Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BU1301

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
427459 CV EXPL 09-17075 en 448044 CV EXPL 10-4909
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval roldeur. Bewijsopdracht toedracht aan werknemer. Vordering afgewezen.

Eindvonnis, voor tussenvonnis zie BU1300.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0886
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak/rolnummers: 427459 / CV EXPL 09-17075 en 448044 / CV EXPL 10-4909

Vonnis d.d. 12 oktober 2011 in de zaak (hierna de hoofdzaak te noemen) van:

Q.,

wonende te [plaatsnaam],

eiser, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mr. W. Waardenburg, advocaat te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap Heiploeg Seafoods B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 9974 SL Zoutkamp, Panserweg 14,

gedaagde, hierna Heiploeg te noemen,

gemachtigde mr. H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem,

en in de vrijwaringszaak (hierna de vrijwaringszaak te noemen) van:

de besloten vennootschap Heiploeg Seafoods B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoutkamp,

eiseres, hierna Heiploeg te noemen,

gemachtigde mr. H.M. Kruitwagen, advocaat te Arnhem,

tegen

1. A. en B., voormalig vennoten van de v.o.f. Bleijenberg Industriedeuren,

beide wonende te [adres],

gedaagden, hierna Bleijenberg te noemen,

gemachtigde mr. D.K. Kupers, advocaat te Groningen,

2. de besloten vennootschap Bleyenberg Deuren B.V.,

statutair gevestigd te Assen, kantoorhoudende te (9723 HL) Groningen, Koldingweg 9b,

gedaagde, hierna Bleyenberg Deuren te noemen,

gemachtigde mr. J. Doornbos, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

In de hoofdzaak en in de vrijwaring

Op 8 december 2010 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen waarbij in de hoofdzaak Q. tot bewijs is toegelaten en in de vrijwaringszaak iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij vonnis van 12 januari 2011 heeft de kantonrechter een verzoek van Q. om tussentijds appèl toe te staan afgewezen.

Op 28 maart 2011 en 23 mei 2011 zijn getuigen gehoord. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt.

Q. heeft een conclusie na enquête genomen, Heiploeg een antwoordconclusie na enquête.

Daarna is wederom vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Beoordeling

In de hoofdzaak

1.1. In het tussenvonnis van 8 december 2010 is Q. toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij op 23 januari 2006 schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden voor Heiploeg.

1.2. Q. heeft in zijn conclusie na enquête naar voren gebracht dat Heiploeg een procesrechtelijk niet toe te laten ommezwaai heeft gemaakt door in de aanloop van de procedure in het geheel niet te betwisten dat er überhaupt een bedrijfsongeval had plaatsgevonden, maar in de procedure voor het eerste het standpunt in te nemen dat er helemaal geen ongeval was geweest.

1.3. De kantonrechter ziet in hetgeen Q. heeft aangevoerd geen aanleiding terug te komen op het tussenvonnis waarin hij is toegelaten tot het bewijs zoals hiervoor al is aangeduid. Naar het oordeel van de kantonrechter stond het Heiploeg vrij om in de procedure het standpunt in te nemen dat zij bij gebrek aan wetenschap betwistte dat Q. zijn hoofd had gestoten tegen de betreffende roldeur en als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. Heiploeg heeft in de aanvraag ontslagvergunning bij het CWI niet een eigen visie op het gebeuren gegeven, maar alleen op een neutrale manier het verloop van de zaak gegeven waarbij zij kennelijk is afgegaan op een gestelde toedracht. Het ging toen vooral om het aspect dat Q. in de ogen van Heiploeg 80 tot 100 % arbeidsongeschikt was en dat er een niet of geringe kans op herstel bestond.

1.4. Voor het overige heeft Heiploeg op geen enkel moment erkend dat er een ongeval had plaatsgevonden en heeft zij steeds de toedracht betwist. Nadat zij twee jaar na dato in de brief van het CNV van 25 januari 2008 aansprakelijk was gesteld, is er door Andriessen en Geurst een uitgebreid onderzoek naar de toedracht gedaan. Heiploeg heeft vervolgens op 29 oktober 2008 een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. In dit laatste verzoek staat met zoveel woorden dat Heiploeg wilde onderzoeken of zij voor het gestelde voorval aansprakelijk kon zijn en of de deur aan de veiligheidseisen voldeed. Daarnaast wilde zij in kaart te brengen of de gestelde toedracht van het ongeval juist was.

1.5. De mailwisseling waar Q. in zijn conclusie na enquête naar verwijst voegt ook niets toe, omdat het daarbij om een standpunt van een medewerker van het Bureau Arbeid gaat en niet om een standpunt van Heiploeg.

Naar het oordeel van de kantonrechter stond het Heiploeg vrij om in de procedure te betwisten dat er een bedrijfsongeval had plaatsgevonden. Van een rechtens niet toelaatbare switch is dus geen sprake.

1.6. De verklaring van Q., die partij is in deze procedure en aan wie bewijs is opgedragen, kan geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij deze strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Er moeten dus aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zo sterk zijn en zulke essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van Q. als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. Daarom dient ook te worden beoordeeld wat de overige getuigen van Q. hebben verklaard.

De verklaring van Q. komt er - kort samengevat - op neer dat hij niet weet hoe de roldeur in beweging is gekomen. Verder heeft hij verteld over een niesbui en dat hij er vanuit gegaan is dat die niesbui een mogelijkheid is geweest om zo onder de deur te komen. Hij heeft een harde klap op zijn hoofd gevoeld en ondervond daarna een fluittoon, een gebrekkige concentratie, slaapproblemen en een beperking van zijn gezichtsvermogen.

