Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BR4376

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
18-670069-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 36 maanden voor gewapende overval waarbij geld en drugs buit werden gemaakt, openlijke geweldpleging in het UMCG en bezit van grote hoeveelheid softdrugs. Vrijspraak van medeplegen poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670069-11 (promis)

datum uitspraak: 5 augustus 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. W. Schoo

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de P.I. Overijssel, HvB Karelskamp.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

30 mei 2011, 8 juli 2011 en 22 juli 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 februari 2011 te Assen, in elk geval in de gemeente Assen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de voor de nachtrust bestemde tijd, in de woning [adres Straat A], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro, althans een geldbedrag, en/of een hoeveelheid verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat geldbedrag en/of die verdovende middelen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of valse sleutels en/of

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, onder meer

- in het bezit was van één of meerdere vuurwapens en/of een ploertendoder, en/of

- zich bij de voordeur van die woning verdekt heeft opgesteld, en/of

- die [slachtoffer A] die woning in heeft geduwd, bij de keel heeft vastgepakt, meegetrokken, naar boven gedwongen, in een donkere kamer op een bank laten zitten, heeft bedreigd door een pistool (althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) tegen het hoofd en/of de nek van die [slachtoffer A] te houden en op het been van die [slachtoffer A] te richten, en/of

- de handen van die [slachtoffer A] heeft vastgebonden met tape, en/of

- de ogen en mond van die [slachtoffer A] heeft afgeplakt met tape;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden, dat

hij op of omstreeks 3 februari 2011, te Assen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de voor de nachtrust bestemde tijd, in de woning [adres Straat A], met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, een persoon, genaamd [slachtoffer A], heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 15.000,- euro, althans een geldbedrag en/of een hoeveelheid verdovende middelen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat geldbedrag en/of die verdovende middelen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of valse sleutels en/of

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, onder meer

- in het bezit was van één of meerdere vuurwapens en/of een ploertendoder, en/of

- zich bij de voordeur van die woning verdekt heeft opgesteld, en/of

- die [slachtoffer A] die woning in heeft geduwd, bij de keel heeft vastgepakt, meegetrokken, naar boven gedwongen, in een donkere kamer op een bank laten zitten, heeft bedreigd door een pistool (althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) tegen het hoofd en/of de nek van die [slachtoffer A] te houden en/of op het been van die [slachtoffer A] te richten, en/of

- de handen van die [slachtoffer A] heeft vastgebonden met tape, en/of

- de ogen en mond van die [slachtoffer A] heeft afgeplakt met tape;

2.

hij op of omstreeks 3 februari 2011, te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een of meer personen, te weten [slachtoffer B], [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer B] meermalen, althans eenmaal, in het hoofd en/of in het gezicht heeft gestoken met een mes en/of op het hoofd heeft geslagen met een knuppel, althans met een lange staaf, en/of

- die [slachtoffer B] heeft geslagen, althans geraakt met een strijkplank, en/of

- met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer B], die [slachtoffer C] en/of die [slachtoffer D], althans in de richting van de auto waarnaar die [slachtoffer B], die [slachtoffer C] en/of die [slachtoffer D] liep(en) en/of waarin die [slachtoffer B], die [slachtoffer C] en/of die [slachtoffer D] zat(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 3 februari 2011, te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Universitair Medisch Centrum Groningen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer E], [slachtoffer C], [slachtoffer F], [slachtoffer B] en/of anderen, welk geweld bestond uit het dreigend en/of zichtbaar en/of hoorbaar

- tegen die [slachtoffer E] zeggen: "Je kan niet meer rustig thuis slapen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- een mes en/of ploertendoder pakken en/of vasthouden, en/of

- openschuiven, zwaaien met en/of slaan op verdachtes hand met die ploertendoder, en/of

