Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU3475

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
129463/KG ZA 11-309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Conflict tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van eer en goede naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/19

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 129463 / KG ZA 11-309

Vonnis in kort geding van 4 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PAGECENTRUM B.V.,

gevestigd te Stadskanaal,

eiseres,

advocaat mr. M.C.J. Freijters,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

in persoon procederende.

Partijen zullen hierna Pagecentrum en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• de dagvaarding,

• de mondelinge behandeling,

• de pleitnota van Pagecentrum,

• de wijziging van eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Pagecentrum heeft in de periode van 8 tot 10 oktober 2010 een gedeelte van haar sportcentrum te Stadkanaal (Pagedal) verhuurd aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft in het gehuurde een woon-, werk- en leefbeurs georganiseerd.

2.2. In december 2010 heeft [gedaagde] bij Pagecentrum - althans haar directeur [A] - geïnformeerd naar de mogelijkheden om in 2011 wederom een beurs te organiseren. Pagecentrum heeft kenbaar gemaakt niet bereid te zijn om het centrum te verhuren en voorts dat zij voornemens is zelf een consumentenbeurs te organiseren.

2.3. In een e-mail van 12 juli 2011 heeft [gedaagde] aan [A] geschreven:

Geachte heer [A], beste [A],

n.a.v. ons gesprek 4 juli jl. zou u terugkomen op het “gentle agreement”. Kortom, zoals gezegd in het gesprek zijn er door ons kosten gemaakt en is er een behoorlijke omzetderving. Graag verneem ik vandaag van u wat de conclusie is van uw gesprek met uw collega in deze. Wij hopen op een passend voorstel.

2.4. In een e-mail van 15 juli 2011 heeft [A] aan [gedaagde] geschreven:

In aansluiting op ons gesprek van 4 juli jl. heb ik e.a. besproken deze week.

Pagedal is al enige tijd bezig om deelnemers te werven voor de Woon & Leef beurs 2011

Op dit moment zijn wij daar nog druk mee bezig, eind juli weten we of er voldoende deelnemers zijn om deze beurs te organiseren. Veel deelnemers uit 2010 doen niet mee omdat de beurs hun in 2010 teveel gekost heeft en weinig tot niets opgeleverd heeft. Men geeft aan dat de beurs een goede uitstraling had maar dat er veel te weinig bezoekers waren. Eind juli nemen wij besluit of er voldoende deelnemers zijn en de beurs eind september doorgang kan vinden.

Als de beurs door gaat dan is Pagedal bereid om [gedaagde] een vergoeding te betalen van E 750,00. Als Pagedal tot de conclusie moet komen dat er ook dit jaar te weinig draagvlak is om de beurs te organiseren, dan zien wij ook geen reden om [gedaagde] een vergoeding te betalen.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. De komende weken gaan wij verder met het benaderen van potentiële partijen. Wij zullen u eind juli informeren over het besluit. Indien de beurs doorgang vindt zullen wij vervolgens E 750,00 overmaken naar [gedaagde].

2.5. Op 5 augustus 2011 heeft [gedaagde] aan [A] geschreven:

U kunt het bedrag overmaken op bankrekeningnummer [nummer]

Hiermee een einde komend aan de negatieve en vervelende sfeer.

Wij wensen u veel succes met de organisatie van de beurs.

2.6. Bij e-mail van 3 oktober 2011 heeft [gedaagde] aan [A] geschreven (voor zover hier van belang):

(…) U probeert uw Sporthal te verhuren. Een evenement organiseren is een vak, een veelzijdig vak wat niet iedereen kan. U ook niet blijkt! Wij wel, is gebleken en blijkt nog steeds! Wij hadden de beurs er staan. U hebt deze onrechtmatig afgepakt diefstal noemt men dat, en niet alleen in de volksmond. U hebt ons bestolen van omzet en aanwijsbare winst. U dacht dit geld zelf te kunnen verdienen. U was bezig met zelfverrijking ten koste van ons, alleen u vergat dat een beurs organiseren een vak is. U hebt ons alles afgepakt en opgezadeld met kosten, dat gaat niet ongemoeid!