1.7. Getuige Z. heeft - kort samengevat - alleen een vloek gehoord. Dat was ver bij hem vandaan. Hij heeft Q. aan hem voorbij zien lopen. Hij heeft verklaard dat Q. en hij niets tegen elkaar hebben gezegd en dat hij geen bloed heeft gezien. Hij heeft Q. ook niet gesproken of geholpen met het verzorgen van een hoofdwond. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het eerst had gehoord dat Q. de roldeur op zijn hoofd had gekregen.

Hij heeft niet gezien dat Q. tegen de roldeur aan is gelopen.

1.8. Getuige [1] is de vroegere echtgenote van Q. Zij heeft verklaard dat zij het ongeval niet heeft zien gebeuren, wel had hij een bloederige plek (een scheur) aan zijn hoofd. Q. zou tegen haar hebben gezegd dat hij een schuifdeur of een hangdeur op zijn hoofd had gehad die naar beneden was gevallen.

1.9. Getuige [2] is een vroegere zwager van Q. Hij heeft tijdens een verjaardagsvisite kort na 19 januari 2006 gehoord dat Q. vertelde dat hij een roldeur op zijn hoofd had gehad. Deze was naar beneden gekomen op een moment dat Q. er onderdoor liep.

1.10. Getuige [3] is een stiefzoon van Q. Hij heeft van Q. gehoord dat deze een deur op zijn hoofd had gekregen. Hij heeft een klein barstwondje dat dicht was op het hoofd van Q. gezien. Hij heeft hem niet naar de dokter gestuurd. In de periode erna heeft hij regelmatig met Q. gesproken over hoe het met hem ging. De laatste heeft hem verteld dat hij steeds vermoeider was, dat hij meer last had van zijn hoofd en dat hij steeds minder kon doen. Na het gebeuren heeft Q. nog een tijd gewerkt.

1.11. Ten slotte is in contra-enquête X. als getuige gehoord, die destijds leidinggevende van Q. was. Hij heeft verklaard dat hij niets over de toedracht kon vertellen. Hij heeft van collega's gehoord dat Q. een deur op zijn hoofd had gekregen. Hij heeft verder verteld dat hij zich niet kan herinneren dat hij een hoofdwond bij Q. heeft bekeken. Het is hem niet opgevallen dat Q. een hoofdwond had. Volgens hem heeft hij voor de ziekmelding van Q. niets bijzonders aan hem vernomen en werkte hij normaal. Als er iets aan de hand was geweest, zou hij dat hebben gemerkt. Pas veel later heeft Q. hem over het ongeval verteld.

1.12. De verklaringen van de getuigen, in onderlinge samenhang beschouwd, leveren onvoldoende bewijs op van de stelling dat Q. in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden.

Uit de verschillende verklaringen kan worden afgeleid dat geen van de getuigen heeft gezien wat er is gebeurd. Q. (partijgetuige) weet het zich ook niet meer goed te herinneren en spreekt veronderstellenderwijs van mogelijkheden.

De getuigen [1], [2] en [3] zijn getuigen die hun wetenschap van Q. hebben; hun verklaringen zijn - zoals Heiploeg terecht opmerkt - summier over de te bewijzen feiten en omstandigheden. Wat de getuigen Z. en X. hebben verklaard ondersteunt de verklaring van Q. niet. Z. was nu juist niet in de buurt, terwijl Q. tijdens het voorlopige getuigenverhoor heeft verklaard dat hij hem recht in de ogen keek toen hij zijn ogen opendeed. X. heeft de verklaringen van Q. evenmin bevestigd.

1.13. Daarom stelt de kantonrechter, alles overziende, vast dat de verklaringen van de overige getuigen niet zodanig sterk zijn dat zij de verklaring van Q. als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken. Q. is niet in het hem opgedragen bewijs geslaagd.

1.14. De in het geding gebrachte medische informatie is van dien aard dat daaruit geen direct causaal verband tussen de klachten van Q. en een eventuele aanraking met een roldeur uit afgeleid kan worden. Q. heeft zich pas na drie weken ziek gemeld en is pas op 15 februari 2006 voor het eerst bij zijn huisarts geweest. Volgens het rapport van de medisch adviseur [naam], die de beschikbare medische informatie heeft beoordeeld, staat het gehoorverlies los van de tinnitusklachten en hebben de medici geen toelichting gegeven op de relatie tussen de klachten en het ongeval.

1.15. De vorderingen van Q. zullen worden afwezen. Q. dient de kosten van de procedure (waarin begrepen die in het incident) te voldoen.

in de vrijwaringszaak

1.16. Omdat de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen zullen de vorderingen in vrijwaring eveneens worden afgewezen. Heiploeg dient de kosten van de procedure in vrijwaring te voldoen.

BESLISSING

in de hoofdzaak (rolnummer 427459 CV EXPL 09-17075)

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Q. in de kosten van het geding, aan de zijde van Heiploeg tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 88,96 wegens explootkosten, € 208,00 wegens griffierecht en € 825,00 (5,5 punten, tarief € 150,00 onbepaalde vordering) wegens salaris van de gemachtigde;

in de vrijwaringszaak (rolnummer 448044 / CV EXPL 10-4909)

wijst de vordering af;

veroordeelt Heiploeg in de kosten van het geding, aan de zijde van Bleijenberg vastgesteld op € 300,00 wegens salaris van de gemachtigde en aan de zijde van Bleyenberg Deuren op € 300,00 wegens salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort, kantonrechter, en op 12 oktober 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: cn