Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU3203

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/649 en 11/678 WW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX5296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat met de aanvraag van 5 november 2009 geen sprake is van de uitbreiding van een reeds bestaand kantoor. De uitbreiding van het bestaande kantoor vindt immers plaats conform aanvraag 200905800. De thans aan de orde zijnde aanvraag (200906826) betreft de plaatsing van een geheel nieuw kantoor c.q. gebouw, dat zal worden opgericht achter het bestaande kantoor. Tussen het bestaande kantoor en het nieuwe kantoor zal vervolgens een onbebouwd binnenterrein zijn gelegen en de kantoren zullen worden verbonden middels een loopbrug. De voorgevel van het nieuwe kantoor zal, zo heeft de rechtbank waargenomen tijdens de descente op 6 oktober 2011, geheel achter de bouwgrens komen te liggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stellen eisers terecht dat het bouwplan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften. In dat geval kan verweerder afwijken van het bestemmingsplan door te bezien of gebruik kan worden gemaakt van zijn wijzigingsbevoegdheid (artikel 10), conform de in artikel 11 vermelde procedureregels. Niet kan worden volstaan met een middels artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften verleende vrijstelling.

De rechtbank ziet geen aanleiding de planvoorschriften van een ruime uitleg te voorzien. Beroep gegrond en herroeping primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: 11/649 en 11/678 WW44

Uitspraak in het geschil tussen

1. [eiseres], wonende te Groningen [adres] eiseres,

gemachtigde: mr. T. van der Weijde, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand,

2. [eiser] wonende te Groningen [adres],

3. [eiser], wonende te Groningen [adres],

4. [eiser] wonende te Groningen [adres],

5. [eiser], wonende te Groningen [adres],

6. [eiser], wonende te Groningen [adres],

7. [eiseres], wonende te Groningen [adres],

8. [eiser], wonende te Groningen [adres]

9. [eiser], wonende te Groningen [adres]

10. [eiser], wonende te Groningen [adres],

11. [eiser], wonende te Groningen [adres],

12. [eiser], wonende te Groningen [adres],

13. [eiser], wonende te Groningen [adres],

hierna te noemen: eisers,

gemachtigde: [eiser]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Kammenga, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Inzake 11/649 WW44

Eiseres sub 1 heeft op 27 juni 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van 27 mei 2011. In dit bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 10 december 2010 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat aan de heer S. Monteban een bouwvergunning onder ontheffingen, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) alsmede artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening, is verleend ten behoeve van het plaatsen van een kantoor op het perceel Hofstraat 16 te Groningen.

Inzake 11/678 WW44

Eisers sub 2 tot en met 13 hebben op 5 juli 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van 27 mei 2011. In dit bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit van 10 december 2010 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

2. Zitting

De geschillen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 11 oktober 2011.

Eiseres sub 1 is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Eisers sub 2 tot en met 13 werden aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigde en

[de man].

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde en

mw. K. Tiggelaar.

Als vergunninghouder is verschenen [de man] vergezeld door de architecten

[de man]

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en zaaksverloop

Vergunninghouder houdt kantoor aan de Hofstraat 16 en heeft van verweerder een bouwvergunning gekregen voor de uitbreiding van het bestaande kantoor (aanvraag 200905800). Daarnaast wil vergunninghouder een kantoor oprichten aan de achterkant van het bestaande kantoor (aanvraag 200906826).

Namens vergunninghouder is op 5 november 2009 aanvraag 200906826 ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op een reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van eerder genoemd kantoor op het binnenterrein van perceel 6151 en het realiseren van een loopbrug tussen het bestaande kantoor en het nieuw te plaatsen kantoor.

Verweerder heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan de Commissie voor de Welstandszorg van de gemeente Groningen (hierna: de welstandscommissie). De commissie heeft positief geadviseerd met betrekking tot het bouwplan.

