Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU4087

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
127488 - FA RK 11-1442
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarigen toegewezen. Het verzoek met betrekking tot gezamenlijk gezag en wijziging hoofdverblijf aangehouden in verband met een onderzoek door de Raad. Het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen. Verwijzing naar de enkelvoudige kamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige kamer

zaaknr.: 127488 / FA RK 11-1442

beschikking d.d. 4 oktober 2011

in de zaak van:

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.R. Roethof,

en

[de vrouw],

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. R. Skala.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 24 juni 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waarin hij vervangende toestemming van de rechtbank verzoekt om te kunnen overgaan tot erkenning van de minderjarige kinderen van partijen. De man verzoekt voorts het gezamenlijk gezag over de kinderen en wijziging van hun hoofdverblijf.

Bij beschikking van 28 juni 21011 is mr. J. Bolt benoemd als bijzondere curator over de minderjarigen.

De kinderrechter van deze rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 1] gehoord op 24 augustus 2011.

De vrouw heeft op 31 augustus 2011 een verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 6 september 2011. Ter zitting zijn verschenen de man, de vrouw bijgestaan door mr. Skala, mr. Bolt en A.I. van Dijk namens de Raad voor de Kinderbescherming.

RECHTSOVERWEGINGEN

De feiten

In deze procedure wordt van de volgende feiten uitgegaan:

* partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;

* uit deze relatie zijn geboren de minderjarige kinderen

o [minderjarige 1], geboren [in 1998] te [geboorteplaats],

o [minderjarige 2], geboren [in 2000] te [geboorteplaats];

* de man heeft de kinderen niet erkend;

* de vrouw heeft alleen het gezag over de kinderen.

Standpunt van de man

Met betrekking tot de erkenning

De kinderen hebben tot hun zevende respectievelijk negende levensjaar in gezinsverband geleefd met de man en de vrouw. Erkenning van de kinderen heeft nooit plaatsgehad. De man heeft er alle belang bij dat er een familierechtelijke betrekking tussen de hem en de kinderen tot stand komt. De vrouw weigert hier echter haar medewerking aan te verlenen.

De man is van mening dat een erkenning de belangen van de kinderen of het belang van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de kinderen niet schaadt.

Met betrekking tot het gezag

De man acht het in het belang van de kinderen dat hij mee kan beslissen over belangrijke zaken in hun leven en wenst daarom belast te worden met het gezamenlijk gezag. Dit klemt te meer nu de kinderen feitelijk bij hem wonen en hij samen met zijn ouders de dagelijkse zorg en opvoeding op zich heeft genomen. Partijen hebben normaal gesproken een goed contact met elkaar. Er is dan ook geen enkele grond voor het niet toewijzen van het gezag.

Met betrekking tot het hoofdverblijf

Omdat de vrouw heeft aangegeven de dagelijkse zorg voor de kinderen niet meer aan te kunnen, heeft hij op verzoek van de vrouw de dagelijkse verzorging van de kinderen op zich genomen. Sinds 22 april 2011 verblijven de kinderen afwisselend bij hem of bij zijn ouders die ook in [woonplaats man] woonachtig zijn.

Dat de vrouw niet langer in staat was om de kinderen te verzorgen en op te voeden bleek onder meer uit een hoog schoolverzuim van de beide kinderen. Als gevolg hiervan is er meermalen contact geweest met de leerplichtambtenaar. Omdat de vrouw regelmatig bij haar nieuwe partner verbleef zijn de kinderen ook vaak meerdere dagen achtereen (ook 's nachts) alleen thuis gelaten met de 16-jarige dochter van de vrouw.

Nu de kinderen bij de man verblijven is het in hun belang vast te stellen dat hun hoofdverblijf bij hem dan wel bij zijn ouders zal zijn. De kinderen gaan in [woonplaats man] naar school en hebben in [woonplaats man] hun sportieve en muzikale activiteiten. Zij zijn ook bezig daar hun vriendenkring op te bouwen.

Met betrekking tot de kinderalimentatie

De vrouw heeft haar verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie in het geheel niet onderbouwd. Zij dient dan ook in het verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de vrouw

De vrouw erkent dat de man de vader is van de kinderen. Zij is echter van mening dat de verzoeken dienen te worden afgewezen. Zij voert daartoe aan dat het verzoekschrift slechts is ingegeven door de wens van de man om van zijn financiële verplichtingen jegens haar af te komen.

De vrouw betwist dat zij niet in staat was de kinderen te verzorgen en op te voeden. Toen tijdens de zwangerschap de opvang van de kinderen niet optimaal verliep heeft zij de moeder van de man benaderd en die bleek in deze noodsituatie bereid de kinderen op te vangen.

Inmiddels verblijven de kinderen gewoon weer bij haar en gaan zij in [woonplaats vrouw] naar school.

