebben verschillende pogingen ondernomen om overeenstemming te bereiken, onder andere middels therapie.

De man heeft verschillende keren, zowel in het verleden als meer recent, aangegeven dat hij [minderjarige] zal ontvoeren naar [land van herkomst man].

De man bleek vergevorderde plannen te hebben om aan het einde van dit jaar (2010) te vertrekken. Om die reden heeft de vrouw ervoor gekozen de omgangsregeling op te schorten.

De vrouw heeft al lange tijd angst dat de man met [minderjarige] naar [land van herkomst man] zal vertrekken. Zij heeft de man gevraagd dit wantrouwen weg te nemen.

De man heeft, vlak voor de zitting, een afschrift uit het GBA ingediend waaruit zou moeten blijken dat hij alleen de Nederlandse nationaliteit heeft en niet de [andere nationaliteit]. Op dit afschrift staat echter dat er naast de Nederlandse nationaliteit sprake is van een onbekende nationaliteit. De vrouw wil dat de man de onderliggende stukken overlegt. Gemeenten nemen gegevens over uit andere bronnen en doen zelf geen onderzoek. De rechtbank mag er niet van uit gaan dat dit stuk juiste gegevens weergeeft. Te meer omdat de man eerder tegenstrijdige berichten over zijn nationaliteit heeft afgegeven.

[minderjarige] is onderzocht door Accare. Er zijn geen problemen geconstateerd, behalve dat hij in een loyaliteitsconflict zit. Sociaal-emotioneel scoort hij heel laag. De man heeft alleen toestemming gegeven voor het eerste onderzoek, maar geeft geen toestemming voor verdere behandeling. Hij stelt daarbij allerlei voorwaarden.

De zelfstandige verzoeken van de man zijn niet-ontvankelijk nu hetzij daarover al is beslist door de rechtbank, hetzij het verzoek tardief is dan wel dienen deze verzoeken te worden afgewezen.

Standpunt van de man

De vrouw stelt zich niet meewerkend op. Er is geen enkele grond voor haar angst dat de man [minderjarige] zou meenemen naar [land van herkomst man]. Er zijn wel degelijk incidenten geweest rond de omgangsmomenten; een omgangsweekend is door de vrouw verplaatst en ook het bezoek tijdens Pinksteren is verschoven door de vrouw. Daarna is het kort geding vonnis betekend. Sinds die betekening zijn er geen incidenten meer geweest. De dwangsom was dus nodig. De man heeft alleen de Nederlandse nationaliteit. Het heeft hem veel moeite gekost om de [andere nationaliteit] nationaliteit op te kunnen geven, maar dat is nu gelukt. Dat is gemeld bij de gemeente Amersfoort. De man heeft de intrekking van de [andere nationaliteit] nationaliteit laten legaliseren en een afschrift uit de gemeentelijke basisadministratie is een geldig bewijsstuk. De man kan nog steeds naar [land van herkomst man] afreizen maar heeft een visum nodig om daar langer te blijven. Hij heeft zijn bestaan hier en ook zijn zoon woont hier. De man weet niet wat hij nog meer moet doen om de angst bij de vrouw weg te nemen.

De man en de vrouw hebben een mediationtraject gevolgd en zijn tot overeenstemming gekomen over de omgang. Deze regeling loopt ook. [minderjarige] heeft het naar zijn zin als hij bij zijn vader is. Ook het halen en brengen loopt goed.

Het zelfstandig verzoek van de man is een aanscherping van de beschikking. [minderjarige] belt soms spontaan naar zijn vader waarna soms slechts een (zeer) kort telefoongesprek volgt. De vrouw beroept zich dan daarna op de telefoonregeling en zegt dan dat de man die week verder geen telefonisch contact meer met zijn zoon mag hebben. Ook het verzoek met betrekking tot de vakantieregeling betreft een aanscherping. De man wil [minderjarige] graag drie weken aaneengesloten bij zich hebben (hetgeen in de praktijk op initiatief van de vrouw niet mag gebeuren) en daarnaast verzoekt de man te bepalen dat [minderjarige] met Pinksteren en Pasen de extra maandag bij de ouder blijft bij wie hij dat weekend is. Tenslotte verzoekt de man het tijdstip van het wisselmoment om 12.00 uur te bepalen.

De man weigert niet zonder meer een behandeling voor [minderjarige], maar vraagt zich af of een derde onderzoek nog nut heeft. Deze onderzoeken zijn immers ook belastend voor [minderjarige]. Daarom is de man in discussie met de huidige - door de vrouw benaderde - therapeut, waarbij hij opmerkt dat dit moeizaam gaat nu deze therapeut zijn positie, als vader met gezag, niet respecteert. Zeer binnenkort zal de man de vrouw berichten omtrent de uitkomst van deze discussie. De man ziet de klachten overigens niet als [minderjarige] bij hem is.

