Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BT1918

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
19-09-2011
Zaaknummer
444136 - CV EXPL 10-3163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvullend pensioen; reparatie financiering.

Tussenvonnis, voor eindvonnis zie LJN BT1919.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0767
PJ 2011/153

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 444136 \ CV EXPL 10-3163

Vonnis van 2 februari 2011

inzake

Q.,

wonende te [adres],

eiser, hierna Q. te noemen,

gemachtigde: mr. M.A. Verboven, werkzaam bij CNV Vakmensen te Utrecht (Postbus 2525, 3500 GM),

tegen

de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg,

gevestigd en kantoorhoudend te Groningen,

gedaagde, hierna De Stichting te noemen,

gemachtigde: prof. dr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam (Postbus 75258, 1070 AG).

PROCESGANG

1. Op de bij dagvaarding met producties vermelde gronden heeft Q., na verandering van eis, gevorderd te verklaren voor recht dat Q. onafgebroken vanaf 1 januari 2002 tot 1 januari 2006 deelnemer is geweest in de prepensioenregeling of althans als deelnemer in de prepensioenregeling moet worden beschouwd en ook voor de overige voorwaarden aan artikel 3 Pensioenreglement V voldoet, en dat over de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2006 de prepensioenpremie geacht wordt geheel te zijn voldaan.

De Stichting heeft bij antwoord, onder overlegging van producties, de vordering betwist.

Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

OVERWEGINGEN

De feiten

2. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1. Q. is geboren op 1 juli 1950. Hij is vanaf 1 juli 1964 zonder onderbreking werkzaam in het beroepsgoederenvervoer.

Q. heeft De Stichting op 18 maart 2009 gevraagd hem voorwaardelijk pensioen (extra aanspraken op ouderdomspensioen op grond van Pensioenreglement V van het Pensioenfonds) toe te kennen per 1 juli 2011.

De Stichting heeft het verzoek van Q. afgewezen met haar brief van 16 november 2009.

2.2. Op 1 januari 2006 is Pensioenreglement V in werking getreden. Artikel 3 lid sub b luidt:

“de deelnemer moet vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 onafgebroken deelnemer zijn geweest in de prepensioenregeling van de Stichting Prepensioenfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg en de Verhuur van Mobiele Kranen (.....)”

2.3. Gedurende het jaar 2002 is Q. werkzaam geweest bij Reijnders Logistics B.V. Reijnders Logistics B.V. heeft haar werknemers niet aangemeld voor de prepensioenregeling. Op 1 januari 2003 is Q. in dienst getreden bij Van Ganzewinkel B.V. en deelnemer geworden aan de prepensioenregeling tot en met 31 december 2005.

Reijnders Logistics B.V. is in april 2003 failliet gegaan.

2.4. Op de aan Q. verstrekte pensioenoverzichten van 2004 en 2005 staat vermeld dat hij vanaf 1 januari 2002 deelnemer is in de prepensioenregeling.

2.5. Na 1 januari 2006 heeft De Stichting werkgevers, die hun werknemers niet lieten deelnemen in de prepensioenregeling, in de gelegenheid gesteld dit met terugwerkende kracht alsnog te doen door voor al die werknemers de premie over de periode 1 januari 2002 tot 20 februari 2003 te voldoen.

De standpunten van partijen

3. Q. heeft zich gebaseerd op de vaststaande feiten en verder aangevoerd dat hij voor het eerst op 15 oktober 2008 heeft vernomen dat hij in 2002 geen deelnemer was in de prepensioenregeling. Tot dat moment mocht hij er op vertrouwen deelnemer te zijn in de prepensioenregeling, onder meer op grond van door hem ontvangen (pre)pensioenoverzichten.

Omdat Q. niet tijdig is geïnformeerd door De Stichting heeft hij niet de mogelijkheid gehad het defect in zijn deelnemerschap (door zijn voormalige werkgever) te (laten) repareren.

Q. is bereid zelf de premie voor 2002 te betalen aan De Stichting, omdat zijn werkgever gedurende 2002 dat vanwege haar faillissement in april 2003 niet kan. De Stichting stelt Q. hiertoe niet in staat.

4. Het verweer van De Stichting is dat de verstrekte pensioenoverzichten geen mededeling aan Q. bevatten over zijn recht of aanspraak op aanvullende pensioenrechten. Er zijn daardoor geen verwachtingen gewekt. Subsidiair stelt De Stichting dat eventuele verwachtingen zijn gewekt door een andere rechtspersoon, De Stichting Prepensioenfonds Goederenvervoer.

Volgens artikel 5 Pensioenreglement V heeft Q. geen aanspraak gekregen omdat er geen aanspraak is gefinancierd doordat Reijnders Logistics B.V. over 2002 geen premie heeft betaald.

De huidige werkgever van Q. kan tot reparatie overgaan door voor alle destijds bij Reijnders Logistics B.V. in dienst geweest zijnde werknemers, alsnog de premie voor 2002 te betalen. Dat is in overeenstemming met het collectieve en solidaire karakter van de prepensioenregeling.

De beoordeling van het geschil

5. De kantonrechter stelt vast dat Q. niet voldoet aan de voorwaarden van Pensioenreglement V. De vraag die moet worden beantwoord is of De Stichting daarop een beroep kan doen bij haar weigering om Q. in aanmerking te laten komen voor voorwaardelijk pensioen met ingang van 1 juli 2011. Voordat de kantonrechter die vraag beantwoordt wil hij van partijen een antwoord op de hierna volgende vragen.

6.1. Op welke wijze zijn werknemers geboren (kort) na 1 januari 1950 geïnformeerd over het Pensioenreglement V?

6.2. Op welk moment was De Stichting op de hoogte van het feit dat Reijnders Logistics B.V. haar werknemers niet liet deelnemen aan de pensioenregeling?

6.3. Is de kwestie in algemene zin beperkt tot de periode 1 januari 2002 tot 20 februari 2003 en tot werknemers in die periode in dienst van niet aangesloten werkgevers?

6.4 Om hoeveel werkgevers en werknemers gaat het dan?

6.5. Hoeveel van die werkgevers zijn opgehouden te bestaan voordat deze zijn benaderd door De Stichting op de wijze als bedoeld in productie 7 bij de dagvaarding?

6.6. Op welke wijze had Q. haar werkgever Reijnders Logistics B.V., in de veronderstelling dat die zou zijn blijven bestaan, kunnen dwingen tot het alsnog betalen van de premie voor Q. over 2002.

7. De kantonrechter gaat er van uit dat de vragen 6.1. tot en met 6.5. door De Stichting beantwoord kunnen worden. De Stichting krijgt daarom als eerste de gelegenheid een akte te nemen op de in het dictum bedoelde rolzitting. Op die akte zal Q. kunnen antwoorden waarbij uiteraard antwoord gegeven moet worden op vraag 6.6. Ten slotte zal De Stichting op het door Q. gegeven antwoord op vraag 6.6. mogen reageren, voordat opnieuw vonnis zal worden gewezen.

BESLISSING

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 2 maart 2011 voor een akte aan de kant van De Stichting als bedoeld in rechtsoverweging 7;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 2 februari 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: RTjT