Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BS7594

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
113318-FA RK 09-2354
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de man is ontvankelijk, ook in zijn verzoek tot OTS van het kind, mede gelet op de; artikelen 7 en 8 IVRK, art., 8 EVRM alsmede de heersende jurisprudentie; ondanks family life tussen de man en het kind heeft de vrouw het kind door haar huidige partner laten erkennen; deze erkenning is vernietigd en de man heeft het kind alsnog erkend; de vrouw frustreert al twee jaar lang iedere vorm van contact tussen de man en het kind; de vrouw negeert daarbij rechterlijke uitspraken, vertraagt bewust de procedure en komt ter zitting gedane toezeggingen op geen enkele manier na; de vrouw ontkent de nadelige gevolgen van haar handelwijze voor het kind; zij handelt niet als een verantwoordelijke ouder; voorlopige begeleide omgangsregeling vastgesteld, dwangsom en gijzeling; de beslissing over de definitieve omgangsregeling is aangehoiuden in afwachting van nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming tav de noodzakelijkheid/wenselijkheid van de OTS van het kind;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 113318/FA RK 09-2354

beschikking d.d. 2 augustus 2011

in de zaak van:

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.J. Volmbroek,

en

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A.J. de Boer.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 23 februari 2010 en op 12 april 2011 (tussen-) beschikkingen gegeven.

Ter griffie is op 18 april 2011 een brief d.d. 15 april 2011 ontvangen van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (verder te noemen de Raad).

Op 13 mei 2011 is ter griffie een brief d.d. 12 mei 2011 van de Raad ontvangen.

Ter griffie zijn op 13 en 17 mei 2011 faxberichten van mr. Volmbroek ontvangen.

Op 31 mei 2011 is ter griffie een aanvullend verzoekschrift van de man ontvangen.

Daarbij heeft hij verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

1. een omgangsregeling vast te stellen inhoudende, dat [A.] de man vanaf de datum van de uitspraak één keer per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur zal bezoeken, waarbij de man [A.] komt ophalen en weer terugbrengt, alsmede tijdens de vakanties en de feestdagen, conform punt 16 van het verzoekschrift van 9 oktober 2009;

2. te bepalen dat de vrouw een direct opeisbare dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag, dan wel dagdeel dat zij, na betekening van de te wijzen beschikking, de onder 1. opgenomen omgangsregeling niet nakomt c.q. de uitvoering hiervan belemmert;

3. de man te machtigen om, bij niet nakoming van de onder 1. opgenomen omgangsregeling, de vrouw in gijzeling te doen nemen voor de duur van vierentwintig uur, waarbij heeft te gelden dat, telkens wanneer de vrouw vierentwintig uur in gijzeling wordt genomen, de verbeurde dwangsom moet worden verminderd met het bedrag, gelijk aan de dwangsom voor één overtreding;

4. [A.] ex artikel 1:254 lid 1 BW onder toezicht te stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1 onder f van de Wet op de jeugdzorg;

5. althans zodanig te beslissen als de rechtbank in goede justitie redelijk acht,

kosten rechtens.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting met gesloten deuren van 9 juni 2011.

Daarbij zijn partijen, mr. Volbroek, mr. G. Meijer, optredende in plaats van zijn kantoorgenote mr. De Boer en mevrouw A.I. van Dijk namens de Raad, verschenen en gehoord.

De rechtbank heeft ter zitting de beslissing kenbaar gemaakt.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in voormelde

(tussen-) beschikkingen.

Bij de beschikking van 12 april 2011 is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen naar de wijze, waarop het beste vorm kan worden gegeven aan (begeleide) omgang tussen de man en [A.] en de rechtbank uiterlijk twee weken voorafgaand aan donderdag 20 oktober 2011 te 10.00 uur (de dag waarop de zaak verder zal worden behandeld), van rapport en advies te dienen.

De vrouw is gewezen op de verplichting om mee te werken aan (begeleide) proefcontacten, die in het kader van dat onderzoek zo spoedig mogelijk onder de regie van de Raad kunnen worden opgestart. Verder is overwogen, dat indien de vrouw hiermee in gebreke blijft het de man vrijstaat om de rechtbank te verzoeken de zaak op korte termijn wederom ter zitting te behandelen, waarna een eindbeslissing zal worden genomen.

standpunt van de Raad ter zitting

Er is geen sprake is van factoren die omgang van [A.] met haar vader in de weg staan.

