Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU3199

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/1138 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitzendonderneming sluit uitzendovereenkomst Fase A met uitzendkracht en wijkt daarbij (in artikel 7) af van de door de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) opgestelde CAO. Bij de aanvraag van een Zìektewet-uitkering doet zich vervolgens de vraag voor hoe artikel 7 moet worden uitgelegd. Uitzendonderneming en het UWV geven beiden een andere uitleg.

Uitleg van artikel 7 van deze uitzendovereenkomst is door het UWV gebaseerd op een zuiver taalkundige uitleg. Om de juiste betekenis aan het artikel 7 toe te kennen is het naar het oordeel van de rechtbank van belang dit artikel niet als losstaand artikel te beschouwen, maar te bezien vanuit de volledige uitzendovereenkomst, de daarop van toepassing zijnde CAO, de uitleg die partijen aan dit artikel geven, de verwijzing naar de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf en de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de uitzendovereenkomst. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: Awb 10/1138

Uitspraak in het geschil tussen

M-PLOYEE Techniek B.V., gevestigd te [adres] eiser,

gemachtigde E. Lassche,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde W. Metus, werkzaam bij het UWV.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 november 2010.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 juli 2010, ongegrond verklaard en zijn besluit gehandhaafd.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 28 september 2011.

Eiseres is, hoewel daartoe bij brief van 12 augustus 2011 uitgenodigd, niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten- en zaaksverloop

Eiseres is een uitzendbureau voor onder meer schilders.

Op 20 april 2010 is een ‘uitzendovereenkomst Fase A’ gesloten tussen M-Ployee B.V., uitzendonderneming, en E.H.E. Ronde, uitzendkracht. In deze uitzendovereenkomst is verwezen naar de door de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) opgestelde Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO).

In deze uitzendovereenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

‘Uitzendovereenkomst Fase A

(…)

verklaren hierbij een uitzendovereenkomst te zijn aangegaan voor de duur van de terbeschikkingstelling, onder de volgende voorwaarden.

De uitzendonderneming zal de uitzendkracht ter beschikking stellen aan de hieronder genoemde inlener. De uitzendkracht zal krachtens de door de inlener aan de uitzendonderneming verstrekte opdracht arbeid verrichten onder toezicht en leiding van de inlener, conform artikel 7:690 BW.

Artikel 2 Duur en aanvang van de uitzendovereenkomst

Op deze uitzendovereenkomst is het uitzendbeding van toepassing. Dit betekent dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt, doordat de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht aan de inlener op verzoek van de inlener ten einde komt (artikel 14 ABU-cao).

Artikel 4 Functie en aard van de werkzaamheden

De uitzendkracht zal in de functie van schilder bij de inlener werkzaamheden verrichten.

Artikel 7 Ziekte/arbeidsongeschiktheid

1. In geval van arbeidsongeschiktheid is de uitzendkracht verplicht zowel de uitzendonderneming als de inlener zo spoedig mogelijk te informeren volgens het binnen het bedrijf van de inlener geldende verzuimprotocol. (…)

2. De werknemer heeft bij arbeidsongeschiktheid aanspraak op loondoorbetaling volgens de onderstaande staffel:

de eerste 26 weken :95% van het loon

de tweede 26 weken :90% van het loon

de derde 26 weken: :85% van het loon

de vierde 26 weken :70% van het loon

Artikel 8 Omvang arbeidsduur en werktijden

De reguliere arbeidsduur bedraagt 40,00 uren per week.

De werktijden zullen in onderling overleg tussen inlener en uitzendkracht worden vastgesteld.

Artikel 14 Vervangend en passend werk

Als het werk bij de inlener wegvalt, heeft de uitzendkracht voor de duur van deze uitzendovereenkomst de plicht om passend en vervangend werk te aanvaarden, volgens artikel 31 ABU-cao.’

Op 28 juni 2010 heeft Ronde zich ziek gemeld. Op 5 juli 2010 is bij verweerder een aanvraag om een Ziektewet-uitkering binnengekomen.

Bij brief van 20 juli 2010 is het verzoek om een Ziektewet-uitkering door verweerder afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt op 22 juli 2010. Eiser heeft voorts de uitzendovereenkomsten aangepast, zo blijkt uit een telefoonnotitie van verweerder.

Bij besluit van 10 november 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 15 november 2010 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld. Op 28 december 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De ingezonden stukken zijn aan partijen over en weer in kopie verstrekt.

3.2. Standpunten partijen

Bij besluit van 10 november 2010 is de aangevraagde uitkering geweigerd omdat in artikel 7 van de uitzendovereenkomst is geregeld dat Ronde bij ziekte wordt doorbetaald.