Standpunt van de Raad

Het kort geding vonnis is voor de Raad geen aanleiding geweest zelfstandig onderzoek te doen. De omgang loopt, zoals deze is vastgelegd. Er zijn enkele strubbelingen die kennelijk het gevolg zijn van een slechte communicatie tussen de ouders. Het is van belang dat de ouders onderling gaan overleggen. Contact tussen [minderjarige] en zijn vader is belangrijk. De Raad ziet geen belemmeringen voor een normale contactregeling.

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de man in zijn zelfstandig verzoek

Door de rechtbank te Utrecht is bij beschikking van 5 maart 2008 een omgangsregeling vastgelegd die nog steeds geldt. Bij kort geding vonnis van 16 december 2010 is de regeling bevestigd. Het zelfstandig verzoek van de man betreft wijzigingen van deze regeling die gelegen zijn in een wijziging van de omstandigheden sinds de vaststelling ervan en de man is dus ontvankelijk in zijn verzoek.

Verder heeft de man bij faxbericht van 25 augustus 2011 schriftelijk verzocht de opgelegde beperking ten aanzien van de reizen die hij met [minderjarige] onderneemt, te laten vervallen. De vrouw voert aan dat de man niet-ontvankelijk is omdat dit verzoek te laat is ingediend en omdat het verzoek niet met voldoende stukken is onderbouwd.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het procesreglement gezag en omgang (mei 2011) bepaalt in art. 3.1 en 3.3 dat tot de aanvang van de zitting een verweerschrift kan worden ingediend, welk verweerschrift een zelfstandig verzoek mag inhouden. Nu de man zijn verzoek voor aanvang van de zitting heeft ingediend is hij ontvankelijk in zijn verzoek. Dat de man dit verzoek niet met stukken heeft onderbouwd doet hier niet aan af, nu de betreffende stukken al eerder in de onderhavige procedure waren ingebracht.

Ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoeken

Nu de vrouw het verzoek om haar te belasten met het eenhoofdig gezag ter zitting heeft ingetrokken zal zij in dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien het belang hieraan is komen te vervallen.

De vrouw verzoekt wijziging van de omgang in die zin dat de omgang alleen begeleid kan plaatsvinden. De vrouw geeft aan dat zij nog steeds angst heeft dat de man [minderjarige] ontvoert. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen inhoudelijke argumenten aangevoerd die een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de eerder genoemde beschikking inhouden.

De rechtbank zal de vrouw daarom ook niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Beoordeling van de verzoeken van de man

De rechtbank dient een beslissing te nemen op de verzoeken van de man met betrekking tot het telefonisch contact tussen hem en [minderjarige], de vakantieregeling en het opleggen van een dwangsom.

Nationaliteit van de man

Voor de beoordeling van de verzoeken van de man acht de rechtbank het in dit geval relevant, mede gezien de eerdere procedures tussen partijen en hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht, welke nationaliteit verzoeker heeft. Daarom zal de rechtbank over deze kwestie een oordeel geven alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de man over te gaan.

De man stelt dat hij slechts de Nederlandse nationaliteit heeft en in ieder geval niet de [andere nationaliteit] nationaliteit meer heeft, ten bewijze waarvan hij een afschrift van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) heeft overgelegd. De vrouw stelt dat dit stuk als bewijs niet voldoende is en dat deze kwestie een zelfstandige beoordeling van de rechtbank vraagt, waarvoor door de man de aan (de wijziging van) dit afschrift onderliggende stukken in het geding gebracht moeten worden.

De rechtbank is van oordeel dat de vermelde gegevens in het GBA voldoende bewijskracht hebben met betrekking tot het opgeven van de [andere nationaliteit] nationaliteit. Het verifiëren van de aan deze vermelding onderliggende stukken acht de rechtbank niet noodzakelijk en de rechtbank wijst het daartoe gedane verzoek om aanhouding dan ook af.

De rechtbank neemt op basis van deze informatie aan dat de man in ieder geval niet de [andere nationaliteit] nationaliteit heeft en wel de Nederlandse.

De rechtbank merkt op dat de Raad heeft aangegeven dat het in het belang is van [minderjarige], met name in het kader van zijn identiteitsontwikkeling, dat ook ten opzichte van hem duidelijkheid bestaat ten aanzien van zijn nationaliteit. Het is aan de ouders om [minderjarige] hieromtrent duidelijkheid te verschaffen.

De man heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 5 maart 2008 te wijzigen met betrekking tot de vakantieregeling en met betrekking tot de regeling betreffende het telefonisch contact tussen de man en [minderjarige]. De vrouw heeft zich hiertegen gemotiveerd verzet.

Nu vaststaat dat de thans vastgelegde contactregeling problemen heeft gegeven in de praktijk en in de toekomst mogelijk wederom problemen geeft bij de uitvoering ervan, is het in het belang van [minderjarige] deze regeling aan te scherpen, nu instandhouding van deze regeling conflicten tussen ouders oproept.

