Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BS7508

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
125322/FA RK 11-617
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontheffing van het gezag van moeder van een van de beide kinderen, ondanks dat moeder veel in zichzelf heeft geinvesteerd en het momenteel goed met haar gaat; bestendigheid van de situatie is onduidelijk; moeder is niet in staat om het ene kind de vereiste pedanogische aansturing te geven; het toekomstperspectief van dit kind ligt niet bij moeder, maar in het pleeggezin;

ten aanzien van het andere kind wordt het verzoek tot ontheffing van moeder aangehouden; onvoldoende duidelijk is waar het toekomstperspectief van dit kind ligt, bij moeder of in het pleeggezin; aanvullend onderzoek is noodzakelijk;

de omgang van moeder met beide kinderen moet worden uitgebreid en er moet ook vaker omgang zijn tussen beide kinderen en hun halfbroer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige kamer

zaaknr.: 125322/FA RK 11-617

beschikking d.d. 23 augustus 2011

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen,

gevestigd te 9726 AD Groningen, Cascadeplein 6,

v e r z o e k e r,

hierna te noemen de Raad,

en

de moeder,

advocaat mr. J.S. Ozsaran.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de vader;

- de pleegouders van het minderjarige kind A. ;

- de pleegouders van het minderjarige kind B.;

- Bureau Jeugdzorg Groningen (bjz);

- het Legers des Heils Jeugdzorg en Reclassering te Groningen (LJ & R).

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 21 maart 2011 een verzoekschrift met bijlagen d.d. 18 maart 2011 ingediend, waarin wordt verzocht om bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de moeder gedwongen te ontheffen van het gezag over de minderjarige kinderen [A.] en [B.].

Op 29 maart 2011 is ter griffie een brief d.d. 28 maart 2011 van voornoemde pleegouders van [A.] ontvangen.

[A.] is op 27 april 2011 door de rechtbank gehoord.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 juni 2011.

Verschenen en gehoord zijn:

- de heer J. Scholte Aalbes namens de Raad;

- de moeder van [A.] en [B.], bijgestaan door de advocaat mr. J.S. Ozsaran;

- de pleegouders van [B.];

- de gezinsvoogd de heer J.G. van der Kaap namens Bureau Jeugdzorg Groningen (bjz).

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

Uit de relatie van de moeder met de heer E. is het thans nog minderjarige kind C. geboren.

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren. [A.] en [B.].

De vader heeft [A.] en [B.] erkend. De moeder heeft het ouderlijk gezag over beide kinderen.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 24 september 2008 zijn [A.] en [B.] voorlopig onder toezicht gesteld, met benoeming van bjz tot gezinsvoogd voor de duur van drie maanden. Tevens is machtiging verleend tot (spoed-) uithuisplaatsing van beide kinderen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van voornoemde kinderrechter d.d. 10 december 2008 zijn [A.] en B. met ingang van 24 december 2008 onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, waarbij de uitvoering van de maatregel is opgedragen aan het LJ&R.

Verder is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 24 december 2008 voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn nadien jaarlijks verlengd, laatstelijk bij beschikking van voormelde kinderrechter d.d. 24 november 2010 tot 24 december 2011.

In zijn rapport en ter zitting heeft de Raad - samengevat - het volgende gesteld

[A.] en [B.] zijn bij de moeder thuis langdurig opgegroeid in een onveilige situatie, waarin zij zijn geconfronteerd met veel geweld en met de persoonlijke en verslavingsproblematiek van de moeder. Beide kinderen zijn verwaarloosd en hebben traumatische ervaringen opgedaan. Bij [A.] en [B.] is een posttraumatische stressstoornis vastgesteld.

Door een kinderpsychiater is geconstateerd dat [A.] geparentificeerd is en kenmerken vertoont van een reactieve hechtingsstoornis, ontremde type.

Tevens is bij [A.] sprake van weinig zelfvertrouwen, een negatief zelfbeeld en achterdocht in de richting van volwassenen. [A.] heeft vaak last van ernstige nachtmerries.

[B.] voldoet aan de criteria van ADHD, maar deze kunnen ook te verklaren zijn vanuit een reactieve hechtingsstoornis, ontremd type.

Gezien de (hechtings-) problematiek van [A.] en [B.] is continuïteit van hun huidige opvoedingssituatie van groot belang.