Bij brief van 23 februari 2010 heeft verweerder aan vergunninghouder medegedeeld dat de bouwvergunning slechts verleend kan worden nadat een ontheffing van het vigerende bestemmingsplan ‘Binnenstad 1995’ (hierna: het bestemmingsplan) is verleend. In deze brief heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn ontheffing te verlenen van artikel 6, derde lid (bebouwingspercentage en vloerindex), van artikel 6, zesde lid (loopbrug) van de planvoorschriften van het bestemmingsplan en artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening. Het ontwerpbesluit heeft met ingang van 5 maart 2010 gedurende zes weken ter inzage gelegen.

Namens eisers sub 2 tot en met 13 is bij brief van 8 april 2010 een zienswijze tegen het ontwerpbesluit bij verweerder ingediend.

Bij primair besluit van 10 december 2010 heeft verweerder aan vergunninghouder, onder ontheffingen, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wro en artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, alsmede artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening, een bouwvergunning verleend ten behoeve van het plaatsen van een kantoor op het perceel Hofstraat 16 te Groningen. Volgens verweerder is ontheffing voor de loopbrug niet meer nodig.

Namens eiseres sub 1 is bij brief van 18 januari 2011 een bezwaarschrift tegen dit besluit bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 15 februari 2011 bij verweerder ingediend.

Namens eisers sub 2 tot en met 13 is bij brief van 19 januari 2011 een bezwaarschrift tegen dit besluit bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 14 februari 2011 bij verweerder ingediend.

Op 8 maart 2011 heeft de welstandscommissie een nader advies uitgebracht. In dit nadere advies komt de welstandscommissie tot de conclusie dat de bouwinitiatieven passen binnen het gemeentelijk welstandsbeleid en zodoende niet strijdig zijn met redelijke eisen van welstand.

Eisers zijn in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie), van welke gelegenheid gebruik is gemaakt tijdens de hoorzitting van 21 maart 2011. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De commissie heeft verweerder bij brief van 2 mei 2011 geadviseerd het bezwaarschrift van eiseres sub 1 ongegrond te verklaren en het primaire besluit te handhaven. In deze brief heeft de commissie verweerder tevens geadviseerd het bezwaarschrift van eisers sub 2 tot en met 13 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder onder overneming van het advies van de commissie de bezwaren van eisers deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij brief van 9 september 2011 een verweerschrift ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:50, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank een descente (onderzoek ter plaatse) gelast op donderdag 6 oktober 2011. Naar aanleiding van de descente is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en in afschrift aan partijen gezonden.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid aanhef en onder b, van de Woningwet mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts geweigerd worden, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag en moet de reguliere bouwvergunning, voor zover thans van belang, slechts geweigerd worden, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels van bij het plan aan te geven regels ontheffing kunnen verlenen.

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

Het perceel, waarop de bouwaanvraag betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan ‘Binnenstad 1995’ en heeft de bestemming ‘Stadscentrum’.

In hoofdstuk 5 van het bestemmingsplan (pagina 32) is de centrale doelstelling voor de binnenstad vermeld. Hierbij is onder meer het volgende genoemd:

‘De binnenstad kenmerkt zich als geen ander stadsdeel door zijn veelkleurigheid aan functies en activiteiten. Aan die multifunctionaliteit ligt een sterke dynamiek ten grondslag, een continue ontwikkeling die een weerspiegeling vormt van het tijdsbeeld. Het is de essentie van de levendigheid van de binnenstad. In sociale- en culturele termen gaat het om het creëren van een verscheidenheid aan woon-, werk- en verblijfsfuncties. (…) Al jarenlang is het beleid in de binnenstad dan ook gericht op handhaving van de verscheidenheid en menging van stedelijke functies. Dat beleid wordt met dit bestemmingsplan onverkort voortgezet. (…) Nieuwe ontwikkelingen moeten worden ingepast met respect voor de bestaande stad.’

Op pagina 48 van het bestemmingsplan is onder het kopje ‘Versterking woonfunctie’ onder meer het volgende vermeld:

‘Voorkomen moet worden dat andere binnenstadsfuncties de woonfunctie frustreren en aantasten.’

Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden, die op de plankaart zijn aangegeven als ‘Stadscentrum (SC)’, bestemd voor: wonen, onderwijs, detailhandel, horeca, sociaal-culturele voorzieningen, bedrijven, groothandel en dienstverlening, alsmede bij de doeleinden behorende additionele voorzieningen, zoals: bergingen en andere nevenruimten, al dan niet gebouwde parkeervoorzieningen, tuinen en erven met inbegrip van daarbij behorende voet- en fietspaden.

De gronden, op de plankaart aangegeven als ‘Stadscentrum (SC)’, zijn tevens bestemd voor verkeers- en verblijfsdoeleinden, alsmede bij deze doeleinden behorende additionele voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.2, aanhef en onder g, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan is de bestemming groenvoorziening mede gericht op handhaving van de stedebouwkundige of ecologische betekenis alsmede de belevingswaarde van de tuinaanleg (…) en van de boombeplanting op binnenterreinen, een en ander voor zover gronden op de kaart Hoofdgroenstructuur zijn aangeduid als ‘tuinen’ en ‘verborgen groen’.

In artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften is het volgende opgenomen:

‘De bebouwing uitsluitend mag worden opgericht binnen de op de kaarten A t/m D aangegeven bouwgrenzen. De voorgevel van de bebouwing dient ononderbroken in de bouwgrens [dient] te liggen.’

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan dienen de bebouwingseisen zoals aangegeven op de kaarten A tot en met D ten aanzien van bebouwingspercentage, vloerindex, aantal bouwlagen en korrelgrootte in acht te worden genomen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 6, derde lid, in die zin, dat:

- het maximum aantal bouwlagen met 1 mag worden verhoogd en het minimum aantal bouwlagen met 1 mag worden verlaagd;

- het bebouwingspercentage met het getal 10 mag worden verhoogd;

- de vloerindex met een percentage van 20 mag worden verhoogd;

- het getal van de korrelgrootte maximaal mag worden verdubbeld of gehalveerd.

In artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften is onder meer het volgende opgenomen:

‘Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 van deze voorschriften het bestemmingsplan te wijzen. De wijziging betreft: (…)

* het wijzigen van de bouwgrenzen, waaronder mede wordt verstaan het niet ononderbroken bouwen in de bouwgrens, behorende bij de stedebouwkundige structuur van de 1º orde; met dien verstande, dat de bouwgrens in hoofdlijn gevolgd dient te worden: er mag slechts gedeeltelijk achter gebouwd worden; (…).’

In artikel 11, van de planvoorschriften is onder meer opgenomen dat verweerder bij toepassing van de wijzigingsbevoegheden als bedoeld in artikel 10 het ontwerp-wijzigingsplan met bijbehorende stukken gedurende vier weken ter inzage legt.

Op de plankaart is te zien dat het perceel aan de Hofstraat 16 is gelegen binnen de 1e orde.

Op bebouwingskaart B is de bouw- en differentiatiegrens ingetekend.

3.3 Overwegingen

In formeel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het bezwaarschrift, voor zover dat mede is ingediend namens [eiser] [adres] en [eiser] [adres], niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien beiden niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat vanuit de woningen van de vorenbedoelde personen geen zicht bestaat op het kantoor, waarop de verleende bouwvergunning betrekking heeft, in verband met de aanwezigheid van het kerkgebouw op het perceel Hofstraat 28.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge een uitspraak van 10 juni 1999 van de ABRS, gepubliceerd in AB 2000/19, behoort een natuurlijk persoon in beginsel tot de categorie belanghebbenden als de werking van het betreffende besluit hem, doordat hij in de directe omgeving woont van het onderwerp van het besluit, rechtstreeks in zijn belangen treft. Het zichtcriterium is daarbij een hulpmiddel.

Uit een uitspraak van 12 september 2001 van de ABRS, gepubliceerd in AB 2002/172, volgt dat teneinde als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, een persoon een hem persoonlijk aangaand belang dient te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen.

Voorts dient uit vaste jurisprudentie van de ABRS, onder meer kenbaar uit een uitspraak van 22 september 2004 (AB 2004/355, LJN:AR2516), te worden afgeleid dat onder ruimtelijke uitstraling in het algemeen dient te worden verstaan de waarneembare invloed die de te vergunnen werkzaamheden zal hebben op de omgeving.

