Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BT5860

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-09-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
18-670316-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Onvoldoende bewijs in verband met onduidelijkheden in het dossier en tegenstrijdigheden in de verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670316-11 (promis)

datum uitspraak: 26 september 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. M.R.M. Schaap

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans verblijvende te [adres en plaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 6 juni 2011, in de gemeente Groningen

op/aan de openbare weg, (aan/nabij de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een portemonnee (inhoudende (onder andere) geld (te weten 3 bankbiljetten van

50 euro, 1 bankbiljet van 20 euro en/of een hoeveelheid muntgeld), en/of een

of meer strippenkaarten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of haar mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte, tezamen met haar mededader(s), althans alleen,

- die [slachtoffer] heeft aangesproken en/of (vervolgens) in een

steeg(je)/binnenplein (aan/nabij Nieuwe Kijk in 't Jatstraat) heeft gelokt,

en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Geld, geld" en/of "Geld nu, anders

steek ik je neer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (daarbij) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer]

heeft getoond, en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen;

EN/OF

zij op of omstreeks 6 juni 2011, in de gemeente Groningen

op/aan de openbare weg, (op/nabij de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon, genaamd [slachtoffer],

heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende (onder andere)

geld (te weten 3 bankbiljetten van 50 euro, 1 bankbiljet van 20 euro en/of een

hoeveelheid muntgeld), en/of een of meer strippenkaarten), in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte, tezamen met haar mededader(s), althans alleen,

- die [slachtoffer] heeft aangesproken en/of (vervolgens) in een

steeg(je)/binnenplein (aan/nabij Nieuwe Kijk in 't Jatstraat) heeft gelokt,

en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Geld, geld" en/of "Geld nu, anders

steek ik je neer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (daarbij) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer]

heeft getoond, en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen;

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte] op of omstreeks 6 juni 2011 in de gemeente Groningen,

op/aan de openbare weg, (aan/nabij de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat)

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

portemonnee (inhoudende (onder andere) geld (te weten 3 bankbiljetten van 50

euro, 1 bankbiljet van 20 euro en/of een hoeveelheid muntgeld), en/of een of

meer strippenkaarten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die

[medeverdachte] en/of aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

die [medeverdachte],

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Geld, geld" en/of "Geld nu, anders

steek ik je neer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (daarbij) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer]

heeft getoond, en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 06 juni

2011 in de gemeente Groningen en/of elders in Nederland

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar opzettelijk (voor die

[medeverdachte]) die [slachtoffer] aan te spreken en/of (vervolgens) in een

steeg(je)/binnenplein (aan/nabij Nieuwe Kijk in 't Jatstraat) te lokken;

EN/OF

[medeverdachte] op of omstreeks 6 juni 2011 in de gemeente Groningen,

op/aan de openbare weg, (aan/nabij de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat)

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van een portemonnee (inhoudende (onder andere) geld (te weten 3

bankbiljetten van 50 euro, 1 bankbiljet van 20 euro en/of een hoeveelheid

muntgeld), en/of een of meer strippenkaarten), in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

die [medeverdachte],

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Geld, geld" en/of "Geld nu, anders

steek ik je neer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (daarbij) die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer]

heeft getoond, en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 06 juni

2011 in de gemeente Groningen en/of elders in Nederland

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar opzettelijk (voor die

[medeverdachte]) die [slachtoffer] aan te spreken en/of (vervolgens) in een

steeg(je)/binnenplein (aan/nabij Nieuwe Kijk in 't Jatstraat) te lokken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 06 juni 2011 te Groningen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer bankbiljetten (van 50 en/of 20 euro) en/of een hoeveelheid

muntgeld en/of een of meer strippenkaarten heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die/dat goed(eren) wist(en),

althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is aan afpersing. De officier van justitie verwijst daartoe naar het aangetroffen geld, de strippenkaarten en het letsel dat bij aangever is geconstateerd. Voorts verwijst zij naar het feit dat aangever zich direct heeft gemeld bij de politie en zijn verklaring heeft herhaald bij de rechter-commissaris.

Verdachte heeft aangever meegelokt naar een afgelegen plek. Als zij daar aangekomen zijn, verdwijnt verdachte en verschijnt medeverdachte, die aangever met geweld berooft.

Verdachte heeft aanvankelijk niets willen verklaren. Later heeft zij echter verklaard dat aangever heeft gepoogd haar te verkrachten. Verdachte heeft daarvan aangifte gedaan, maar de officier van justitie ziet geen reden de uitslag van die zaak af te wachten. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig temeer, nu verdachte zich eerst heeft beroepen op haar zwijgrecht en verdachte en medeverdachte verschillende verklaringen hebben afgelegd over de toedracht van het delict en de herkomst van het geld, terwijl uit hun verklaringen voorts blijkt dat zij die dag niet over geld beschikten om in de opvang te verblijven.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van, dan wel medeplichtigheid aan afpersing.