Momenteel gaat het goed met de moeder. Zij werkt aan haar persoonlijke problematiek, geeft op een goede wijze invulling aan de omgang met [A.] en [B.] en is in staat te handelen vanuit het belang van de kinderen.

Het risico op terugval bij de moeder is echter aanwezig en het hulpverleningsproject zal nog langdurig moeten worden ingezet.

Zij is dan ook blijvend pedagogisch onmachtig om de verzwaarde opvoeding van [A.] en [B.] op zich te nemen. Terugplaatsing van de kinderen bij de moeder is geen optie meer.

[A.] en [B.] hebben aangegeven in hun respectievelijke pleeggezinnen, waar zij zich positief ontwikkelen en rust en stabiliteit ervaren, te willen blijven wonen.

Een ontheffing van de moeder van het gezag zal aan [A.] en [B.] duidelijkheid verschaffen over waar zij verder zullen opgroeien en wie in de toekomst beslissingen zal nemen. Ontheffing is voor de kinderen van groot belang en zal bijdragen aan hun positieve ontwikkeling.

Er zijn geen negatieve effecten van de ontheffing te verwachten op de ontwikkeling van [A.] en [B.]. Zij hebben behoefte aan duidelijkheid over hun verblijf in het pleeggezin aangezien dat verblijf hen rust en veiligheid biedt. De ontheffing zal geen afbreuk doen aan het contact tussen de moeder en de kinderen.

Met betrekking tot de aan [A.] en [B.] te verstrekken hulpverlening dient er naar te worden gestreefd dat hun ontwikkeling binnen hun mogelijkheden wordt gewaarborgd, dat er duidelijkheid is over hun gedrag en dat - indien nodig - passende hulpverlening wordt ingezet. Beide kinderen hebben contact met hun ouders, broer en zuster, waarbij het belang van de kinderen het uitgangspunt is.

standpunt van de moeder

De moeder verzet zich tegen de verzochte ontheffing.

Vóór 2008 zijn er geen problemen geweest bij de opvoeding van [A.] en [B.].

De moeder was acht jaar lang clean.

Zij heeft in het verleden nooit hulp durven te aanvaarden. Voordat de moeder werd opgenomen projecteerde zij haar emoties op de kinderen en was zij niet goed in staat om zich in hen in te leven. Na dertieneneenhalve maand hulp en ondersteuning is de moeder nu wel in staat om haar emoties te tonen en haar verantwoordelijkheden te nemen.

In genoemde periode heeft de moeder ongeveer acht maanden op Hooghullen doorgebracht.

Zij is daar uitgebreid behandeld. De moeder heeft deelgenomen aan een traumacursus en zij heeft systeemtherapie gevolgd.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat er bij de moeder met zekerheid geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De positieve ontwikkeling bij de moeder is er al vanaf mei 2010.

De moeder wil in de nabije toekomst zelf weer de verzorging en opvoeding van [A.] en [B.] voor haar rekening nemen en de mogelijkheden daartoe moeten nader worden onderzocht. Er is onvoldoende grond voor ontheffing van het gezag van de moeder.

Het staat niet vast dat zij onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Ontheffing is ook niet in het belang van [A.] en [B.].

De moeder is bereid alle mogelijke hulp te aanvaarden.

De moeder probeert al lange tijd tevergeefs te bewerkstelligen dat de huidige, veel te beperkte, omgang met de kinderen van anderhalf uur per maand flink wordt uitgebreid.

De moeder heeft momenteel de beschikking over een kamer van vijfentwintig m2 en zij deelt de keuken en het toilet en de douche. Over ongeveer een half jaar zal worden beoordeeld of de moeder zelfstandig kan gaan wonen.

De gezinsvoogd dient eindelijk te bewerkstelligen dat C. [A.] en [B.] veel vaker dan thans het geval is contact met elkaar kunnen hebben.

standpunt van bjz

Bjz onderschrijft de standpunten van de Raad.

Vóór 2008 is er sprake geweest van langdurige verwaarlozing van [A.] en [B.], waarbij [C.] een belangrijk deel van de rol van ouder op zich heeft genomen.

De afgelopen jaren heeft de moeder veel in zichzelf geïnvesteerd en de resultaten daarvan zijn merkbaar. De moeder heeft nog meer tijd nodig om zich verder te kunnen ontwikkelen.

[A.] vreest dat haar keuze om in het pleeggezin te blijven wonen verkeerd bij de moeder zal vallen.