Anders dan de man stelt heeft zij hem diverse malen verzocht de kinderen te erkennen maar hij weigerde dit om hem moverende redenen. Daarbij is het ook niet de man, maar zijn moeder die zich voor de kinderen inzet.

De vrouw heeft in het verleden altijd alle beslissingen alleen moeten nemen. Dit heeft nooit problemen gegeven. De situatie is nu stabiel. Als de man ook met het gezag belast zou worden moeten partijen met elkaar overleggen en kunnen er juist conflicten ontstaan.

De vrouw heeft een zelfstandig verzoek ingediend en daarbij verzocht de man te veroordelen om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen te betalen van in totaal € 2.500,-- per maand. Zij voert daartoe aan dat partijen bij het beëindigen van hun relatie hadden afgesproken dat de man alleen alle lasten van de gezamenlijke woning voor zijn rekening zou nemen en tijdig zou voldoen. De man komt deze afspraak echter niet na. De vrouw begroot de totale woonlasten op € 2.500,-- per maand en verzoekt dit bedrag als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan de man op te leggen.

Standpunt van mr. Bolt

Vaststaat dat de man de verwekker is van de minderjarigen. Het is in het belang van de minderjarigen dat dit ook juridisch wordt bevestigd. De minderjarigen hebben ook een goed contact met de man. Vanuit de school zijn zorgen gemeld over de minderjarigen ten tijde van hun verblijf bij de vrouw. Op school was men opgelucht dat de kinderen in [woonplaats man] verbleven.

Beoordeling

Met betrekking tot de erkenning

In beginsel kan de man niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder overgaan tot erkenning. Ingevolge artikel 1:204, derde lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan echter de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

Volgens vaste rechtspraak dient de rechtbank bij de belangenafweging als uitgangspunt te nemen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De wetgever heeft daarbij zoveel mogelijk willen aansluiten bij de biologische werkelijkheid.

Het belang van de erkenner bij totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen.

Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico's aanwezig zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

In deze procedure zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die de rechtbank aanknopingspunten geven voor het oordeel dat erkenning in strijd is met de belangen van de beide kinderen. De rechtbank zal de man dan ook vervangende toestemming tot erkenning verlenen.

Met betrekking tot het gezag en het hoofdverblijf

Overeenkomstig artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt wordt het verzoek slechts afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierbinnen afzienbare tijd verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Wettelijk uitgangspunt is dat ouders een gelijkwaardige positie innemen ten opzichte van hun minderjarige kinderen tenzij er sprake is van de hierboven bovenvermelde belemmeringen.

Op grond van de processtukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd is de rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om hierover op dit moment een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken te onderzoeken in hoeverre een gezagwijziging in het belang van de minderjarigen is te achten en bij dit onderzoek tevens het hoofdverblijf te betrekken.

De Raad wordt verzocht op de hierna te melden rolzitting de rapportage over te leggen. Na ontvangst van de rapportage worden partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren.

De rechtbank zal de zaak voor verdere afdoening verwijzen naar de enkelvoudige kamer en op basis van de stukken de beslissing geven tenzij zij een behandeling ter zitting noodzakelijk acht.

Met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

De vrouw heeft verzocht om de man te veroordelen om als bijdrage in de kosten van verzorging op voeding van de minderjarigen een bedrag van € 2.500,-- per maand te voldoen. De vrouw heeft dit verzoek echter op geen enkele wijze nader onderbouwd. De enkele stelling dat partijen hadden afgesproken dat de man onder de noemer van kinderalimentatie alle kosten van de voormalige gezamenlijke woning zou voldoen en dat hij dit nalaat, is voor toewijzing volstrekt onvoldoende. Te meer nu de man de gestelde afspraak heeft betwist. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

verleent [de man], toestemming om de minderjarige kinderen:

* [minderjarige 1], geboren [in 1998] te [geboorteplaats], en

* [minderjarige 2], geboren [in 2000] te [geboorteplaats]

te erkennen;

wijst af het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen te betalen van in totaal € 2.500,-- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere overige beslissing aan;

verzoekt de Raad een onderzoek in te stellen als hierboven omschreven en de rechtbank uiterlijk 7 februari 2012 van rapport en advies te dienen;

partijen dienen uiterlijk op de rolzitting van 21 februari 2012 schriftelijk te reageren op voornoemde rapportage;

verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de enkelvoudige kamer;

indien noodzakelijk zal de griffier van de rechtbank een nadere zittingsdatum bepalen.

Deze beschikking is gegeven door mrs D.A. Flinterman (voorzitter), P. Schadd-De Boer, en D.W.J. Vinkes en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van

4 oktober 2011, in aanwezigheid van mr. M.M. Verbeek, griffier.

mmv

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.