Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BT2644

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
128933 - HA RK 11-305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. Uitlatingen van de rechter – hoewel deze naar de wrakingskamer aanneemt objectief bedoeld waren- in samenhang met de weigering van het overleggen van de pleitnota en de tijdsdruk die kennelijk tijdens de zitting werd gevoeld, hebben verzoekster het gevoel kunnen geven, dat de rechter vooringenomen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GRONINGEN

Meervoudige wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 128933 / HA RK 11-305

Beschikking van 20 september 2011

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. M. Elderhuis.

1. De procedure

1.1. Bij verzoekschrift heeft [verzoekster] om voorlopige voorzieningen verzocht inzake de echtscheidingsprocedure van [verzoekster] tegen [verweerder] (advocaat mr. S.Y. Dijkstra). Dit verzoekschrift is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer: 128364 FA RK 11-

1751. De behandeling ter zake heeft op 5 september 2011 plaatsgevonden. Na de behandeling ter zitting heeft verzoekster bij verzoekschrift d.d. 6 september 2011, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 7 september 2011, de behandelende rechter, mr. D.A. Flinterman, gewraakt.

1.2. Mr. Flinterman heeft blijkens haar reactie d.d. 9 september 2011 op het wrakingsverzoek aangevoerd niet te berusten in het wrakingsverzoek. Daarbij heeft mr. Flinterman aangegeven schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek onder de mededeling niet bij de behandeling van dit verzoek aanwezig te kunnen zijn in verband met haar vakantie.

1.3. Bij email d.d. 13 september 2011 van de zijde van het parket is aan de griffie van deze rechtbank bericht dat het Openbaar Ministerie geen aanleiding ziet om te worden gehoord op het wrakingsverzoek.

1.4. Op 13 september 2011 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld door de wrakingskamer.

1.5. Ter zitting heeft verzoekster, zowel zelf als bij monde van mr. Elderhuis, het wrakingsverzoek toegelicht.

2. Het standpunt van verzoekster

2.1. Centraal bij deze behandeling stond het verzoek van beide partijen tot voorlopige toevertrouwing van der partijen kinderen aan ieder van hen. Reden dat beide partijen dit verzoek doen is de strijd die tussen partijen is ontstaan naar aanleiding van vermeend seksueel misbruik van de kinderen van partijen door de zoon van de nieuwe partner van de vrouw.

2.2. Ten aanzien van het verzoek tot wraking bestaan de volgende feiten en omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid wat verzoekster betreft schade heeft geleden.

2.3. Bij aanvang van de behandeling van de voorlopige voorzieningenprocedure door mr. Flinterman heeft zij - alvorens partijen te horen op het ingediende verzoekschrift en verweerschrift - zich reeds uitgelaten over haar standpunt in deze zaak. Mr. Flinterman heeft direct aangegeven dat zij het verschrikkelijk vond wat er gebeurd was en heeft ook direct aangegeven dat zij vond dat verzoekster de kwestie van het vermeend seksueel misbruik afwimpelde. Hiermee heeft mr. Flinterman wat verzoekster betreft direct een oordeel over de zaak gegeven, terwijl verzoekster nog niet eens de gelegenheid had gekregen om zich te verweren op het door de wederpartij ingediende verweerschrift.

2.4. Mr. Flinterman heeft haar oordeel gebaseerd op een verzoekschrift vaststelling voorlopige voorzieningen waarin zeer summier beschreven is wat het standpunt van verzoekster in dezen is alsmede op een door de wederpartij ingediend verweerschrift waarin uiteraard een andere visie is beschreven. Verzoekster is van oordeel dat reeds hieruit blijkt dat er bij mr. Flinterman sprake is van vooringenomenheid, nu zij verzoekster nog helemaal niet had gehoord over hetgeen de wederpartij in zijn verweerschrift naar voren heeft gebracht en op geen enkele wijze heeft geverifieerd of de visie van de wederpartij wel juist was.

2.5. Voorts is verzoekster van oordeel dat zij geen dan wel onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om haar visie op de gebeurtenissen aan mr. Flinterman kenbaar te maken. Ondergetekende heeft ter onderbouwing van haar betoog verzocht om overlegging van pleitnotities.