Verdachte heeft, zoals iedere verdachte, het recht zich op haar zwijgrecht te beroepen, zodat haar dit niet kan worden tegengeworpen. Verdachte heeft al bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd en ook toen aangegeven aangifte te willen doen. Het doen van aangifte heeft zo lang geduurd vanwege de toepassing van het protocol in zedenzaken. Verdachte heeft haar verklaring niet afgestemd op de verklaring van medeverdachte en dient haar verklaring als geloofwaardig te worden aangemerkt.

De raadsvrouw plaatst kanttekeningen bij de geloofwaardigheid van aangever. Het wekt bevreemding dat aangever om 4.50 ’s ochtends aangeschoten uit een café komt en dan gaat wandelen, terwijl er om over 5.06 uur een trein vertrekt naar zijn woonplaats [plaats]. Aangever begeeft zich in een buurt die bekend staat als een locatie waar prostituees zich ophouden. Daar wordt hij aangesproken door een dame die hij omschrijft als junkachtig type. Het wekt verbazing dat aangever zomaar zo’n 200 meter met haar meeloopt en vervolgens in een steeg wordt overvallen. Dit is een ongeloofwaardig verhaal.

Aangever is niet meegelokt door verdachte; hij is vrijwillig met haar meegelopen omdat hij gebruik wilde maken van haar diensten.

Het bij verdachte aangetroffen geld is afkomstig van een eerdere klant. Niet kan met zekerheid worden vastgesteld dat het geld afkomstig is van aangever. De bij verdachte aangetroffen strippenkaart was haar eigendom gelet op het feit dat er, overeenkomstig haar reisgedrag, steeds 2 zones zijn afgestempeld. Er is derhalve evenmin sprake van heling.

Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsvrouw verdachte vrij te spreken.

Beoordeling

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt dit een beoordeling van het concrete geval.

De rechtbank stelt vast dat een aangifte, welke deels wordt bevestigd door een getuigenverklaring of ander bewijs dat de aangifte deels bevestigd, in het algemeen voldoende wettig bewijs kan opleveren om tot een veroordeling te komen. Dit bewijs dient echter bij voorkeur te bestaan uit een objectief bewijsmiddel dat de aangifte bevestigt.

In het onderhavige geval wordt de aangifte onvoldoende ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen. Aangever heeft weliswaar bij de rechter-commissaris een met de aangifte overeenstemmende verklaring afgelegd, maar deze verklaring is afkomstig uit één en dezelfde bron, te weten aangever zelf. Vaststaat weliswaar dat verdachte en haar medeverdachte, [slachtoffer], hebben getroffen op of nabij de Nieuwe Kijk in ’t Jatstraat

– dat verklaren zij alledrie – en dat [slachtoffer] daarbij door verdachtes medeverdachte is geslagen. Die heeft dat ook erkend. Ontkend wordt dat verdachte medeplichtig is geweest aan het beroven van [slachtoffer]. De confrontatie met [slachtoffer] wordt door verdachte in een ander licht geplaatst. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat bij de aangifte melding is gemaakt dat een strippenkaart is gestolen. Uit het dossier blijkt weliswaar dat er bij medeverdachte een strippenkaart aangetroffen, maar waar en bij wie deze strippenkaart is aangetroffen kan niet uit het dossier worden afgeleid en is daarom niet herleiden naar medeverdachte. Bovendien, zo blijkt uit de verklaring van getuige [naam] die werkzaam is bij Q-buzz, betekenen de gestempelde codes op de strippenkaart, dat daarmee is gereisd vanuit Assen en vanuit Haren. Dit stemt niet volledig overeen met het woon-werkverkeer zoals dat wordt afgelegd door aangever, die heeft verklaard met de bus van Assen naar Zuidlaren te reizen. Ook overigens is niet uit het dossier gebleken dat aangever vanuit Haren is gereisd.

Voorts komt het geldbedrag, dat bij medeverdachte is aangetroffen, niet overeen met het bij aangever gestolen bedrag. Aangever heeft aanvankelijk verklaard dat van hem een bedrag van € 170,- is gestolen en later zijn verklaring gewijzigd in die zin dat een bedrag van € 190,- is gestolen. Bij medeverdachte is echter – kort na het tijdstip waarop volgens [slachtoffer] de tenlastegelegde diefstal heeft plaatsgevonden - een bedrag van € 105,- aangetroffen. Daarnaast is niet onomstotelijk vast te stellen dat het geld dat bij medeverdachte is aangetroffen, afkomstig is van aangever.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er teveel onduidelijk is gebleven over hetgeen zich heeft afgespeeld, om tot een bewezenverklaring van de diefstal met geweld dan wel de afpersing met geweld te kunnen komen. De rechtbank acht daarom ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen, dan wel aan medeplichtigheid van de diefstal met geweld dan wel de afpersing met geweld, c.q. de heling.

De rechtbank zal verdachte dan ook daarvan vrijspreken van al hetgeen haar ten laste is gelegd.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer], wonende te [plaats]. De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft hoofdelijke veroordeling met medeverdachte [medeverdachte] gevorderd van de vordering benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 235,75 waarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

Beoordeling

Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het ten laste gelegde, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [plaats], in de vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, P.H.M. Smeets en D.M. Schuiling, in tegenwoordigheid van mr. T.J. de Wind, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 september 2011.