- achtervolgen van één of meer bovengenoemde personen met die ploertendoder en/of dat mes in de hand tot in de hal;

althans, indien het vorenstaande onder 3. niet tot een veroordeling mocht leiden, dat

hij op of omstreeks 3 februari 2011, te Groningen, in elk geval in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer personen, te weten [slachtoffer E], [slachtoffer C], [slachtoffer F], [slachtoffer B] en/of anderen, heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- tegen die [slachtoffer E] gezegd: "Je kan niet meer rustig thuis slapen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- een mes en/of ploertendoder gepakt en/of vast gehouden, en/of open geschoven en/of gezwaaid met en/of geslagen op verdachtes hand met die ploertendoder, en/of

- één of meer bovengenoemde personen met die ploertendoder en/of dat mes in de hand heeft achtervolgd;

4.

hij op of omstreeks 3 februari 2011, in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15.600 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 2.200 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De officier van justitie gaat er van uit dat er daadwerkelijk een overval op [slachtoffer A] heeft plaatsgevonden, gepleegd door [betrokkene A] en zijn medeverdachten. De aangifte van [slachtoffer A] wordt ondersteund door verscheidene bevindingen van de politie. Ook hetgeen er in café [naam café] is besproken na de overval ondersteunt de aangifte. Uit meerdere verklaringen van personen die in het café aanwezig waren blijkt immers dat [slachtoffer A] verteld heeft dat hij beroofd is. Er heeft in het café overleg plaatsgevonden en er zijn dan aanwijzingen om [betrokkene B] te verdenken van betrokkenheid bij de overval. [betrokkene B] wordt daarom opgehaald van huis en er wordt met hem gesproken in [naam café]. Uiteindelijk bekent hij [betrokkene A] via zijn telefoon te hebben getipt toen [slachtoffer A] het café verliet. Dit blijkt ook uit de telecomgegevens. [betrokkene B] verklaart bij de politie dat hij [slachtoffer A] in opdracht van [betrokkene A] al een paar dagen voor de dag van de overval in de gaten hield. [betrokkene A] zou deze [slachtoffer A] willen spreken en een lesje willen leren.

Uit de verklaringen van [betrokkene B] blijkt afdoende dat [betrokkene A] op zoek was naar [slachtoffer A]. Uitgerekend als [betrokkene B] doorgeeft dat [slachtoffer A] vertrekt uit [naam café] wordt [slachtoffer A] even later overvallen door drie mannen in zijn woning aan de [Straat A] te Assen. Uit de telecomgegevens blijkt dat de telefoon van [betrokkene A] ten tijde van de overval in Assen is en [betrokkene A] heeft verklaard dat hij zijn telefoon altijd in de buurt heeft. In het navigatiesysteem van de auto van [betrokkene A] is het adres [adres Straat A] ingevoerd. Ook in het navigatiesysteem dat los wordt gevonden in de woning [adres Straat B], waar [betrokkene A] verblijft, is dit adres ingevoerd. Bovendien blijkt uit onderzoek naar dat losse navigatiesysteem dat er die nacht een route is afgelegd naar de [adres Straat A], dat de auto daar enige tijd stil heeft gestaan en vervolgens een route terug naar de [Straat B] heeft afgelegd. In de woning [adres Straat B] wordt een briefje aangetroffen met het adres [adres Straat A]. [betrokkene A] heeft voor al deze bevindingen geen verklaring. In de auto van [betrokkene A], de BMW X6, waarin [betrokkene C] en [verdachte] zich bij hun aanhouding bevinden, wordt een hoeveelheid drugs en geld aangetroffen. Het geldbedrag is bijna gelijk aan het door [slachtoffer A] in zijn aangifte genoemde weggenomen bedrag en is bovendien verpakt in vergelijkbare pakketjes. Ten slotte worden twee bivakmutsen aangetroffen in de woning [adres Straat B].