Het uitblijven van de omgang is alleen maar schadelijk voor [A.].

De vrouw is hier steeds opnieuw (ook in rechterlijke uitspraken) op gewezen.

Het is onbegrijpelijk dat zij desondanks categorisch blijft weigeren om mee te werken aan enige vorm van contact tussen [A.] en haar vader.

De vrouw hecht er kennelijk geen enkele waarde aan dat [A.] haar vader leert kennen.

Dat [A.] aan de vrouw kenbaar zou hebben gemaakt dat zij geen contact met haar vader wil hebben mag geen enkele rol spelen.

Van de vrouw mag worden gevergd dat zij als ouder niet meegaat in de uitingen van een zesjarig kind. Dat zal de vrouw ook niet doen wanneer [A.] te kennen zou geven niet naar bed of naar school te willen gaan.

Door het tegenhouden van (proef-) contacten tussen [A.] en haar vader ontneemt de vrouw [A.] de mogelijkheid om te ervaren waarom zij neen zegt tegen deze contacten.

Wanneer de vrouw meewerkt aan het contact kunnen er in een later stadium altijd nog conclusies worden getrokken indien een en ander niet goed zou verlopen.

Het is in het belang van [A.] en ook van haar vader dat er thans een omgangsregeling wordt vastgesteld, die ook daadwerkelijk wordt geëffectueerd.

De Raad is bereid om binnen de mogelijkheden de eerste omgangsmomenten te organiseren, te begeleiden en naar aanleiding daarvan te rapporten en te adviseren.

standpunt van de man

De vrouw heeft bewerkstelligd dat er nu al tweeënhalf jaar lang geen enkele vorm van contact tussen [A.] en haar vader is geweest. Zij wil haar houding niet wijzigen, kennelijk zelfs niet indien er dwangmiddelen moeten worden ingezet die ook hun weerslag op [A.] zouden kunnen hebben.

Het is van groot belang dat er op zo kort mogelijke termijn eindelijk omgang wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld in de vorm van geleidelijk op te bouwen begeleide proefcontacten. De man is bereid mee te werken aan een nader onderzoek van de Raad naar aanleiding van de verzochte ondertoezichtstelling om dit te bewerkstelligen.

standpunt van de vrouw

De man is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het uitspreken van een ondertoezichtstelling op grond van artikel 1:254 lid 4 BW. Hij is slechts de toevallige verwekker van [A.] die nauwelijks een rol in haar leven heeft gespeeld. Van een nauwe persoonlijke betrekking tussen beiden is geen sprake. De heer B. is de echte vader voor [A.].

Contact tussen [A.] en de man zou slechts schade berokkenen aan het hechte gezin waarvan zij thans deel uitmaakt.

De vrouw heeft zich tegenover [A.] nooit negatief over de man uitgelaten,

De vrouw heeft [A.] gevraagd of zij contact met de man wilde hebben. [A.] is zes jaar en kan heel goed haar eigen mening ventileren. Zij gaf duidelijk te kennen geen prijs te stellen op dat contact. De vrouw stelt zich onvoorwaardelijk op achter haar dochter. [A.] mag zelf bepalen wat zij wil. Voor de man is geen plaats in het leven van [A.].

De vrouw heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt niet aan enige vorm van omgang tussen [A.] en de man mee te werken en ook niet aan een vorm van (aanvullend) onderzoek, gericht op het uiteindelijk bewerkstelligen van omgang.

Voor ondertoezichtstelling van [A.] is geen enkele grond. Een omgangsondertoezichtstelling kan niet meer worden opgelegd.

Er is ook geen grond voor welk dwangmiddel ook.

Overigens zou een dwangmiddel geen enkel effect sorteren omdat de vrouw nooit zal meewerken aan omgang. Gijzeling zou alleen maar een negatieve uitwerking op [A.] hebben.

De vrouw gaat in hoger beroep tegen iedere beslissing waarbij (een vorm van) omgang, al dan niet met een of meer dwangmiddel(-en), is vastgesteld.

beoordeling

De vrouw betwist iedere keer opnieuw dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [A.].

