Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU3462

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
129640/HA RK 11-343
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking op grond van bejegening ter zitting en dat volgens verzoeker een gerechtsauiteur geen echte rechter is.

Wrakingsverzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

MEERVOUDIGE KAMER

Registratienummer: 129640 HA RK 11-343

Datum beslissing: 26 oktober 2011

Beslissing op het schriftelijke verzoek van [naam], wonende te [woonplaats], [adres] (hierna: verzoeker) tot wraking ingevolge art. 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van mr. A.W. Wassink.

1. Procesgang

1.1. Bij brief van 12 oktober 2011 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. A.W. Wassink, gerechtsauditeur / rechter-plaatsvervanger in de sector bestuursrecht van deze rechtbank, in een aanhangig geschil waarin verzoeker als partij is betrokken (met zaak¬num¬mers AWB 11/688 WWB G, AWB 11/690 en AWB 11/691 WWB G).

1.2. Mr. Wassink heeft bij brief van 14 oktober 2011 laten weten niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.3. Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. L.H.A.M. Voncken en mr. G. Tangenberg.

1.4. Op 25 oktober 2011 heeft verzoeker een schriftelijke reactie op de onder r.o. 1.2. vermelde brief van mr. Wassink gegeven.

1.5. Op 26 oktober 2011 is het verzoek tot wraking van mr. Wassink door de wrakings¬kamer ter zitting behandeld. Verzoeker is, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen. Mr. Wassink is wel ter zitting verschenen.

2. De beoordeling

2.1. Ingevolge art. 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 8:16, eerste lid, Awb wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Ontvankelijkheid

2.2. Mr. Wassink heeft zich in zijn brief van 14 oktober 2011 op het standpunt gesteld dat de door ver¬zoeker aangevoerde wrakingsgronden aan verzoeker reeds grotendeels voor de sluiting van het onderzoek ter zitting, op 11 oktober 2011, bekend waren. Door desondanks eerst op 12 oktober 2011 onderhavig verzoek tot wraking in te dienen heeft verzoeker niet voldaan aan het in art. 8:16, eerste lid, Awb bepaalde, waar¬door een (inhoudelijke) beoor¬deling van de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden achter¬wege kan blijven.

2.3. De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat een verzoek tot wraking in beginsel in elke stand van de procedure kan worden gedaan, derhalve ook na afloop van de behandeling ter zitting. Het verzoek moet wel gedaan worden vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigend. Desgevraagd heeft mr. Wassink ter zitting van 26 oktober 2011 verklaard dat in de zaken waarop het onderhavige verzoek tot wraking ziet nog geen einduitspraak is gewezen.

2.4. De rechtbank stelt voorts vast dat de zaken waarin verzoeker mr. Wassink heeft gewraakt, door mr. Wassink zijn behandeld op de zitting van 11 oktober 2011, waarna ver¬zoeker, na sluiting van het onderzoek ter zitting, op 12 oktober 2011 onderhavig verzoek tot wraking heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van mr. Wassink dat verzoeker aldus niet heeft voldaan aan het in artikel 8:16, eerste lid, Awb bepaalde berust op een te strikte lezing van deze bepaling. De rechtbank acht verzoeker derhalve ontvankelijk in het door hem ingediende verzoek.

Beoordeling

2.5. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdig¬heid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM als uit¬gangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aan¬wijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

2.6. Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking gebaseerd op de stelling dat mr. Wassink zich vooringenomen en partijdig heeft getoond, hetgeen zou blijken uit:

(1) de omstandigheid dat mr. Wassink verzoeker ondanks zijn medische situatie heeft

opgeroepen ter zitting van 11 oktober 2011 te verschijnen,

(2) de omstandigheid dat mr. Wassink verzoeker ter zitting niet heeft laten uitspreken en aan

de wederpartij, de heer [A], meer spreektijd heeft gegeven dan aan verzoeker,

(3) de omstandigheid dat voornoemde [A] na de behandeling ter zitting door de

parketpolitie ‘als een vorst uit het gebouw werd geleid’, en

(4) de omstandigheid dat mr. Wassink als gerechtsauditeur geen echte rechter is en derhalve te licht is om over de op 11 oktober 2011 behandelde zaken te oordelen.

2.7. De rechtbank stelt met betrekking tot de eerste wrakingsgrond vast dat verzoeker heeft nagelaten de aard en ernst van zijn medische situatie nader te duiden en door middel van feiten en omstandigheden van een deugde¬lijke onderbouwing te voorzien. Deze wrakingsgrond kan daarom niet tot toewijzing van het verzoek leiden.

2.8. De rechtbank stelt met betrekking tot de tweede wrakingsgrond vast dat verzoeker zijn stelling dat mr. Wassink hem op de zitting van 11 oktober 2011 niet heeft laten uit¬spreken en aan de wederpartij meer spreektijd heeft gegeven, niet nader heeft toegelicht of onderbouwd.

Ter zitting op 26 oktober 2001 heeft mr. Wassink deze door verzoeker ingenomen stelling weersproken en desgevraagd verklaard dat op de zitting van 11 oktober 2011 aan beide partijen voldoende gelegenheid is geboden hun standpunt naar voren te brengen. Nu ook te dezen aanzien niet van een andere feitelijke toedracht blijkt, kan deze wrakingsgrond even¬min tot toewijzing van het verzoek leiden.

2.9. Met betrekking tot de derde wrakingsgrond heeft mr. Wassink ter zitting op 26 oktober 2011 desgevraagd verklaard dat bij de zitting op 11 oktober 2011 geen parketpolitie aanwezig was en dat hij geen bemoeienis heeft gehad met de wijze waarop de heer [A] het gerechtsgebouw heeft verlaten. De rechtbank is tegen deze achtergrond van oordeel dat deze wrakingsgrond, wat van de feitelijke juistheid daarvan verder ook zij, niet kan leiden tot toewijzing van het verzoek omdat mr. Wassink geen invloed op de wijze waarop de heer [A] de rechtbank heeft verlaten, heeft gehad.

2.10. De vierde wrakingsgrond kan evenmin leiden tot toewijzing van het verzoek, omdat deze is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat mr. Wassink als gerechtsauditeur / rechter-plaatsvervanger niet als rechter in de rechtbank Groningen werkzaam is.

2.11. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de door verzoeker aange¬voerde feiten en omstandigheden er niet toe leiden dat geconcludeerd moet worden dat

mr. Wassink zich vooringenomen of partijdig heeft getoond of bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor heeft kunnen doen ontstaan. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de rechter¬lijke onpartijdigheid schade zouden kunnen doen lijden, moet de conclusie zijn dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. Wassink af,

3.2. bepaalt dat het proces in hoofdzaken (met zaaknummers AWB 11/688 WWB G, AWB 11/690 en AWB 11/691 WWB G) wordt voortgezet in de stand waarin dit zich bevond ten tijde van het indienen van het schriftelijke verzoek tot wraking;

3.3. beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mr. Wassink en de Gemeente Groningen (SOZAWE).

Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. L.H.A.M. Voncken, en mr. G. Tangenberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Beuker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.

typ: chb