Eiseres heeft er op gewezen dat met Ronde een uitzendovereenkomst met uitzendbeding, fase A, is overeengekomen en daarom wel een uitkering door verweerder dient te worden verstrekt. Volgens eiseres wordt het loon, anders dan artikel 33, tweede lid, van de ABU-CAO vermeldt aangevuld tot 95% (in plaats van 91%) omdat dit aansluit bij de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf. Eiseres leest artikel 7 zo dat dit enkel de verplichting inhoudt de Ziektewet-uitkering aan te vullen. Voor de volledigheid wijst eiseres er op dat zij aan de Belastingdienst voor de betreffende werknemers de premies afdragen die horen bij de indeling in fase A.

Op 28 december 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Verweerder stelt dat de uitzendovereenkomst duidelijk is en dat er in het geheel geen melding wordt gemaakt dat de werkgever slechts de verplichting op zich heeft willen nemen de uitkering aan te vullen.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder op de zitting van 28 september 2011 dat dagelijks uitzendovereenkomsten bij verweerder voorbij komen, de in artikel 7 vermelde constructie nog niet te zijn tegengekomen, het niet aan verweerder is de uitzendovereenkomst uit te leggen en de ABU-CAO de mogelijkheid biedt om een uitzondering op te nemen. De vraag waarom eiseres een beding zou opnemen dat haar financieel nadeel bezorgt, en geen voordelen, terwijl niet is gebleken van een belang bij de uitzendkracht, heeft verweerder niet kunnen beantwoorden.

3.3 Relevante wet- en regelgeving

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt.

Bij beantwoording van de vraag of de uitzendovereenkomst recht geeft op doorbetaling van loon zijn de hierna volgende artikelen van de ABU-CAO en de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf van belang.

ABU-CAO

Bij besluit van 19 juni 2009 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de ABU-CAO algemeen verbindend verklaard (Stcrt. 23 juni 2009, nr. 113).

Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, van de ABU-CAO wordt onder een detacheringsovereenkomst verstaan: de uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding in fase A, B of C.

Op grond van artikel 12 van de ABU-CAO kan een uitzendovereenkomst met uitzendingbeding worden aangegaan voor de duur van de terbeschikkingstelling en maximaal tot het einde van fase A. Volgens artikel 13 is de uitzendkracht werkzaam in fase A zolang deze nog niet in meer dan 78 weken voor dezelfde uitzendonderneming heeft gewerkt. In fase A is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding, tenzij uitdrukkelijk een detacheringsovereenkomst is overeengekomen.

Op grond van artikel 14, tweede lid, van de ABU-CAO zal de uitzendonderneming in geval van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding de uitzendkracht tijdig mededeling doen van het op handen zijnde einde van de uitzendovereenkomst, zodat de uitzendkracht zich daarop kan instellen. Deze aanzegtermijn bedraagt maximaal veertien kalenderdagen.

Op grond van artikel 14, vierde lid, van de ABU-CAO is inachtneming van een aanzegtermijn niet vereist bij arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht. In geval van arbeidsongeschiktheid wordt de uitzendovereenkomst met uitzendbeding, direct na de melding als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de ABU-CAO, geacht met onmiddellijke ingang geëindigd te zijn op verzoek van de opdrachtgever.

Op grond van artikel 30 van de ABU-CAO is de uitzendonderneming aan de uitzendkracht werkzaam in fase A alleen het loon verschuldigd over de periode(n), dat de uitzendkracht daadwerkelijk uitzendarbeid heeft verricht, tenzij bij uitzendovereenkomst uitdrukkelijk schriftelijk anders is overeengekomen. De uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is niet van toepassing in geval van arbeidsongeschiktheid indien een detacheringsovereenkomst is overeengekomen.

Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ABU-CAO is de uitzendkracht verplicht op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid daarvan melding te doen aan de uitzendonderneming en de opdrachtgever.

Op grond van artikel 33, tweede lid, van de ABU-CAO eindigt de uitzendovereenkomst met uitzendbeding bij het intreden van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 14, vierde lid, van de CAO. Indien hiervan sprake is en de uitzendkracht recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, vult de uitzendonderneming deze uitkering als volgt aan:

- gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid tot 91 procent van het uitkeringsdagloon;

- gedurende de 53ste t/m de 104e week tot 80 procent van het uitkeringsdagloon.

De uitkering en de aanvulling zijn gezamenlijk ten minste gelijk aan het minimumloon en bedragen ten hoogste het maximumdagloon conform de Wet financiering sociale verzekeringen.

CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf algemeen verbindend verklaard (Stcrt. 27 januari 2010, nr. 1350).

In artikel 30 van de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf is het volgende opgenomen: ‘In geval van arbeidsongeschiktheid heeft de werknemer aanspraak op doorbetaling van loon volgens de volgende staffel:

de eerste 26 weken :95% van het loon

de tweede 26 weken: :90% van het loon

de derde 26 weken: :85% van het loon

de vierde 26 weken :70% van het loon’

3.4 Rechtsoverwegingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 7 van de uitzendovereenkomst zo moet worden gelezen, dat, zoals verweerder stelt, eiseres de verplichting op zich heeft genomen het loon van Ronde door te betalen dan wel, zoals eiseres stelt, de Ziektewet-uitkering in daarvoor aangewezen gevallen aan te vullen tot het in artikel 7 opgenomen percentage.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld (Hoge Raad 20 februari 2004, JAR 2004, 83, r.o. 4.5.).