Als u ons de kosten (morgen) niet vergoedt:

- Gaat er per direct een glasheldere mail/tweed, met bewijsstukken van uw discutabele

werkwijze naar de gemeente Stadskanaal, B & W Stadskanaal, het bedrijfsleven, weekbladen en DvhN, Twitter, Facebook, en Linkedin

- Zullen wij alle geleden schade op u verhalen.

Wilt u dit voorkomen, moet de vergoedingsom voor 17.00 uur op onze rekening staan, zoals u aangaf kent u het rekeningnummer.

Met vriendelijke groet,

[gedaagde]

2.7. Op 4 oktober 2011 heeft de raadsman van Pagecentrum [gedaagde] gesommeerd om publicaties achterwege te laten. [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt dat hij geen gehoor wenst te geven aan deze sommatie.

3. Het geschil

3.1. Pagecentrum vordert (na wijziging eis) bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te gebieden om zich te onthouden van het doen van uitlatingen die de naam van Pagecentrum en Pagedal in een kwaad daglicht stellen, meer in het bijzonder door zich te onthouden van het naar buiten brengen van informatie - waaronder het sturen van een mail/tweed naar de gemeente Stadskanaal, B&W Stadskanaal, het bedrijfsleven, weekbladen en Dagblad van het Noorden, Twitter, Facebook en Linkedin - waarin Pagecentrum en/of Pagedal negatief wordt afgeschilderd c.q. waarin door [gedaagde] kwalificaties worden gebruikt als “diefstal”, “onrechtmatig”, “zelfverrijking”, “afgepakt”, “bestelen” of woorden van gelijke strekking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding en € 1.000,00 per dag dat een overtreding voortduurt en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. Pagecentrum heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft niets van Pagecentrum te vorderen. De financiële gevolgen van de beurs van 2010 zijn vereffend. Tussen partijen zijn geen bindende afspraken gemaakt met betrekking tot de organisatie van een tweede beurs door [gedaagde]. Indien Pagedal mocht overgaan tot de organisatie van een consumentenbeurs zal zij, overeenkomstig de daartoe gemaakte afspraken, [gedaagde] compenseren door betaling van een bedrag van € 750,00. Pagecentrum heeft niet onrechtmatig gehandeld door zelf een beurs te organiseren. Er is geen grond aanwezig op basis waarvan [gedaagde] zich met vrucht op schadevergoeding kan beroepen. De door [gedaagde] in zijn e-mail van 3 oktober 2011 aangekondigde uitlatingen missen iedere rechtvaardiging. Het doen van die uitlatingen zou onrechtmatig zijn jegens Pagecentrum. Teneinde te voorkomen dat de eer en goede naam van Pagecentrum wordt aangetast heeft zij een (spoedeisend) belang bij het gevorderde verbod.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij heeft in 2010 een beurs georganiseerd. Bij de organisatie van de eerste beurs is door hem het voornemen uitgesproken om het concept in de toekomst enkele malen te herhalen. De beurs is goed bezocht en tijdens de evaluatie - waarbij alle betrokkenen aanwezig waren - is ook vastgesteld dat de organisatie ervan voor herhaling vatbaar was. In maart 2011 ontving [gedaagde] het bericht van Pagecentrum dat zij voornemens was zelf een soortgelijke beurs te organiseren. [gedaagde] voelde zich daardoor gefrustreerd en bestolen. Hij had immers geïnvesteerd in de opzet en organisatie van deze beurs. Uiteindelijk zijn partijen overeengekomen dat Pagecentrum ter vergoeding van deze investeringen een bedrag van € 750,00 zou voldoen. [gedaagde] blijft evenwel gefrustreerd over de handelwijze van Pagecentrum en voelt de behoefte om een en ander ter inlichting en waarschuwing naar buiten te brengen via ondermeer de media. Hij zegt toe dat hij daartoe enkel genuanceerde bewoordingen zal bezigen en zich zal onthouden van kwalificaties als diefstal en bestelen of woorden van gelijke strekking.

4. De beoordeling

4.1. Uitgangspunt is dat de vordering van Pagecentrum in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van eer of goede naam - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

4.2. Het belang van [gedaagde] is er in gelegen dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over zijn ervaringen met Pagecentrum. Het belang van Pagecentrum is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en/of voor haar ongewenste publiciteit omtrent (kort gezegd) de wijze waarop zij zich in het economische verkeer manifesteert. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij speelt een rol de vraag of de voorgenomen uitlatingen van [gedaagde] op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.

