Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU2063

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
18/670234-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte onder meer voor poging tot zware mishandeling. Geen gerechtvaardigd beroep op noodweer/noodweerexces.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de oplegging van bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670234-11 (Promis)

datum uitspraak: 27 oktober 2011

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. P.B. Rietberg

VONNIS

van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam.verdachte],

geboren te [geboorteplaats.verdachte] op [geboortedatum.verdachte],

wonende aan [adres.verdachte], [woonplaats.verdachte],

thans preventief gedetineerd in [plaats.PI]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 oktober 2011.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij

in de gemeente Slochteren,

op of omstreeks 29 april 2011,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

genaamd [aangeefster], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp een of

meer stekende bewegingen naar het (boven)lichaam van die [aangeefster] heeft

gemaakt en/of die [aangeefster] met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige

voorwerp, in haar linker bovenbeen heeft gestoken of geraakt of getroffen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij

in de gemeente Slochteren,

opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [aangeefster] met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp, in haar linker bovenbeen heeft gestoken

en/of gesneden en/of geraakt of getroffen en/of

die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of elders tegen

het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geraakt en/of getroffen,

tengevolge waarvan deze lichamelijk letsel, bestaande uit een scheur- of

snijwond in haar linker bovenbeen heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

zij

in de gemeente Slochteren,

op of omstreeks 29 april 2011,

opzettelijk en wederrechtelijk in de woning [plaatsdelict] te [plaats]

een laptop en/of een televisie en/of een kledingkast, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [aangeefster] en/of de

[woningbouwstichting], in elk geval aan anderen of een ander dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

zij

in de gemeente Winschoten,

op of omstreeks 19 oktober 2009,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,7 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Hij baseert dit op de aangifte door [aangeefster] in samenhang met de getuigenverklaring van [getuige], de medische verklaring en de bekennende verklaring van verdachte. Hij acht het herhaaldelijk uithalen met het mes, waarbij eenmaal in het bovenbeen is gestoken, wettig en overtuigend bewezen.

Er is sprake van een poging waarbij het voorwaardelijk opzet was gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel.

Ook vordert hij een bewezenverklaring voor het onder 2 ten laste gelegde en baseert dit op de aangifte door [aangeefster] en de bekennende verklaring van verdachte.

Tot slot acht hij het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van haar aanhouding en het NFI rapport.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft niet het voornemen gehad om aangeefster opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Er is geen sprake geweest van een gericht handelen om aangeefster ernstige verwondingen toe te brengen.

Het onder 2 en 3 ten laste gelegde kan volgens de raadsvrouw wettig en overtuigend worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Feit 1

A)

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 oktober 2011, zakelijk weergegeven:

Ik word ook wel [roepnaam verdachte] genoemd. Het is gegaan zoals ik bij de politie heb verklaard.

Ze greep mij bij de keel, daarna trok ze mij aan mijn haren naar beneden. Op dat moment had ze mijn keel niet meer beet. We stonden toen in de keuken. Ik deed een graai naar achteren uit de keukenlade en heb naar voren gestoken in de richting van [aangeefster] met het voorwerp dat ik uit de lade had gepakt.

B)

Een proces-verbaal nummer PL01PC 2011041942-1 d.d. 29 april 2011, opgenomen op pagina 38 tot en met 43 van het dossier nummer PL01PC 2011041942 d.d. 12 mei 2011(verder te noemen “dossier”), inhoudende de verklaring van aangever [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Hedenmorgen 29 april 2011 omstreeks 08.00 uur kwam [roepnaam verdachte] ons huis in de gemeente Slochteren binnengelopen en ik rook dat zij alcoholhoudende drank had gebruikt. Direct daarop begon [roepnaam verdachte] op mij in te slaan. In de keuken pakte ik [roepnaam verdachte] bij haar haar. Ik zag dat zij een mes pakte en liet haar daarop los. [roepnaam verdachte] stak mij met dat mes in mijn linkerbovenbeen. Ik voelde de steek. Ik zag dat ik in mijn bovenbeen, direct onder mijn lies, was gestoken. Hier heb ik een wond van ongeveer 2 cm lang.

C)

Een schriftelijk bescheid, te weten een medische verklaring opgesteld door [naam huisarts] apotheekhoudend huisarts te [plaats] d.d. 29 april 2011, opgenomen op pagina 44 en 45 van het dossier, inhoudende medische informatie over [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Algemeen journaal van 29 april 2011. Snijwond/steekwond in het linkerbovenbeen. Steekopening van 2 cm. Vetweefsel te zien.

Feit 2

- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 oktober 2011;

- Een proces-verbaal nummer PL01PC 2011041942-1 d.d. 29 april 2011, opgenomen op pagina 38 tot en met 43 van het dossier, inhoudende de verklaring van aangever [aangeefster].