Ook verdachte en [medeverdachte A] worden verdacht van het medeplegen van de overval in Assen. Zij verbleven in de woning [adres Straat B]. [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij die nacht, als hij naar het toilet gaat, zijn oom [betrokkene A], verdachte, [betrokkene C] en twee onbekende Turkse mannen in de woning ziet. Hij ziet dan ook zakken met drugs liggen. Ook ziet hij twee bivakmutsen op tafel liggen. Later verklaart hij dat verdachte bij de overval betrokken was. [medeverdachte A] heeft verdachte die avond weg horen gaan en toen hij terug kwam in de nacht zei verdachte dat hij met twee man was en dat hij goed op iemand had ingeslagen. Ook verklaart [medeverdachte A] dat de twee onbekende Turkse mannen [betrokkene D] en [betrokkene E] zouden heten en dat deze zouden verblijven aan de [adres Straat C]. De verhuurder van de woning [adres Straat C], getuige [getuige A], heeft inderdaad woonruimte verhuurd aan [betrokkene A]. Bovendien worden in de BMW van [betrokkene A] hotelrekeningen aangetroffen op naam van een [betrokkene D] en een [betrokkene E]. Uit het telecomonderzoek blijkt ook dat de telefoon van [betrokkene A] contact had met ene [betrokkene D] NL op 31 januari 2011, beide telefoons bevinden zich dan in Assen. Dit is de dag waarop volgens [betrokkene B] zou zijn afgezien van een actie.

Uit al deze bevindingen kan de conclusie getrokken worden dat [betrokkene A], verdachte en de twee onbekende Turken, wellicht [betrokkene D] en [betrokkene E], de overval in Assen hebben gepleegd. Nu [slachtoffer A] heeft aangegeven door drie mannen te zijn overvallen kan het zijn dat [betrokkene A] buiten heeft gewacht. Gelet op de verklaring van [slachtoffer A] gaat de officier van justitie uit van diefstal met geweld en niet van afpersing.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. De verklaringen over het incident aan de [Straat B] lopen sterk uiteen. Verdachten [betrokkene F], [slachtoffer C] en [slachtoffer B] verklaren in grote lijnen gelijk en zelfs op punten belastend voor zichzelf. Ook komen zij, met uitzondering van [betrokkene F], in latere verhoren niet terug op de kernpunten van hun verklaringen. Dat geeft de officier van justitie aanleiding om hun verklaringen betrouwbaar te achten en voor een groot deel uit te gaan van hun lezing van de gebeurtenissen in de woning. Op basis van deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien met de overige verklaringen, gaat de officier van justitie er van uit dat [slachtoffer C], [betrokkene F], [slachtoffer B], [slachtoffer D] en [slachtoffer F] in de woning aan de [Straat B] zijn geweest. Er wordt via een raampje ingebroken om de woning binnen te komen. Een aantal personen gaat vervolgens de woning binnen. [slachtoffer B] pakt een mes uit de keuken en loopt hiermee naar boven. [slachtoffer B] gaat de slaapkamer in en er ontstaat een confrontatie met [betrokkene A] waarbij [betrokkene A] zijn hand verwondt. Vervolgens ontstaat een moment van relatieve rust. [betrokkene C] gaat op dat moment naar de tweede verdieping om een T-shirt te halen. Zij maakt daar [medeverdachte A] en verdachte wakker. [betrokkene F], [slachtoffer D] en [slachtoffer F] verlaten vervolgens de woning. Op het moment dat [betrokkene C] naar boven loopt, voorziet [slachtoffer C] problemen, hij verlaat op dat moment ook de woning. Als [betrokkene C] naar beneden komt met [medeverdachte A] en verdachte escaleert de situatie. [slachtoffer B] steekt [betrokkene A] in zijn buik. Dat is een vreemde, niet zonder meer te plaatsen actie, aangezien [slachtoffer B] tot dan toe het voor elkaar leek te hebben dat [betrokkene A] met hem mee zou gaan. [slachtoffer B] verklaart hierover dat [betrokkene A] van [betrokkene C] een T-shirt overhandigd kreeg met daarin een vuurwapen dat [betrokkene A] wilde doorladen. [slachtoffer B] wilde dit voorkomen en heeft zich om die reden op [betrokkene A] gestort. Er ontstond een worsteling waarbij [betrokkene A] is gestoken. De verklaring van [betrokkene A] voor deze escalatie is een geheel andere. Zijn lezing acht de officier van justitie echter niet aannemelijk. Alleen [betrokkene C] bevestigt deze lezing, maar haar verklaring is niet geloofwaardig nu deze mede gezien moet worden in het licht van de brief die [betrokkene A] in de gevangenis schrijft aan [betrokkene C]. Een volkomen onvoorstelbaar element in deze lezing is bovendien dat [slachtoffer F] een wapen zou hebben dat hij op een gegeven moment op de strijkplank achterlaat.