4.3. Bij de beantwoording van de vraag of de voorgenomen beweringen van [gedaagde] op waarheid berusten, dient te worden uitgegaan van voornoemde vaststaande feiten. [gedaagde] heeft in 2010 een beurs georganiseerd waartoe hij de hal van Pagecentrum heeft gehuurd. Pagecentrum heeft in 2011 desgevraagd laten weten de hal niet opnieuw aan hem te verhuren en voorts dat zij de organisatie van een (nagenoeg) soortgelijke beurs zelf ter hand heeft genomen. Dat een dergelijke werkwijze van Pagecentrum op het eerste gezicht niet de schoonheidsprijs verdient behoeft geen toelichting. Evenwel staat het in beginsel een ieder vrij om zich in het economische verkeer te bewegen op de wijze zoals Pagecentrum dat heeft gedaan. Voorshands is in elk geval niet gebleken van enige contractuele verhouding op grond waarvan Pagecentrum zich van dit handelen had moeten onthouden. Of - en in hoeverre - [gedaagde] met betrekking tot het door hem ontwikkelde concept op enigerlei wijze rechten geldend kan doen maken gaat het beperkte bestek van deze procedure te buiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken van enig onrechtmatig handelen van Pagecentrum jegens [gedaagde].

4.4. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [gedaagde] met het in de (sociale) media doen van de voorgenomen uitspraken op de wijze als in de e-mail van 3 oktober 2011 omschreven, de grenzen van de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid zal overschrijden. Door [gedaagde] te bezigen kwalificaties als diefstal, stelen en onrechtmatig ontberen voldoende feitelijke grondslag. Het algemeen belang pleegt ook niet te worden gediend met het doen van beschuldigingen waarvoor geen of onvoldoende onderbouwing is gebleken. Het doen van deze uitspraken zou derhalve in de gegeven omstandigheden onrechtmatig zijn jegens Pagecentrum.

4.5. Gezien het voorgaande dient [gedaagde] zich te onthouden van de kwalificaties diefstal, stelen en onrechtmatig of woorden van gelijke strekking. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] reeds toegezegd dat hij deze woorden niet zal gebruiken. De vordering ligt in zoverre voor toewijzing gereed. De aan de veroordelingen te verbinden dwangsommen worden toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven.

4.6. Daar waar Pagecentrum heeft gevorderd [gedaagde] te gebieden om - naar de voorzieningenrechter begrijpt - zich in algemene zin te onthouden van het doen van uitlatingen die de naam van Pagecentrum in een kwaad daglicht kan stellen, zal die ruim geformuleerde vordering worden afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het [gedaagde] vrij om verslag aan derden te doen van zijn ervaringen met Pagecentrum en deze wereldkundig te maken via (sociale) media. De begrippen afpakken en zelfverrijking zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarbij niet ontoelaatbaar zolang zij niet in de uitdrukkelijke context van wederrechtelijkheid of onrechtmatigheid worden gebruikt. Een belangenafweging, zoals hiervoor onder 4.2 bedoeld, valt thans dan ook in het voordeel uit van [gedaagde]. Hij handelt voorshands niet onrechtmatig door verslag te doen van zijn ervaringen met Pagecentrum, ook niet indien de teneur van die ervaringen een negatieve is. Toewijzing van deze ruim geformuleerde vordering zou e en ontoelaatbare inperking op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] te weeg brengen en zou de waarborgen die in artikel 10 lid 2 EVRM zijn gesteld met voeten treden.

4.7. In het feit dat partijen beide op punten in het ongelijk zijn gesteld ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [gedaagde] om het handelen van Pagecentrum of Pagedal in een mail en/of tweed naar de gemeente Stadskanaal, B&W Stadskanaal, het bedrijfsleven, weekbladen, Dagblad van het Noorden, Twitter, Facebook en Linkedin te kwalificeren als diefstal, onrechtmatig of bestelen ofwel daarin kwalificaties van gelijke strekking te bezigen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding van dit verbod, met een maximum van alle in totaal te verbeuren dwangsommen van € 10.000.00,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2011.?

rh