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld met Ronde een uitzendovereenkomst met uitzendbeding fase A te hebben willen sluiten. Dit is door verweerder ook niet bestreden.

Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de algemeen verbindend verklaarde ABU-CAO van belang is voor de uitleg van de uitzendovereenkomst. Zo is in de artikelen 2 en 14 van de uitzendovereenkomst verwezen naar de ABU-CAO.

Op grond van artikel 33, tweede lid, van de ABU-CAO eindigt de uitzendovereenkomst met uitzendbeding bij het intreden van arbeidsongeschiktheid en vult de uitzendonderneming, indien de uitzendkracht recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, deze uitkering aan tot respectievelijk 91 (gedurende de eerste 52 weken) en 80 procent. Dit artikel van de ABU-CAO sluit aan bij de uitleg die eiseres aan artikel 7 van de uitzendovereenkomst geeft; namelijk dat ‘slechts’ sprake is van een aanvulling.

Op grond van artikel 30 van de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf is het percentage dat in geval van arbeidsongeschiktheid wordt uitgekeerd respectievelijk 95 (gedurende de eerste 26 weken), 90, 85 en 70 procent. Eiseres heeft zich bij het opstellen van artikel 7 van de uitzendovereenkomst laten leiden door deze percentages. Voor zover het gaat om het percentage van 95 procent gedurende de eerste 26 weken wordt daarmee ten gunste van uitzendkracht Ronde afgeweken van de ABU-CAO.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in artikel 7 ten onrechte gelezen dat eiseres de verplichting op zich heeft willen nemen bij arbeidsongeschiktheid het volledige loon van uitzendkracht Ronde door te betalen. Daarbij is van belang dat verweerder zich ‘slechts’ heeft laten leiden door een zuiver taalkundige uitleg van artikel 7 van de uitzendovereenkomst. Om de juiste betekenis aan artikel 7 toe te kennen is het echter van belang artikel 7 niet als losstaand artikel te beschouwen, maar te bezien vanuit de volledige uitzendovereenkomst, de daarop van toepassing zijnde ABU-CAO, de uitleg die partijen aan dit artikel geven, de verwijzing naar artikel 30 van de CAO voor het schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf en de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de uitzendovereenkomst. De bedoeling van eiseres is, anders dan verweerder stelt, en mede gelet op voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, dus wel degelijk van belang. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde gehecht aan de -onderbouwde- uitleg van eiseres, het gegeven dat eiseres (naar eigen zeggen) aan de Belastingdienst de premie heeft afgedragen die hoort bij de indeling in fase A en een zich in het dossier bevindende telefoonnotitie van 14 september 2010, waaruit blijkt dat naar aanleiding van deze zaak de uitzendovereenkomsten zijn aangepast en het gegeven dat de uitleg van verweerder eiseres nadelen bezorgt, terwijl daarvoor geen belang is gegeven voor de contracterende wederpartij.

Nu verweerder in artikel 7 ten onrechte heeft gelezen dat eiseres de verplichting op zich heeft willen nemen bij arbeidsongeschiktheid het volledige loon van uitzendkracht Ronde door te betalen doet zich daarbij de vraag voor hoe artikel 7 wel dient te worden uitgelegd.

Verweerder dient artikel 7 zo uit te leggen dat daarbij ‘slechts’ is overeengekomen in de daarvoor aangewezen gevallen de Ziektewet-uitkering van uitzendkracht Ronde aan te vullen. Dit brengt met zich dat verweerder de op 5 juli 2010 binnengekomen aanvraag om een Ziektewet-uitkering dient te beoordelen en, voor zover deze aanvraag terecht is ingediend, dient over te gaan tot betaling van de Ziektewet-uitkering. De rechtbank zal daarom ook het primaire besluit van 20 juli 2010 herroepen.

De rechtbank laat daarbij onbeantwoord of eiseres na de eerste 26 weken ten nadele van uitzendkracht Ronde heeft mogen afwijken van de ABU-CAO en tot welk percentage eiseres na verloop van 26 weken zou moeten aanvullen. Die vraag ligt in onderhavig geding niet voor.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb met de bepaling dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiseres dient te beslissen.

De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat de rechtbank de inhoudelijke beoordeling op de aanvraag van 5 juli 2010 niet in het dossier heeft aangetroffen.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient op basis van artikel

8:74, eerste lid, van de Awb, te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 aan eiseres wordt vergoed.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 november 2010;

- herroept het primaire besluit van 20 juli 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op de aanvraag van 5 juli 2010

met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder eiseres het betaalde griffierecht ad € 41,00 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.W. Wassink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: