Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BS7792

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
125587-FA RK 11-704
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontheffing; ; het andere kind is een keer bij de moeder teruggeplaatst, maar ondanks de geboden hulp zowel in vrijwillig kader als in het kader van de OTS bleek moeder niet in staat dit kind de noodzakelijke verzorging te bieden; zij hield zich niet aan adviezen, kwam afspraken niet na en was slecht bereikbaar;de belaste voorgeschiedenis van het kind, de wisselende opvoedingssituaties en zijn aandoeningen maken dat het zeer kwetsbaar is; het kind heeft specifieke opvoedingsbehoeften nodig; er worden hoge eisen gesteld aan het pedagogisch klimaat op gebied van structuur en bovengemiddelde pedagogische vaardigheden zijn vereist; hoewel het haar met veel deskundige begeleiding lukt om samen met haar huidige partner een uit hun relatie geboren kind te verzorgen, kan moeder niet aan voormelde eisen voldoen en zij zou met de zorg voor twee kinderen ook worden overvraagd; het perspectief van het kind ligt bij zijn pleegmoeder; het contact tussen kind en moeder moet worden voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige kamer

zaaknr.: 125587/FA RK 11-704

beschikking d.d. 19 juli 2011

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen,

gevestigd te 9726 AD Groningen, Cascadeplein 6,

v e r z o e k e r,

hierna te noemen de Raad,

en

de moeder,

advocaat mr. A.M.I. Eleveld.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de pleegmoeder van het minderjarige kind A.;

- Bureau Jeugdzorg Groningen (bjz).

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 30 maart 2011 een verzoekschrift met bijlagen d.d. 3 februari 2011 ingediend, waarin wordt verzocht om bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de moeder gedwongen te ontheffen van het gezag over het minderjarige kind A.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 juni 2011.

Verschenen en gehoord zijn:

- mevrouw A.I. van Dijk namens de Raad;

- de moeder van A., bijgestaan door de advocaat mr. A.M.I. Eleveld, die gebruik heeft gemaakt van pleitnotities;

- de pleegmoeder van de minderjarige en

- de heer G. van der Ploeg namens bjz.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

De moeder is op 25 november 2002 in de gemeente Groningen bevallen van het thans nog minderjarige kind A. De vader is niet bekend. De moeder heeft het ouderlijke gezag over [A.].

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 14 november 2005 is [A.] voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, met benoeming van bjz tot gezinsvoogd, voor de termijn van drie maanden.

Bij beschikking van voornoemde kinderrechter d.d. 14 februari 2006 is [A.] onder toezicht gesteld voor de periode van een jaar en is machtiging tot zijn uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. [A.] is vervolgens overgeplaatst naar een netwerkgezin, de grootouders m.z. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervolgens verlengd.

Op 27 juni 2008 is de uithuisplaatsing van [A.] beëindigd en is hij teruggeplaatst bij de moeder.

Op 8 januari 2009 heeft de kinderrechter in deze rechtbank machtiging verleend tot

(spoed-) uithuisplaatsing van [A.] voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van de kinderrechter van 21 januari 2009 is de ondertoezichtstelling opnieuw met een jaar verlengd. Verder is de beschikking van 8 januari 2009 bekrachtigd.

Er is machtiging verleend tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Eind mei 2009 is [A.] geplaatst in het derde (huidige) pleeggezin.

De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn jaarlijks verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 14 december 2010 tot 8 januari 2012.

In zijn rapport heeft de Raad - samengevat - het volgende gesteld

[A.] bleek bij zijn geboorte net als de moeder besmet te zijn met het HIV-virus.

In de daaropvolgende jaren is [A.] meerdere malen in het ziekenhuis opgenomen wegens groei- en medicatieproblemen, omdat hij zijn medicatie niet of te onregelmatig kreeg toegediend.

[A.] is voorlopig onder toezicht gesteld omdat er grote zorg bestond over zijn gezondheid, aangezien hij niet de medische zorg kreeg die hij nodig had en geen enkele instantie zicht op hem had.

Nadat [A.] bij haar is teruggeplaatst (zij had een nieuwe partner, woonde met hem samen in een eigen woonruimte en werd begeleid door de MJD), laat de moeder aanvankelijk zien afspraken na te kunnen komen, verantwoordelijkheid te nemen en toont zij betrokkenheid bij [A.]. Na een aantal maanden komen er signalen binnen van huiselijk geweld, is er opnieuw zorg over de medicatietoediening en blijkt de moeder niet mee te werken aan het ouderbegeleidingstraject. [A.] maakt een trieste indruk en vertelt op school thuis geslagen te zijn. [A.] is vervolgens opnieuw uit huis geplaatst en verblijft vanaf mei 2009 in het huidige pleeggezin.

Vanaf mei 2009 is er door bjz niet meer gewerkt aan terugplaatsing van [A.] bij de moeder. Er is voor gekozen om [A.] een stabiele en betrouwbare opvoedingssituatie te bieden. Bij [A.] is ADHD gediagnosticeerd. Zijn HIV-besmetting in combinatie met zijn gedragsstoornis brengt met zich mee dat er hoge eisen worden gesteld aan een gestructureerd pedagogisch klimaat en dat bovengemiddelde pedagogische vaardigheden zijn vereist. [A.] heeft behoefte aan rust, stabiliteit en zekerheid over zijn woon- en leefsituatie.

De moeder is onmachtig om [A.] op adequate en verantwoorde wijze op te voeden, te verzorgen en te begeleiden.

Voor [A.] moet duidelijk zijn dat zijn toekomstperspectief bij zijn huidige pleegmoeder ligt. Zij wordt door [A.] beschouwd als primaire gehechtheidsfiguur (secure base).

Een scheiding van haar zou voor [A.] een zeer ingrijpend verlies zijn, met onherroepelijke gevolgen voor zijn verdere ontwikkeling.

De verderstrekkende maatregel is geïndiceerd en draagt bij aan een positieve ontwikkeling van [A.]. Gezien de leeftijd van [A.] en het feit dat de moeder al ruim twee jaar geen invulling (meer) geeft aan haar rol als ouder en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, zijn er door de ontheffing geen negatieve effecten voor [A.] te verwachten.

Moeder moet wel deel van het leven van [A.] blijven uitmaken. Daartoe dient de bestaande omgangsregeling, mits [A.] hier goed op blijft reageren, te worden voortgezet.

De moeder kan daardoor een duidelijke plek in het leven van [A.] behouden.

Het is wellicht wenselijk dat de moeder daarbij extra begeleiding krijgt.

standpunt van de Raad ter zitting

De verschillende plaatsingen zijn erg slecht geweest voor de ontwikkeling van [A.].

De moeder wil [A.] zelf weer gaan verzorgen en opvoeden. Zij mist echter de daartoe benodigde specifieke opvoedingsvaardigheden, hetgeen ook is gebleken na de thuisplaatsing.

Er is toen fors in de moeder geïnvesteerd. Voorafgaand aan de thuisplaatsing is gewerkt aan allerlei doelen. De moeder kwam gemaakte afspraken niet na, er zijn veel problemen geweest over de medicatie van [A.], de moeder hield zich niet aan de ouderbegeleiding en zij was slecht bereikbaar.

De pleegmoeder beschikt wel over de voor [A.] noodzakelijke opvoedingsvaardigheden.

Zij heeft veel aandacht besteed aan allerlei ontwikkelingsgebieden van [A.] en het resultaat daarvan is duidelijk zichtbaar. Het gaat goed met [A.], ook op school. Hij is leergierig en ligt goed in de groep.

[A.] lijdt onder de bestaande onduidelijkheid over zijn situatie.

De moeder vormt momenteel samen met haar partner en haar zoon B. een gezin.

Die partner heeft een positieve invloed op het gezin en het gaat - mede dankzij de ingezette hulpverlening - goed met B. is een kind dat niet zo is belast als [A.]. De partner beschikt niet over een status in Nederland.

standpunt van de moeder

De moeder verzet zich tegen de verzochte ontheffing.