De rechtbank zal daarom overgaan tot een nadere aanvulling dan wel specificering van de bestaande omgangsregeling, zoals door de man verzocht:

- de man heeft recht op één telefonisch contact per week, door de man te entameren met [minderjarige] en wel op woensdag;

- [minderjarige] verblijft gedurende de schoolzomervakantie drie aaneengesloten weken bij de man alsmede in het ene jaar gedurende de eerste helft van de kerstvakantie en het andere jaar in de tweede helft van de kerstvakantie en zo jaarlijks wisselend verder, alsook gedurende de helft van de overige schoolvakanties in aansluiting op het reguliere omgangsweekend met dien verstande dat het wisselmoment in die vakantieweek op woensdag 12.00 uur is;

- [minderjarige] verblijft gedurende de paasdagen dan wel de pinksterdagen bij de man indien Pasen dan wel Pinksteren in het reguliere omgangsweekend valt.

Met betrekking tot het verzoek van de man om de beperking op te heffen aangaande de vakantieregeling, inhoudende dat de man niet samen met [minderjarige] buiten Europa op vakantie mag, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank merkt op dat deze beperking van de omgang, zoals opgenomen in de eerder genoemde beschikking van de rechtbank te Utrecht, niet gebaseerd is op concrete aanwijzingen dat de angst van de vrouw gerechtvaardigd is maar gebaseerd op het gegeven dat de angst van de vrouw een goede relatie tussen partijen als ouders van [minderjarige] in de weg stond. De rechtbank constateert dat in de ruim drie jaar die zijn verstreken sinds deze beschikking de omstandigheden in het leven van de man zich zodanig hebben ontwikkeld dat de kans op ontvoering zeer gering is. Immers de man heeft afstand gedaan van zijn oorspronkelijke [andere nationaliteit] nationaliteit, heeft zijn werk en sociale leven in Nederland. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 16 december 2010 heeft weergegeven namelijk dat door de getuigenverklaringen die de man heeft overgelegd een beeld is ontstaan van iemand die in Nederland geworteld is en bij wie het risico op vestiging in [land van herkomst man], of zelfs de ontvoering van zijn zoon, gering lijkt.

Hiervan uitgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige], met name in het licht van zijn identiteitsontwikkeling, dat de beperking van de vakantieregeling met betrekking tot de bestemming wordt opgeheven. De man heeft dan de mogelijkheid om samen met [minderjarige] korte tijd [land van herkomst man] te bezoeken waar [minderjarige] kennis kan maken met de familie van zijn vader.

Dwangsom

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de bij de beschikking van de rechtbank te Utrecht bepaalde omgangsregeling en de bij de ten dezen te wijzen beschikking te bepalen omgangsregeling voldoet. De vrouw heeft aangevoerd dat het in deze procedure niet mogelijk is een dwangsom op te leggen. Bovendien, zo heeft de vrouw gesteld, heeft zij steeds meegewerkt aan de omgangsregeling en is er dus geen aanleiding een dwangsom op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat ook in een bodemprocedure als de onderhavige een dwangsom zou kunnen worden opgelegd. De vraag is of er een inhoudelijke reden voor is om dit te doen. Uit de overgelegde stukken en uit de behandeling ter zitting blijkt dat de vrouw zich niet altijd even soepel heeft opgesteld ten aanzien van het contact tussen de man en [minderjarige]. Het niet uitvoeren van het recht op omgang op details leidt helaas tot conflicten tussen de ouders, maar van een stelselmatig niet uitvoeren van het recht op omgang is niet gebleken zodat er nu geen aanleiding is een dwangsom op te leggen.

Nu niet is verzocht om de beslissing met betrekking tot de geografische vakantiebeperking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen zal de rechtbank dit ook niet bepalen.

BESLISSING

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken;

wijzigt de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 5 maart 2008 en stelt in aanvulling op de in deze beschikking opgenomen regeling de volgende contactregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

- de man heeft recht op één telefonisch contact per week met [minderjarige] en wel op woensdag, op initiatief van de man ;

- [minderjarige] verblijft gedurende de schoolzomervakantie drie aaneengesloten weken bij de man alsmede in het ene jaar gedurende de eerste helft van de kerstvakantie en het andere jaar in de tweede helft van de kerstvakantie en zo jaarlijks wisselend verder, alsook gedurende de helft van de overige schoolvakanties in aansluiting op het reguliere omgangsweekend met dien verstande dat het wisselmoment in die vakantieweek op woensdag 12.00 uur is;

- [minderjarige] verblijft gedurende de paasdagen dan wel de pinksterdagen bij de man indien Pasen dan wel Pinksteren in het reguliere omgangsweekend valt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijzigt de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 5 maart 2008 door opheffing van de aldaar vastgestelde beperking met betrekking tot de contactregeling tijdens vakanties, in die zin dat de rechtbank de beperkende voorwaarde dat de man [minderjarige] slechts op buitenlandse reizen binnen Europa mee mag nemen, opheft;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.B. Holsink en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2011 in tegenwoordigheid van A. den Held als griffier.

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden, of - voor zover het een beschikking betreft, waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken - op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is betekend en door plaatsing van een uittreksel daarvan in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.