Nadat [medeverdachte A] en verdachte op de eerste verdieping zijn gekomen, zien zij [slachtoffer B] op [betrokkene A] liggen. Zij proberen [betrokkene A] dan te ontzetten door aan [slachtoffer B] te trekken, maar hem ook te slaan met een staaf en met de vuisten. In dit gevecht is [slachtoffer B] gewond geraakt. Dat [slachtoffer B] al in de slaapkamer gewond is geraakt en niet pas beneden of op de trap blijkt uit het forensisch onderzoek. Er is immers bloed aangetroffen van [slachtoffer B] in de slaapkamer waar het gevecht plaatsvond. [slachtoffer B] zelf verklaart dit ook. Zijn ernstige verwondingen zijn dan ook niet het gevolg van de val van de trap. Gelet op de combinatie van verwondingen is dit ook uiterst onwaarschijnlijk, zo heeft de arts verklaard. Ook acht de officier van justitie het onwaarschijnlijk dat [slachtoffer B] zichzelf heeft verwond. Er is een mespunt in zijn schedel aangetroffen, dat impliceert dat er behoorlijke kracht op hem moet zijn uitgeoefend. Zij houdt dan ook verdachte en [medeverdachte A] verantwoordelijk voor het bij [slachtoffer B] veroorzaakte letsel. In ieder geval één van hen heeft [slachtoffer B] gestoken. Ze zijn met een gemeenschappelijk doel, het ontzetten van [betrokkene A], opgetreden en hebben daarbij van alles gedaan. Er was dan ook sprake van nauwe en bewuste samenwerking op dit punt en het doet er dan niet toe wie van hen precies heeft gestoken. Deze handelingen zijn te kwalificeren als een poging tot doodslag. Het hoofd is een zeer kwetsbare plek van het lichaam. De kans op fatale gevolgen is zeer aannemelijk, zeker wanneer je met kracht steekt. Zowel verdachte als [medeverdachte A] hebben met hun handelen, dat naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachten daarmee de aanmerkelijke kans op het gevolg hebben aanvaard, voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [slachtoffer B]. Voor kalm beraad is geen tijd geweest. Er dient dan ook vrijspraak te volgen voor de poging tot moord.