Zij zit eigenlijk klem tussen het pleeggezin en de moeder. Het gaat op zich goed met [A.], zowel in het pleeggezin, waar zij zich veilig voelt, als op school.

[A.] is wantrouwend ten opzichte van de moeder. Zij is bang dat de moeder terug zal vallen in haar drugsgebruik.

[B.] is jonger en heeft een andere beleving. Zij lijkt beter dan [A.] in staat tot relativering. Het is wel moeilijk om er met [B.] over te praten.

De omgang tussen de moeder en [A.] en [B.] verloopt heel ontspannen.

De moeder is naar de kinderen toe heel open en zij communiceert goed. De moeder neemt ook voldoende initiatieven.

Er zijn nog geen voornemens de geringe frequentie en duur van de omgang uit te breiden.

Wanneer blijkt dat de moeder hiermee kan omgaan kan de duur van de omgang worden aangepast, maar dat moet geleidelijk gebeuren.

[A.] en [B.] willen graag vaker contact hebben met C. Dat is ook in het belang van de drie kinderen, maar praktische problemen staan hier aan in de weg. Deze worden veroorzaakt door de onderlinge afstanden (de drie kinderen verblijven in verschillende pleeggezinnen) en het beschikbare budget.

De vader en de stiefmoeder van C. hebben samen met de pleegouders geprobeerd uitbreiding van het contact tussen de kinderen tot stand te brengen, maar daar is niet gelukt.

Bjz is bereid om samen met alle betrokkenen een gesprek te regelen met als doel alsnog op korte termijn uitbreiding van de omgang tussen de kinderen te realiseren.

beoordeling

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een ouder ontheffen van het ouderlijke gezag over zijn/haar kind, indien hij/zij ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet.

Volgens het bepaalde in artikel 1:268, eerste lid, BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich hiertegen verzet.

Deze regel lijdt slechts uitzondering wanneer er sprake is van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel. In deze zaak is alleen het bepaalde onder a. van belang.

Dat houdt in dat een ontheffing ondanks verzet van de ouder, zoals in dezen het geval, uitgesproken kan worden indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

Vaststaat dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] en [B.] inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen.

Voornoemde maatregelen zijn in beginsel van tijdelijke aard en moeten zijn gericht op (het werken aan) een terugkeer van het kind cq. de kinderen naar de ouder.

[A.] en [B.] zijn onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst omdat zij ernstig in hun geestelijke en lichamelijke belangen werden bedreigd. De moeder was niet in staat om de kinderen de noodzakelijke verzorging te geven. De geboden hulp in het vrijwillige kader en in het kader van de ondertoezichtstelling heeft in ieder geval wat [A.] betreft onvoldoende effect gesorteerd.

[A.] is bij de moeder thuis in haar jongste levensjaren veel te zwaar belast door vreselijke (gewelds-) ervaringen. Zij worstelt met parentificatie, hechtingsproblematiek en een posttraumatische stressstoornis. [A.] heeft niet veel zelfvertrouwen, haar zelfbeeld is negatief en zij is wantrouwend jegens volwassenen. Ook heeft zij vaak last van nachtmerries.

Voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder de afgelopen tijd veel in zichzelf heeft geïnvesteerd en dat dit ook tot duidelijke resultaten heeft geleid.

Volgens de moeder is zij daardoor binnen afzienbare tijd, in tegenstelling tot in het verleden, wèl in staat om beide kinderen op de gewenste wijze te verzorgen en op te voeden en de voor hen noodzakelijke beslissingen te nemen.

Onduidelijk is of er sprake is van een bestendige situatie. Wat daarvan ook zij, uit de duur van de maatregelen, de inhoud van de overgelegde stukken en gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de moeder in ieder geval onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] te vervullen.

De moeder is niet in staat om [A.] de vereiste bijzondere pedagogische aansturing te geven die zij gezien haar hiervoor vermelde problematiek absoluut nodig heeft.

Gelet hierop en ook op hetgeen hiervoor is weergegeven is er geen perspectief dat de moeder zelf weer de verzorging en opvoeding van [A.] voor haar rekening kan nemen.

De rechtbank is daarom - mede gezien de doelstelling van de ondertoezichtstellingsmaatregel - van oordeel, dat de ondertoezichtstelling van [A.] onvoldoende is om de bedreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden en dat de moeder dient te worden ontheven van het ouderlijke gezag over [A.].