De rechtbank heeft in beide vorige (tussen-) beschikkingen reeds overwogen dat van een dergelijke nauwe persoonlijke betrekking sprake is, zodat hierop thans niet weer hoeft te worden ingegaan.

Gelet op het vorenstaande en op hetgeen is opgenomen in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en in de artikelen 7 en 8 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) en op de heersende jurisprudentie ter zake is de man ontvankelijk in hetgeen door hem is verzocht, dus ook in zijn verzoek tot het uitspreken van een ondertoezichtstelling van [A.].

In deze procedure, die al op 12 oktober 2009 door de man is geëntameerd, heeft de Raad meerdere malen duidelijk gemaakt dat omgang tussen [A.] en de man in het belang is van hen beiden en zeker in dat van het kind en dat er geen factoren aanwezig zijn die op enigerlei wijze aan die omgang in de weg staan.

De rechtbank heeft in beide vorige (tussen-) beschikkingen onomwonden overwogen en beslist dat omgang moet en ook mogelijk is en dat van de vrouw in haar rol als gezaghebbende ouder mag worden gevergd, dat zij hieraan in het belang van [A.] haar medewerking gaat verlenen.

Desondanks heeft de vrouw iedere vorm van herstel van het contact tussen [A.] en haar biologische vader gefrustreerd. Zij heeft de gegeven beschikkingen volkomen genegeerd. Ook haar toezegging ter zitting mee te zullen werken aan een bemiddelend traject volgens de BOR-methode van Bureau jeugdzorg, uitgevoerd door de basegroep, is de vrouw niet nagekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het van groot belang voor haar verdere ontwikkeling dat [A.] zo spoedig mogelijk eindelijk weer contact met haar vader heeft, om zich zo zelf een beeld te kunnen vormen van haar andere ouder en haar de gelegenheid te bieden aan beide ouders loyaal te zijn.

De vrouw heeft meerdere malen verklaard niet de man maar haar huidige partner als de vader van [A.] te zien.

Zowel de vrouw als haar huidige partner hebben aangegeven zichzelf en [A.] exclusief als gezin te zien en beschouwen contact tussen [A.] en haar biologische vader als een ongewenste inmenging daarin. Algemeen aanvaarde pedagogische theorie omtrent het belang van contact tussen een kind en diens biologische ouder ten behoeve van een positieve sociaal emotionele ontwikkeling van het kind wordt daarbij ontkend.

Echter, op de vrouw als verzorgende ouder rust de verantwoordelijkheid een klimaat te scheppen waarin [A.] het gevoel krijgt dat de vrouw haar de ruimte geeft contact te hebben met haar vader en hier ook van te kunnen genieten. Als de vrouw daar voor zichzelf (en daarmee indirect ook [A.]) hulp bij nodig heeft, zou het goed zijn als zij die hulp zocht.

Gelet ook op de voortdurende negatieve proceshouding van de vrouw is er geen enkele grond om nog langer te wachten met effectuering van herstel van het contact tussen [A.] en haar vader.

Om dit te realiseren zal de rechtbank, totdat nader is beslist, een omgangsregeling vaststellen waarbij de man gerechtigd is om onder de regie van de Raad één keer in de veertien dagen contact met [A.] te hebben op een wijze, zoals door de Raad wenselijk en haalbaar wordt geacht, waarbij het ook mogelijk is dat er wordt gekozen voor een andere omgangsfrequentie. In ieder geval dient het eerste contactmoment plaats te vinden binnen een week, nadat deze beschikking aan partijen is toegezonden.

De Raad zal partijen en hun advocaten hierover en ook over de te volgen aanwijzingen waaraan partijen zich dienen te houden schriftelijk op de hoogte stellen.

De Raad dient onderzoek te verrichten naar de wenselijkheid/noodzakelijkheid van een ondertoezichtstelling van [A.] en uiterlijk na drie maanden rapport en advies hierover en ook over het verloop van de omgangsregeling uit te brengen, waarbij met name de zogenaamde kindfactoren aan de orde dienen te komen.