Uiteindelijk wordt [slachtoffer B] de woning uitgewerkt, daarbij valt hij, samen met verdachte, van de trap. [slachtoffer B] weet dan te vertrekken in de auto van [slachtoffer D]. Deze auto staat vanuit de woning gezien aan de linkerkant van de straat. Als zij vertrekken en langs het huis rijden horen [slachtoffer D], [slachtoffer C] en [slachtoffer B] een schot. Ook heeft [slachtoffer E] een schot gehoord toen hij met [slachtoffer C] belde op het moment dat die wegreed bij het huis. Dit telefoontje vindt ook bevestiging in de telecomgegevens. Zowel verdachte, [medeverdachte A] als [betrokkene C] ontkennen te hebben geschoten. De lezing die met betrekking tot het schot is geopperd door [betrokkene C] en [betrokkene A] acht de officier van justitie ongeloofwaardig en onaannemelijk, zoals al eerder aangegeven. Vast staat dat er is geschoten en ook dat dat is gebeurd met het wapen dat later in de auto van [betrokkene A] wordt aangetroffen. Uit forensisch onderzoek blijkt dat zowel [medeverdachte A], [betrokkene A] als [betrokkene C] een vrijwel zekere relatie hebben met het schietproces. Ook [slachtoffer C] heeft deze relatie, maar in zijn geval betreft het gemarkeerde munitie, en die is hier niet aan de orde. De aangetoonde relatie kan ook bestaan doordat iemand het wapen in handen heeft gehad, de schutter heeft aangeraakt of in diens directe nabijheid is geweest. Verdachte scoort niet positief, het is dan ook onaannemelijk dat hij heeft geschoten. Het is voorts aannemelijk dat [medeverdachte A] met verdachte beneden was in de woning op het moment van schieten, zodat ook zijn betrokkenheid onaannemelijk is. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden van het derde aandachtsstreepje.

Met betrekking tot het incident in het UMCG, het onder 3 ten laste gelegde, komt de officier van justitie tot de conclusie dat er aldaar een treffen is geweest tussen beide groepen. Onder beide groepen was een gewonde te betreuren. [slachtoffer E] en [betrokkene A] treffen elkaar daar eerst, zij verklaren beiden door de ander te zijn bedreigd. Maar zeker als [slachtoffer F] ten tonele verschijnt, slaat de vlam in de pan. [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij een ploertendoder en een mes bij zich had en deze ook tevoorschijn heeft gehaald en de ploertendoder heeft gebruikt. Verdachte heeft geen wapens gebruikt, maar liep wel mee met [medeverdachte A] achter [slachtoffer F] aan toen die op de vlucht sloeg. Zowel [betrokkene A], [medeverdachte A] als verdachte hebben daarmee deelgenomen aan openlijke geweldpleging.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Het gaat daarbij om de in de auto van [betrokkene A] aangetroffen drugs. [betrokkene C] heeft verklaard dat de drugs die nacht in de woning zijn gekomen. Verdachte en [betrokkene A] waren betrokken bij de overval op [slachtoffer A], waarbij ook drugs zijn weggenomen. Het is dan ook aannemelijk dat zij van de aanwezigheid van deze drugs af wisten. [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij de drugs die nacht in tassen moest stoppen en dat hij de tassen later in de auto heeft gezet, samen met verdachte, voor ze naar het UMCG rijden. De drugs worden vervolgens aangetroffen in de auto waarin [betrokkene C] en verdachte zitten bij hun aanhouding.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 ten laste gelegde. Mocht de rechtbank al uitgaan van een in Assen gepleegde overval, dan nog kunnen de voorhanden zijnde bewijsmiddelen de toets der kritiek niet doorstaan. De herkenning van aangever [slachtoffer A] kan niet serieus worden genomen aangezien hij in zijn eerste verklaring aangeeft dat hij de Duitssprekende dader niet goed heeft gezien. Het is merkwaardig dat hij deze in het ziekenhuis vervolgens wél weet te herkennen. Bovendien komt de beschrijving die [slachtoffer A] in zijn verklaring van 5 februari 2011 geeft van deze derde dader op geen enkel punt overeen met het uiterlijk van verdachte. De verklaring van [medeverdachte A] kan ook niet tot het bewijs gebezigd worden. Uit de antwoorden die [medeverdachte A] op de vragen geeft die verbalisanten stellen over de overval blijkt dat hij niets uit eigen wetenschap weet, maar enkel uit andere bronnen. Ook zou verdachte tegen [medeverdachte A] gezegd hebben dat hij iemand had geslagen, aangever [slachtoffer A] spreekt echter niet over slaan. Dat de ploertendoder met het DNA van verdachte in Assen is aangetroffen, is ook geen bewijs. Verdachte verbleef aan de [Straat B] en de ploertendoder komt daar vandaan, er kan dus gemakkelijk DNA van verdachte op terecht zijn gekomen zonder dat hij zelf in Assen is geweest. Voorts zijn er nog de vage vermoedens van betrokkenheid bij de overval van ene [betrokkene D] en ene [betrokkene E]. Uit de tekst van de sms’jes die [betrokkene D] aan verdachte stuurt blijkt wel dat [verdachte] deze [betrokkene D] helemaal niet kent, want hij sms’t ‘[verdachte], ik ben [betrokkene D]’. Het is dus geen bewijs voor enige betrokkenheid bij de overval in Assen. Alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd leiden niet tot de conclusie dat verdachte betrokken is geweest bij de vermeende overval in Assen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het aandeel van [medeverdachte A] in het toegepaste geweld. Er was paniek en in die situatie kun je niet tot nauwe en bewuste samenwerking komen. Verdachte heeft enkel op de rug geslagen, niet op het hoofd. Hij heeft niets met de strijkplank gedaan en er blijkt niet van enige relatie met het schietproces. Nu er geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, dient verdachte te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank toch voldoende bewijs aanwezig achten dan is er hoogstens sprake van poging tot doodslag.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken. Het geweld dat in het ziekenhuis zou zijn gepleegd is niet van verdachte afkomstig. Verdachte had geen wapen of mes bij zich. Het enkel met [medeverdachte A] meelopen achter [slachtoffer F] aan kan niet worden beschouwd als een substantiële bijdrage.

Met betrekking tot onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. De enkele verklaring van [betrokkene C] dat verdachte de drugs naar de auto heeft gebracht is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Hij heeft geen macht uitgeoefend over de drugs, hij woont niet aan de [Straat B] en hij is ook niet de eigenaar van de auto.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende scenario. In de nacht van 2 op 3 februari 2011 overhandigt [slachtoffer E] in café [naam café] te Groningen een geldbedrag van € 15.000,-- aan zijn broer [slachtoffer A]. [slachtoffer A] vertrekt enige tijd later in de nacht naar zijn woning aan de [adres Straat A] te Assen. Op het moment dat [slachtoffer A] zijn woning in Assen binnengaat, wordt hij door drie mannen, gewapend met een ploertendoder en een pistool en twee van hen met bivakmuts, overvallen. Hij wordt naar binnen geduwd en naar boven gedwongen, zijn handen en mond worden afgeplakt met tape, hij wordt bedreigd met het pistool en uiteindelijk wordt hij opgesloten in een kamer. [slachtoffer A] weet zich uiteindelijk, als de mannen zijn woning hebben verlaten, te bevrijden. Het geld dat hij eerder die nacht van zijn broer had gekregen, blijkt te zijn weggenomen. [slachtoffer A] rijdt vervolgens terug naar café [naam café] waar hij aan zijn broer [slachtoffer E] vertelt wat er is gebeurd. Hij vertelt aan verschillende mensen dat er geld en een hoeveelheid verdovende middelen uit zijn woning zijn weggenomen.