Dit is ook in het belang van [A.]. Het gaat om een kwetsbaar kind dat zwaar is belast door zeer ernstige (gewelds-) ervaringen in haar jongste levensjaren.

Zij heeft dringend behoefte aan en ook recht op rust, duidelijkheid, structuur, continuïteit en verdere ongestoorde hechting in haar bestaande opvoedingssituatie in het pleeggezin waarvan zij thans deel uit maakt en waarin zij zich - mede dankzij de ingezette hulpverlening, die ook zal worden gecontinueerd - positief ontwikkelt en zich veilig voelt.

Ten aanzien van de voorziening in de voogdij voor [A.] na de ontheffing van de moeder overweegt de rechtbank het volgende. De Raad heeft geadviseerd om de voogdij op te dragen aan bjz, waarbij de uitvoering geschiedt door LJ & R.

Vanuit LJ & R als neutrale instelling, kan de contactregeling tussen de kinderen en hun ouders en de kinderen onderling plaatsvinden. Voorts kunnen de pleegouders worden ondersteund, ook ten aanzien van onderzoeks- en hulpverleningstrajecten, die er voor de kinderen mogelijk nog ingezet moeten worden.

De rechtbank zal gelet hierop bjz benoemen tot voogd en de uitvoering opdragen aan LJ & R.

Wat [B.] betreft is de rechtbank van oordeel dat het thans te vroeg is om een ontheffing van de moeder van het gezag uit te spreken. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit het raadsrapport onvoldoende naar voren komt of de problematiek van [B.] zodanig ernstig is dat haar perspectief niet bij de moeder ligt. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op het redelijk positieve beeld dat de pleegouders van B. schetsen in het raadsrapport en ook op de bestaande onduidelijkheid over de bij B. bestaande stoornis (ADHD of reactieve hechtingsstoornis), dit naast de aanwezige posttraumatische stressstoornis. Er dient dan ook aanvullend onderzoek plaats te vinden om de (waarschijnlijke) gevolgen voor [B.] van een eventuele terugkeer naar de moeder en de perspectieven in de breedste zin van het woord in beeld te brengen.

Inzicht dient ook te worden verkregen in de innerlijke beleving van [B.], de wijze waarop zij haar leven in het pleeggezin ervaart en in haar beleving ten aanzien van de moeder.

De Raad zal worden verzocht een dergelijk onderzoek uit te voeren/te laten uitvoeren.

In het kader van de bestaande ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [B.] zijn haar belangen voldoende gewaarborgd en kunnen de ontwikkelingen goed worden gevolgd.

Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van [A.] en [B.] dat de omgang met de moeder in een uitgebreidere vorm gaat plaatsvinden dan thans al geruime tijd het geval is en ook, dat er vaker omgang zal zijn tussen de meisjes en hun broer [C.].

De rechtbank wijst erop dat het feit dat de verzochte ontheffing (nu) niet wordt uitgesproken geenszins wil zeggen dat het perspectief van [B.] uiteindelijk bij de moeder in plaats van haar pleegouders zal komen te liggen.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden en de zaak naar de hierna genoemde zittingsdatum verwijzen, om de Raad in de gelegenheid te stellen uiterlijk twee weken daaraan voorafgaand aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen.

BESLISSING

ontheft de moeder van het ouderlijke gezag over het minderjarige kind [A.];

benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige

Bureau Jeugdzorg Groningen, locatie Groningen, postbus 1203, 7701 BE Groningen,

waarbij de uitvoering van de maatregel geschiedt door het Leger des Heils Jeugdzorg en reclassering namens Bureau Jeugdzorg;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing op het verzoek tot ontheffing van de moeder over het minderjarige kind

[B.] aan;

verzoekt - met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen - de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen, een aanvullend onderzoek in te stellen en de rechtbank uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hierna vermelde zittingsdatum van rapport en advies te dienen; daarbij kan de Raad, in het kader van het onderzoek, een opdracht geven aan een andere instelling dan de Raad;

bepaalt dat de zaak verder zal worden behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van dinsdag 7 februari 2012 te 12.30 uur in één van de zalen van het Gerechtsgebouw aan het Guyotplein 1 te Groningen;

bepaalt dat deze beschikking geldt als een oproeping van partijen tegen voormelde zittingsdatum en dat geen nadere oproeping zal worden verzonden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.A. Flinterman, M.J.B. Holsink en

S. Stenfert Kroese en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van

dinsdag 23 augustus 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.