Feit 3

- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 oktober 2011;

- Een proces-verbaal van aanhouding nummer 2009102829-3 d.d. 19 oktober 2009, opgenomen op pagina 4 en 5 van het dossier nummer 2009102829-1 d.d. 15 december 2009;

- Een schriftelijk bescheid, te weten een onderzoeksrapport van het NFI met kenmerk 2009102829-7 d.d. 3 november 2009, opgenomen op pagina 15 van het dossier nummer 2009102829-1 d.d. 15 december 2009;

- Een proces-verbaal van bevindingen nummer 2009102829-7 d.d. 19 oktober 2009, inhoudende het relaas van [naam verbalisant] met betrekking tot verzegeling en verzending van het aangetroffen poeder naar het NFI.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is op basis van de voornoemde bewijsmiddelen met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte is op 29 april 2011 zeer kwaad naar het huis van aangeefster toegegaan, nadat zij via haar hyvespagina erachter was gekomen dat de aangeefster tegen hun afspraak in met anderen over haar werkzaamheden in een seksclub had gesproken.

Daar aangekomen heeft verdachte de aangeefster herhaaldelijk geslagen. Hierop is een worsteling ontstaan, waarbij de aangeefster verdachte uiteindelijk eerst bij haar keel heeft vastgehouden en haar vervolgens aan haar haren heeft getrokken. Op het moment dat verdachte aan haar haren naar beneden werd getrokken heeft zij een greep in de keukenlade gedaan en vervolgens de aangeefster met een mes in het linkerbovenbeen gestoken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad.

Verdachte heeft in de confrontatie met de aangeefster in enigszins gebukte houding ongecoördineerd naar voren gestoken met een mes terwijl de aangeefster heel dicht op haar stond. In het bovenbeen lopen meerdere belangrijke aderen en spieren.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedraging heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij het bovenbeen van de aangeefster zou raken en daarmee één of meerdere van voornoemde aderen of spieren. Dat aangeefster uiteindelijk slechts een oppervlakkige snijwond heeft opgelopen doet aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het bovenstaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad.

Ook de onder 2 ten laste gelegde vernielingen en het onder 3 ten laste gelegde bezit van 1,7 gram amfetamine is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de gemeente Slochteren, op 29 april 2011, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [aangeefster], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes die [aangeefster] in haar linker bovenbeen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

zij in de gemeente Slochteren, op 29 april 2011, opzettelijk en wederrechtelijk in de woning [plaatsdelict] te [plaats] een laptop en een televisie en een kledingkast, toebehorende aan respectievelijk [aangeefster] en de [woningbouwstichting], heeft vernield en/of beschadigd.

3.

zij in de gemeente Winschoten, op 19 oktober 2009, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,7 gram, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert de volgende strafbare feiten op:

1 primair.

poging tot zware mishandeling.

2.

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en beschadigen.

3.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten

Strafbaarheid van verdachte

Namens verdachte is aangevoerd dat er met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde sprake is geweest van een noodsituatie. Verdachte kon geen lucht krijgen toen zij bij haar keel werd gegrepen en heeft zich op basis van de noodzakelijke verdediging van deze wederrechtelijke aanranding van haar lijf door [aangeefster] mogen verdedigen. Derhalve is er sprake van een noodweer dan wel noodweerexces.

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van noodweer nu verdachte zichzelf in deze situatie heeft gebracht door naar de woning van aangeefster te gaan en aldaar te beginnen met slaan en stompen. Ook na de eerste slagenwisseling is verdachte doorgegaan, waardoor de aangeefster genoodzaakt was zich te verdedigen. Subsidiair was de reactie van verdachte niet proportioneel.

Ook van noodweerexces is geen sprake. De hevige gemoedsbeweging was al aanwezig bij verdachte op het moment dat zij het huis van aangeefster binnenging en werd niet veroorzaakt door gedragingen van aangeefster.

Met betrekking tot het beroep op noodweer respectievelijk noodweerexces gaat de rechtbank uit van de volgende gang van zaken. Verdachte kwam naar eigen zeggen doorgedraaid het huis van aangeefster binnen en begon daar meteen met slaan en stompen. Verdachte heeft zelf verklaard dat zij handelde als een machine die niet meer te stoppen was, maar ook dat zij versteld stond van het feit dat het slachtoffer niet eerder iets terugdeed. Op enig moment is verdachte aanvankelijk door aangeefster bij haar keel gegrepen en vervolgens door deze aan haar haren getrokken. Verdachte werd op dat laatste moment niet meer bij de keel vastgehouden. Vervolgens deed zij een greep in een keukenlade, pakte blijkbaar een mes en heeft de aangeefster met dat mes gestoken.

Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verdachte allereerst zichzelf in de hierboven omschreven positie heeft gebracht en dat op het moment van steken, toen zij nog “slechts” aan haar haren werd getrokken, geen sprake meer was van een noodzakelijke verdediging. Een beroep op noodweer gaat derhalve niet op. Daar komt bij dat het steken met een mes in de omschreven situatie sowieso buiten proportioneel is en een gerechtvaardigd beroep op noodweer in de weg staat.

Ook van noodweerexces is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu de hevige gemoedsbeweging van verdachte niet aan aangeefster, maar aan haar zelf moet worden toegeschreven gelet op haar eigen verklaring over haar gemoedstoestand in de aanloop naar en ten tijde van het incident.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte aangaande het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage

d.d. 30 juni 2011, opgemaakt door [naam deskundige], gz-psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte beschikt over een lage verstandelijke begaafdheid in combinatie met een persoonlijkheidsproblematiek waardoor zij haar gedrag in de ontstane situatie onvoldoende kon sturen en dat zij daarom als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank komt op basis van voormelde onderzoeksrapportage tot het oordeel dat het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde aan verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte met betrekking tot het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij verzoekt hij alle bijzondere voorwaarden zoals genoemd in de (aanvullende) reclasseringsadviezen van 29 juli 2011 op te leggen, inclusief de opname in [woonvorm van reclassering] of een soortgelijke instelling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (subsidiair) zo de rechtbank haar pleidooi voor vrijspraak niet mocht volgen verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Zij verzoekt tevens rekening te houden met verdachtes licht verminderde toerekeningsvatbaarheid en met verdachtes toezegging om vanuit de thuissituatie bij moeder een therapie te volgen bij de AFPN om haar impulsen en emoties in de toekomst in bedwang te houden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen ter zitting en uit het adviezen van de reclassering, de justitiële documentatie van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf door haar voormalige huisgenoot en vriendin met een mes in het been te steken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, te meer nu het incident in de woning van de aangeefster heeft plaatsgevonden, in het bijzijn van het vijf jaar oude zoontje van aangeefster. Verdachte heeft door haar handelen niet alleen de psychische en fysieke integriteit van aangeefster geschonden, maar tevens de beschermde en veilige woonomgeving van aangeefster en haar zoontje ernstig aangetast.

Nadat aangeefster het huis was ontvlucht, heeft verdachte in dezelfde woning meerdere spullen toebehorend aan aangeefster en de woningbouwvereniging vernield en beschadigd. Door zo te handelen heeft verdachte de aangeefster tevens de nodige financiële schade berokkend, naast de eerdergenoemde schade door het geweldsincident.

Feiten als het onderhavige hebben een grote impact op de slachtoffers en leiden tevens tot grote maatschappelijke onrust. Zij voeden gevoelens van onveiligheid binnen onze samenleving.

Tot slot is er bij verdachte 1,7 gram amfetamine aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de over verdachte opgestelde adviezen van de reclassering, meer in het bijzonder de adviezen van 29 juli 2011. Ook houdt de rechtbank rekening met artikel 63 Wetboek van Strafrecht, gelet op verdachtes recente veroordeling op 16 september jongstleden door de politierechter te Groningen.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. De rechtbank zal van deze straf een gedeelte voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren, mede om hieraan een aantal bijzondere voorwaarden te verbinden.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist nu zij ervan uitgaat dat verdachte maar eenmaal met het mes heeft gestoken. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde gewoonlijk wordt afgedaan met een werkstraf dan wel een transactie. Tevens houdt de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde rekening met de verminderde toerekeningvatbaarheid van verdachte als hierboven omschreven. Ook het aandeel van aangeefster in de toedracht tot het incident en de jonge leeftijd van verdachte heeft de rechtbank meegewogen in de straftoemeting.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat op andere wijze dient te worden ingegrepen dan door de reclassering geadviseerd en door de officier van justitie ter zitting geëist. Nu er geen sprake is van een zwaarwegend relevant strafrechtelijk verleden bij verdachte zal de rechtbank volstaan met het opleggen van de na te noemen bijzondere voorwaarden.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een mes met kartels en bruin gekleurd lemmet, moet worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat het onder 1 primair bewezenverklaarde feit met behulp van het in beslag genomen goed is begaan.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een zwarte broek, moet worden teruggegeven aan [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 45, 57, 63, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ACHT maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot vier maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat:

-de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

-de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde een Cognitieve Vaardigheidstraining plus en een Arbeidsvaardigheden training zal volgen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 5 november 2011.

Verklaart verbeurd:

Een mes met kartels en een bruin gekleurd lemmet.

Gelast de teruggave van:

Een zwarte broek aan [aangeefster].

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. F. Sijens, voorzitter, L.H.A.M. Voncken en

H.L. Stuiver, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2011.