Nu verweerder heeft vastgesteld dat [betrokkene] geen zicht hebben op de geplande nieuwbouw op het perceel Hofstraat 16 te Groningen, deze vaststelling wordt gestaafd middels een overgelegde kaart en eisers deze vaststelling niet dan wel onvoldoende hebben bestreden, gaat de rechtbank uit van de juistheid van verweerders conclusie.

Hieruit volgt dat [betrokkene] niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. In zoverre heeft verweerder het bezwaarschrift, voor zover dat mede is ingediend namens vorenbedoelde personen, naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden is het beroep van eisers sub 2 tot en met 13 in zoverre ongegrond.

Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht en op juiste gronden een bouwvergunning onder ontheffingen, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro alsmede artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening, heeft verleend aan vergunninghouder ten behoeve van het plaatsen van een kantoor op het voornoemde perceel te Groningen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft de gronden van beroep ter zitting gezamenlijk besproken en eisers hebben elkaar over en weer aangevuld. De rechtbank zal de gronden van eisers dan ook gezamenlijk bespreken.

Eisers betogen dat het bouwplan in strijd komt met artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, aangezien het kantoorgebouw op het perceel Hofstraat 16 niet wordt opgericht met de voorgevel op de ononderbroken lijn op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan. Om die reden had de bouwvergunning niet afgegeven mogen worden, aldus eisers.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift van 9 september 2011 op het standpunt dat het bouwplan voorziet in een uitbreiding van het kantoor op het perceel Hofstraat 16 en dat de voorgevel van het kantoor gelegen is op de op de plankaart aangegeven bouwgrens. Naar de mening van verweerder is er dan ook geen sprake van strijdigheid met artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften volgt dat voorgevels ononderbroken in de bouwgrens dienen te liggen.

Uit de plankaart volgt dat het te bebouwen perceel aan de Hofstraat 16 is gelegen binnen de 1e orde. Uit bebouwingskaart B volgt voorts dat het huidige kantoor de gehele bouwgrens voor het desbetreffende perceel bestrijkt.

Nu in de planvoorschriften een definitie van het begrip ‘voorgevel’ ontbreekt zal de rechtbank voor de uitleg van dit begrip aansluiting zoeken bij de in Van Dales Groot woordenboek opgenomen definitie, te weten: ‘de gevel aan de voorzijde van een gebouw’ (zie ook: ABRS, 22 december 2010, 201003614/1/H1, r.o. 2.3.1). Volgens artikel 1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat met de aanvraag van 5 november 2009 geen sprake is van de uitbreiding van een reeds bestaand kantoor. De uitbreiding van het bestaande kantoor vindt immers plaats conform aanvraag 200905800. De thans aan de orde zijnde aanvraag (200906826) betreft de plaatsing van een geheel nieuw kantoor c.q. gebouw, dat zal worden opgericht achter het bestaande kantoor. Tussen het bestaande kantoor en het nieuwe kantoor zal vervolgens een onbebouwd binnenterrein zijn gelegen en de kantoren zullen worden verbonden middels een loopbrug. De voorgevel van het nieuwe kantoor zal, zo heeft de rechtbank waargenomen tijdens de descente op 6 oktober 2011, geheel achter de bouwgrens komen te liggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stellen eisers terecht dat het bouwplan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften. In dat geval kan verweerder afwijken van het bestemmingsplan door te bezien of gebruik kan worden gemaakt van zijn wijzigingsbevoegdheid (artikel 10), conform de in artikel 11 vermelde procedureregels. Niet kan worden volstaan met een middels artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften verleende vrijstelling.

De rechtbank ziet geen aanleiding de planvoorschriften van een ruime uitleg te voorzien.