De rapportage bevat een aantal suggestieve opmerkingen en lijkt te zijn toegeschreven naar de ontheffing van het gezag van de moeder.

Zo wordt vermeld dat de moeder wel in staat is om basale zorg aan B. te bieden, dat zij onbetrouwbaar is in haar betrokkenheid bij [A.], dat zij zich niet altijd even constructief gedraagt, dat zij te afhankelijk van hem zou zijn en dat is begrepen dat de moeder weinig binding meer met [A.] voelt.

Volgens bjz en de Intensieve Orthopedagogische Gezinsbegeleiding (IOG) is er geen sprake geweest van huiselijk geweld.

De informatie over de moeder uit het verleden is achterhaald.

Haar onmacht is onvoldoende onderbouwd.

De moeder heeft aangetoond dat zij (samen met haar partner, met wie zij vrijwel volledig samenwoont) B. op goede wijze kan verzorgen en opvoeden. De ondertoezichtstelling van B. is dan ook niet verlengd. De moeder en haar partner worden vrijwillig begeleid door de IOG en dat gaat ook volgens bjz tot ieders volle tevredenheid. De moeder heeft bewezen dat zij medicatietrouw is.

De moeder is bezig met een inburgeringcursus en zij volgt een opleiding. De partner is afkomstig uit Sierra Leone. Hij heeft nog geen verblijfsstatus. Binnenkort wordt een aanvrage tot een reguliere verblijfsvergunning ingediend.

De moeder wil graag zelf weer de verzorging en opvoeding van [A.] op zich nemen.

Dat is ook altijd haar uitgangspunt geweest. [A.] dient via een gestructureerd beleid naar de moeder teruggeleid te worden.

De moeder wil graag de professionele begeleiding krijgen, die noodzakelijk is om [A.] op een voor hem noodzakelijke wijze te kunnen verzorgen en op te voeden en die de moeder en haar partner nog meer zal stimuleren. Tot nu toe is de moeder deze steun steeds onthouden.

Aan [A.] kan worden uitgelegd dat er wel degelijk perspectief is om terug te keren bij de moeder. Dat hij aan de pleegmoeder is gehecht hoeft die terugkeer niet in de weg te staan.

De moeder heeft ingestemd met de huidige omgangsregeling van één keer in de zes weken omdat zij het zo druk had/heeft met het inburgeringstraject en haar opleiding.

Met deskundige hulp kan de omgangsfrequentie worden opgevoerd.

standpunt van de pleegmoeder

[A.] volgt geen therapieën. Hij gaat wel naar Accare voor medicatiecontroles.

De moeder heeft zelf bij een bezoek aan het bjz verklaard [A.] één keer in de zes weken te willen bezoeken.

Op de laatste verjaardag van [A.] is de moeder alle gelegenheid geboden om tijd met hem door te brengen. Uiteindelijk is zij twee uur gebleven.

[A.] vindt het wel fijn wanneer de moeder en haar partner op bezoek komen, maar hij wordt erg onrustig als zij weggaan. [A.] vraagt de pleegmoeder dan steevast om een bevestiging dat hij bij haar mag blijven wonen. [A.] heeft bij de pleegmoeder in de buurt een vriendenkring opgebouwd en hij doet daar aan sport.

beoordeling

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een ouder ontheffen van het ouderlijke gezag over zijn/haar kind, indien hij/zij ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet.

Volgens het bepaalde in artikel 1:268, eerste lid, BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich hiertegen verzet.

Deze regel lijdt slechts uitzondering wanneer er sprake is van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel. In deze zaak is alleen het bepaalde onder a. van belang.

Dat houdt in dat een ontheffing ondanks, zoals in dezen het geval, verzet van de ouder, uitgesproken kan worden indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Vaststaat dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen.

Voornoemde maatregelen zijn in beginsel van tijdelijke aard en moeten zijn gericht op (het werken aan) een terugkeer van het kind naar de ouder.