De zaak wordt vervolgens behandeld op de hierna te melden zitting met gesloten deuren, waarna een eindbeschikking zal worden gegeven.

Uit hetgeen tijdens de verschillende zittingen door of namens de vrouw naar voren is gebracht, haar halsstarrige weigering om mee te werken aan iedere vorm van omgang tussen [A.] en haar vader en haar proceshouding (zij heeft rechterlijke uitspraken genegeerd en heeft de procedure verder vertraagd door in hoger beroep te gaan tegen een beschikking waarvan dit helemaal niet mogelijk was), kan worden afgeleid dat het opleggen van een dwangsom noodzakelijk is om [A.] met haar vader in contact te laten komen.

De rechtbank zal een dwangsom vaststellen van € 500,- voor iedere keer dat de vrouw weigerachtig is aan de vastgestelde omgangsregeling mee te werken, waarbij het maximum van de te verbeuren dwangsommen wordt bepaald op € 10.000,-.

Gezien de wel bijzonder hardnekkige en weigerachtige houding van de vrouw valt tevens niet te verwachten dat louter een dwangsom een effectief middel zal zijn om naleving af te dwingen.

Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank onontkoombaar om ook het uiterste middel om nakoming af te dwingen - lijfsdwang - zoals verzocht toe te wijzen.

De vrouw hoeft daar geen negatieve gevolgen van te ondervinden. Als zij deze beschikking naleeft, hetgeen van haar verlangd mag worden, zal van het verbeuren van dwangsommen en de lijfsdwang immers geen sprake zijn. Als de vrouw de beschikking naleeft zal [A.] van deze veroordeling ook geen nadelen hoeven te ondervinden.

Mocht het toepassen van lijfsdwang noodzakelijk zijn dan leidt dit niet tot een situatie waarin niet meer voor [A.] gezorgd kan worden. Zij kan in die periode namelijk door de huidige partner van de vrouw of door familieleden worden opgevangen.

De rechtbank komt, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, tot de volgende beslissing.

BESLISSING

stelt - totdat nader wordt beslist - de volgende omgangsregeling vast:

de man is gerechtigd om onder de regie van de Raad één keer in de veertien dagen contact met [A.] te hebben op een wijze, zoals door de Raad wenselijk en haalbaar wordt geacht,

waarbij in ieder geval het eerste contactmoment dient plaats te vinden binnen een week na

2 augustus 2011, de dag waarop deze beschikking aan partijen is verzonden;

het is mogelijk dat door de Raad wordt gekozen voor een andere omgangsfrequentie;

de Raad zal partijen en hun advocaten hierover en ook over de te volgen aanwijzingen waaraan partijen zich dienen te houden, schriftelijk op de hoogte stellen;

veroordeelt de vrouw indien zij na betekening van deze uitspraak in gebreke blijft haar medewerking aan voormelde omgangsregeling te verlenen, tot betaling aan de man van een dwangsom van € 500,- per dag (vijfhonderd euro) (een gedeelte van een dag daarbij inbegrepen), tot een maximum van € 10.000,- (tienduizend euro) is bereikt;

machtigt de man om de nakoming van voormelde omgangsregeling te bewerkstelligen door telkenmale dat de vrouw deze niet nakomt de vrouw in gijzeling te doen nemen voor de duur van vierentwintig uur, waarbij heeft te gelden dat, telkens wanneer de vrouw vierentwintig uur in gijzeling wordt genomen, de verbeurde dwangsom moet worden verminderd met het bedrag, gelijk aan de dwangsom voor één overtreding;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling van [A.], alsmede

de definitieve beslissing over de omgangsregeling en de beslissing over de proceskosten aan; verzoekt de Raad om onderzoek te verrichten naar de wenselijkheid/noodzakelijkheid van een ondertoezichtstelling van [A.] en uiterlijk na drie maanden rapport en advies hierover en ook over het verloop van de omgangsregeling uit te brengen, waarbij met name de zogenaamde kindfactoren aan de orde zullen komen;

bepaalt dat de zaak verder zal worden behandeld ter zitting met gesloten deuren van

donderdag, 24 november 2011 te 14.45 uur, waarna een eindbeschikking zal worden gegeven.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.B. Holsink en door deze uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van dinsdag 2 augustus 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.