Voorgaande is door mr. Flinterman afgewezen, nu een voorlopige voorzieningenprocedure volgens mr. Flinterman hiervoor geen gelegenheid zou bieden en volstaan moest worden met enkele korte opmerkingen. Verzoekster is van oordeel dat hetgeen in haar zaak aan de orde is gekomen — een vermeend seksueel misbruik — zodanig ernstig is dat dit niet zomaar afgedaan kan worden met enkele korte opmerkingen. De wederpartij heeft in zijn verweerschrift zijn visie op het gebeuren uitgebreid vertolkt, terwijl verzoekster geen gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt in dezen uitgebreid naar voren te brengen.

De focus is tijdens de behandeling volledig komen te liggen bij de visie van de wederpartij. Van belang hierbij is op te merken dat aan het verweerschrift is gehecht een brief van de ouders van verzoekster waarin een verslaglegging wordt gedaan van gebeurtenissen rondom het vermeend seksueel misbruik. Mr. Flinterman heeft tijdens de behandeling aangegeven dat deze verslaglegging objectieve passages kent, waarmee zij in principe te kennen geeft dat deze passages feiten zijn dan wel op waarheid berusten. Miskend wordt echter het feit dat verzoekster en haar ouders gebrouilleerd zijn, waardoor elke objectiviteit aan de verslaglegging komt te vervallen.

Verzoekster heeft tijdens de behandeling aangegeven dat zij gebrouilleerd is met haar ouders, dat haar ouders met haar ex-echtgenoot onder één hoedje spelen, doch mr. Flinterman wilde hier weinig van weten en was van oordeel dat haar ouders in de voorlopige voorzieningenprocedure geen enkele rol speelden.

2.6. Voor verzoekster is het daarom bijzonder bevreemdend om te bemerken dat mr. Flinterman haar oordeel over de vermeende gebeurtenissen en over de rol van verzoekster hierin wel baseert op een brief van haar ouders.

Tijdens de behandeling heeft mr. Flinterman ook aangegeven dat zij bepaalde passages in het verslag van de ouders van verzoekster bijzonder schokkend vindt. In de ogen van verzoekster had mr. Flinterman echter niet zomaar mogen afgaan op hetgeen in het verslag vermeld staat en had in ieder geval geverifieerd moeten worden wat verzoekster haar standpunt ten aanzien van desbetreffende passages was.

Alhoewel verzoekster tijdens de behandeling heeft aangegeven dat zij bij haar handelen ook heeft gevaren op adviezen van o.a. instanties als de zedenpolitie en Bureau Jeugdzorg, was mr. Flinterman van oordeel dat verzoekster desondanks anders had moeten handelen. Hierbij werd door mr. Flinterman ook nog aangegeven dat zij het onbegrijpelijk vond hoe de zedenpolitie in deze kwestie heeft opgetreden.

Verzoekster is op grond van het hierboven aangevoerde van oordeel dat mr. Flinterman vooringenomen is geweest bij de behandeling van haar zaak, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Om vorenstaande redenen verzoekt verzoekster de rechtbank mr. Flinterman te wraken.

3. Het standpunt van mr. Flinterman

Mr. Flinterman heeft niet berust in de wraking en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Bij aanvang van de behandeling van de zaak heb ik mij niet uitgelaten over mijn standpunt in de zaak. Ik heb slechts aangegeven dat ik kennis had genomen van het verzoekschrift en verweerschrift met bijgevoegde stukken, waarin uitvoerig was beschreven welke handelingen op seksueel gebied hadden plaatsgevonden tussen de twee dochters van partijen van 9 en 11 jaar oud en de 11-jarige [minderjarige], zoon van de nieuwe partner van [verzoekster].

Ik heb vermeld dat bij de artsenstand bekend is dat, wanneer kinderen op jonge leeftijd seksuele ervaringen hebben, zij erg kwetsbaar zijn en blijven voor dergelijke toenaderingen, omdat er ook prettige gevoelens aan te pas komen.