Vooropgesteld moet worden dat de bedoeling van de planwetgever bepalend is en niet de uitleg die verweerder voorstaat (zie ook: ABRS, 16 juli 2008, 200708076/1, r.o. 2.3.1 en ABRS 2 december 2009, LJN:BK5072). Daarnaast kan de bedoeling van de planwetgever niet afdoen aan hetgeen in de planvoorschriften ondubbelzinnig is bepaald (ABRS 18 februari 2009, LJN:BH3227).

Voorts acht de rechtbank van belang dat omwonenden moeten kunnen vertrouwen op hetgeen in de planvoorschriften en de plankaart is opgenomen. Zo valt niet uit te sluiten dat

belanghebbenden waren opgekomen tegen het vigerende bestemmingsplan of hadden afgezien van koop van hun woning, indien het planvoorschrift ‘in of achter’ had geluid

(zie voor een dergelijk planvoorschrift: ABRS 16 maart 2005, LJN:AT0585 en ABRS

12 november 2008, LJN: BG4054, r.o. 2.2).

Een dergelijke bepaling vergroot immers de bebouwingsmogelijkheden en mogelijk hadden belanghebbenden in dat geval bij de ABRS willen betogen dat een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het creëren van de mogelijkheid binnen de 1e orde een tweede kantoor op een binnenterrein te plaatsen.

Tot slot is evenmin uit te sluiten dat belanghebbenden niet zijn opgekomen tegen het bestemmingsplan uit 1995 omdat uit de planvoorschriften volgt dat verweerder voor een bouwplan als het onderhavige gebruik dient te maken van zijn wijzigingsbevoegdheid. Mogelijk hebben belanghebbenden hierin afdoende rechtsbescherming gezien om op te komen tegen plannen als de onderhavige.

Een andere uitleg zou afbreuk doen aan de rechtszekerheid.

Dit brengt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Gelet op de voorgaande overwegingen heeft verweerder met de op artikel 7 gebaseerde binnenplanse ontheffing de strijdigheid met artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan niet opgeheven, zodat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet zich voordoet en de bouwvergunning geweigerd had moeten worden. In zoverre berust het bestreden besluit dan ook op een onjuiste wettelijke grondslag. Om die reden is het beroep van eisers gegrond. Nu aan de op 10 december 2010 verleende bouwvergunning hetzelfde gebrek kleeft, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 10 december 2010 te herroepen.

De door eisers aangevoerde gronden met betrekking tot de loopbrug, de constructieve bevestiging van de loopbrug, het behoud van de Paardekastanje uit 1915 en de Beuk uit 1855, de bij de Hofstraat behorende functiebijlage, de differentiatiegrens, de zonstudie, het bestaan van alternatieven, de gemaakte belangenafweging en het ontbreken van de in artikel 13 van de Erfgoedverordening voorgeschreven vergunning, behoeven, gelet op het vorenstaande, thans geen bespreking meer. Verweerder dient al deze gronden, en eventueel aanvullende gronden, immers eerst af te zetten tegen de vraag of hij gebruik kan en wenst te maken van de in artikel 10 opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Die toets is een andere dan de vraag of gebruik wordt gemaakt van de in artikel 7 van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsvoorschriften.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eisers te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursprocesrecht kunnen de proceskosten van eiseres sub 1 begroot worden op € 1.748,-- (2 punten in bezwaar en 2 punten in beroep) in verband met door een derde verleende, professionele rechtshulp. Voor wat betreft eisers sub 2 tot en met 13 is de rechtbank niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres sub 1 betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,-- aan haar dient te vergoeden. Voorts bestaat er aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers 2 tot en met 13 betaalde griffierecht ad € 152,-- aan hen dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep, voor zover het mede is ingediend namens [eiser] en [eiser] (eiser 12 en 13), ongegrond;

- verklaart het beroep van eisers sub 2 tot en met 11 gegrond;

- verklaart het beroep van eiseres sub 1 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres sub 1 ten bedrage van

€ 1.748,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede het door eiseres sub 1 betaalde griffierecht ad € 152,-- aan haar dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het door eisers sub 2 tot en met 13 betaalde griffierecht ad € 152,-- aan hen dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2011.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag

Afschrift verzonden op:

typ: hvk