Uit de duur van de maatregelen, de inhoud van de overgelegde stukken en gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de moeder onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] te vervullen.

[A.] is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst omdat hij ernstig in zijn geestelijke en lichamelijke belangen bedreigd werd. De moeder was niet in staat om [A.] in zijn eerste levensjaren en ook niet in de periode waarin hij bij haar is teruggeplaatst de noodzakelijke verzorging te geven. De geboden hulp in het vrijwillige kader en in het kader van de ondertoezichtstelling heeft onvoldoende effect gesorteerd, mede doordat de moeder zich niet hield aan adviezen, afspraken niet nakwam en slecht bereikbaar was.

Ook in de huidige situatie, waarin de moeder met steun van haar partner en met veel deskundige begeleiding zelfstandig zorg draagt voor de opvoeding en verzorging van haar zoon B., is zij naar het oordeel van de rechtbank niet in staat om [A.], die door zijn belaste voorgeschiedenis, ede wisselende opvoedingssituaties en zijn aandoeningen (HIV en ADHD) - in tegenstelling tot B. - zeer kwetsbaar is en specifieke opvoedingsbehoeften heeft, datgene te bieden wat hij nodig heeft.

De rechtbank verwijst naar de vermelding in het Raadsrapport dat de HIV-aandoening in combinatie met de gedragsstoornis, hoge eisen stelt aan het pedagogisch klimaat op het gebied van structuur en bovengemiddelde pedagogische vaardigheden vraagt.

De moeder zou overigens met de zorg voor twee kinderen ook worden overvraagd.

[A.] groeit nu voorspoedig op bij de pleegmoeder. Zij beschikt wel over voldoende opvoedingscapaciteiten om te kunnen voorzien in de specifieke ontwikkelingsbehoeften van [A.]. Het hechtingsproces tussen [A.] en de pleegmoeder verloopt uiterst positief. Hij wordt door haar goed verzorgd en ontwikkelt zich prima.

Om een goede verdere ontwikkeling van [A.] mogelijk te maken moet er naar het oordeel van de rechtbank een einde wordt gemaakt aan de onzekerheid over zijn toekomstperspectief. Bovendien zijn de spanning en de onrust die de verlenging van de maatregelen iedere keer met zich meebrengen niet in het belang van [A.].

De moeder houdt vast aan haar toekomstbeeld waarin in haar gezin plaats is ingeruimd voor [A.]. [A.] is gebaat bij duidelijkheid over zijn toekomstperspectief en dat ligt bij de pleegmoeder.

Gebleken is dat de moeder voldoende kansen zijn geboden om [A.] zelfstandig op te voeden en te begeleiden. Daartoe zijn verschillende vormen van hulpverlening ingezet, die echter niet tot het aanvankelijk beoogde resultaat (opvoeding van [A.] door de moeder) hebben gehad.

Nu de getroffen kinderbeschermingsmaatregelen onvoldoende bescherming hebben geboden om de dreiging van het zodanig opgroeien van [A.] dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd, af te wenden, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de moeder om het gezag over [A.] te behouden niet opweegt tegen het belang van [A.] bij duidelijkheid, continuïteit en stabiliteit in zijn leven en dat zij dient te worden ontheven van het gezag over [A.].

De ontheffing van de moeder heeft tot gevolg dat een gezagsvoorziening over [A.] komt te ontbreken. De rechtbank dient daarom op grond van artikel 1:275 eerste lid BW een voogd te benoemen.

De voogdij wordt opgedragen aan bjz, die als neutrale partij de belangen van [A.] in het oog kan houden en kan behartigen en het contact tussen [A.] en de moeder, dat ondanks de gewijzigde gezagssituatie dient te worden voortgezet, kan begeleiden. Bjz heeft zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden.

BESLISSING

ontheft de moeder van het ouderlijke gezag over het minderjarige kind

[A.];

benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige Bureau Jeugdzorg Groningen,

p/a postbus 1203, 9701 BE Groningen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.A. Flinterman, M.J.B. Holsink en

S. Stenfert Kroese en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van

dinsdag 19 juli 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.