De vrouw heeft hierdoor juist uitvoerig de gelegenheid gekregen om haar visie op het gebeuren weer te geven, wat ook blijkt uit het proces-verbaal.

Toen mr. Elderhuis aangaf dat zij een uitgebreid betoog wilde houden, heb ik haar verzocht alleen in te gaan op de kernpunten, omdat de voorlopige voorzieningen zitting zich niet leende voor uitgebreide pleitnotities.

Tijdens de behandeling heb ik aangegeven dat in de verslaglegging van de grootouders enkele objectieve passages staan vermeld zoals het optreden van de politieambtenaren: zich melden bij de grootouders, telefonisch contact opnemen met de zedenpolitie en vervolgens zonder medeneming van de twee meisjes vertrekken.

Dat de grootouders geen rol speelden in de voorlopige voorzieningen procedure betreft het volgende.

Elderhuis had verzocht “te bepalen dat de omgang met betrekking tot de kinderen wordt beperkt tot de ouders” en dat haar ouders niet tegen haar wil en zonder haar toestemming zouden fungeren als vervangende opvang.

Het ging in de procedure om de vraag aan wie van de ouders de twee kinderen voorlopig zouden worden toevertrouwd.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden had ik informatie van beide ouders nodig en was de rol van de grootouders m.z. (nog) niet aan de orde.

Inderdaad heb ik bewust aangegeven dat ik enkele passages schokkend vond. Hierop heeft de moeder juist kunnen reageren, zoals eveneens blijkt uit het proces-verbaal.

Vanuit het belang van de twee meisjes heb ik de zaak zo duidelijk mogelijk behandeld. Na afloop van de zitting heb ik meegedeeld deze week nog een beslissing te zullen geven, waaraan ik nu geen gevolg kan geven, omdat de wrakingsprocedure dat verhindert.”

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoekster is niet doorslaggevend.

4.3. De wrakingskamer begrijpt uit de gegeven schriftelijke toelichting dat het de intentie van mr. Flinterman is geweest verzoekster de gelegenheid te geven te reageren op de door verzoeker ingediende stukken, waaronder het verslag van de ouders van verzoekster over het (vermeende) sexueel misbruik van de dochters van partijen, alsmede op haar opmerkingen daaromtrent, met name dat zij enkele passages uit dit verslag schokkend vond.

Uit de inhoud van het proces-verbaal blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer, dat verzoekster, ook zonder dat zij haar pleitnotities heeft kunnen overleggen, voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt naar voren te brengen.

De wrakingskamer is van oordeel dat mr. Flinterman op dit punt geen blijk heeft gegeven van vooringenomenheid.

4.4. Bovenstaande neemt niet weg, dat de door verzoekster bedoelde opmerkingen en uitlatingen van mr. Flinterman met betrekking tot het, hiervoor al genoemde, (vermeende) sexueel misbruik van de dochter van partijen – hoewel deze naar de wrakingskamer aanneemt objectief bedoeld waren- in samenhang met de weigering van het overleggen van de pleitnota en de tijdsdruk die kennelijk tijdens de zitting werd gevoeld, naar het oordeel van de wrakingskamer verzoekster het gevoel hebben kunnen geven, dat mr. Flinterman vooringenomen was.

Dat, zoals hiervoor is overwogen, verzoekster wel degelijk in de gelegenheid is geweest haar visie op de zaak te geven, doet hieraan niet af.

4.5. Hoewel de wrakingskamer niet is gebleken dat mr. Flinterman ter zitting d.d. 5 september 2011 daadwerkelijk vooringenomen was jegens verzoekster, is de wrakingskamer van oordeel dat in de gegeven omstandigheden bij verzoekster een objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat mr. Flinterman jegens haar vooringenomen zou zijn.

Het wrakingverzoek zal dan ook worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

1. wijst het verzoek tot wraking toe.

2. bepaalt dat de behandeling van de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer 128364 FA RK 11-1751, in de stand waarin deze zich ten tijde van het wrakingsverzoek bevond, wordt voortgezet door een andere rechter.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, mr. L.C. Bosch en

mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2011.?