[slachtoffer E] wil uitzoeken wie er bij de overval betrokken zijn en vermoedt al snel dat er een tipgever moet zijn geweest. Hij zorgt er, als oudste van de familie [van slachtoffer E], voor dat alle bezoekers die die avond en nacht het café hebben bezocht, terug komen naar het café. Er wordt overleg gepleegd en [slachtoffer C] is degene die vertelt dat hij zijn broer, [betrokkene B], verdenkt van betrokkenheid bij de overval. Ook [betrokkene B] wordt daarom van huis gehaald. Geconfronteerd met sms’jes in zijn telefoon geeft [betrokkene B] toe dat hij [betrokkene A] heeft getipt over het vertrek van [slachtoffer A]. Een aantal mensen gaat vanuit het café naar [betrokkene A]. Hoewel niet vast staat dat er vooraf vastomlijnde plannen zijn gemaakt, is wel duidelijk dat de intentie is dat [betrokkene A] van huis moet worden opgehaald om in het café verantwoording af te leggen. [slachtoffer B] en [slachtoffer D] vertrekken in één auto naar de [Straat B]. [betrokkene G] is inmiddels op verzoek van [slachtoffer E] ook naar het café gekomen en gaat samen met [slachtoffer F] naar een ander mogelijk verblijfadres van [betrokkene A]. [betrokkene A] blijkt echter te verblijven aan de [Straat B]. Er staan daar auto’s met Duitse kentekens voor de woning. [slachtoffer F] en [betrokkene G] komen terug naar het café en vertrekken vervolgens met [slachtoffer E] ook richting [Straat B]. Ondertussen is ook [slachtoffer C] met [betrokkene F] bij de [Straat B] aangekomen. Bij de woning van [betrokkene A] en [betrokkene C] weet [slachtoffer C] met een schroevendraaier een bovenraampje open te breken en de woning in te klimmen. Hij opent de deur voor de anderen. [slachtoffer B] pakt een mes uit de keuken en loopt naar boven. [slachtoffer C] loopt voorop en kijkt op alle verdiepingen in de kamers. [slachtoffer B] gaat dan de slaapkamer in waar [betrokkene A] en [betrokkene C] liggen te slapen. [betrokkene A] wordt gesommeerd, onder bedreiging van het mes, zich aan te kleden en mee te gaan naar het café. [betrokkene A] raakt gewond aan zijn hand. [slachtoffer C], [betrokkene F], [slachtoffer D] en [slachtoffer F] staan ook op de eerste verdieping in de buurt van de slaapkamer. Kort nadat [betrokkene A] zich heeft aangekleed en zijn hand is verbonden, verlaten [slachtoffer D], [slachtoffer F] en [betrokkene F] de woning. [slachtoffer E], die buiten de woning is gebleven, heeft [slachtoffer F] namelijk telefonisch gezegd dat ze moeten vertrekken uit de woning. [slachtoffer C] verlaat de woning als hij [betrokkene C] naar boven ziet lopen. Hij heeft al gezien dat er op de tweede verdieping nog twee mensen liggen te slapen en vreest voor escalatie. [betrokkene C] heeft de mannen die daar slapen, [verdachte] en [medeverdachte A], wakker gemaakt. [betrokkene C] komt als eerste weer naar beneden op de eerste verdieping. [slachtoffer B] ziet dat [betrokkene A] een wapen in zijn hand heeft en dat [betrokkene A] het wapen wil doorladen. [slachtoffer B] springt op [betrokkene A] om dit te voorkomen. In de worsteling die dan ontstaat, wordt [betrokkene A] in zijn buik gestoken met het mes van [slachtoffer B]. [verdachte] en [medeverdachte A], die inmiddels ook beneden zijn gekomen, zien dit en proberen [betrokkene A] te ontzetten. [slachtoffer B] raakt bij dit gevecht gewond in zijn gezicht. [slachtoffer B] rolt vervolgens met [verdachte] van de trap. [slachtoffer B] vlucht dan naar de auto van [slachtoffer D]. Ook [slachtoffer C] zit in deze auto te wachten. Op enig moment is er een schot gelost.

[slachtoffer D] zet [slachtoffer B] en [slachtoffer C] af bij het UMCG. Ook [betrokkene A] wordt naar het UMCG gebracht door [betrokkene C], [verdachte] en [medeverdachte A]. Vervolgens arriveert [betrokkene A] op de spoedopvang. Er ontstaat een woordenwisseling tussen [betrokkene A] en [slachtoffer E]. Even later komt ook [slachtoffer F] de spoedopvang op lopen. Hij krijgt ruzie met [medeverdachte A] en [verdachte]. [medeverdachte A] slaat [slachtoffer F] met de ploertendoder. [slachtoffer F] heeft op enig moment een klap uitgedeeld aan [verdachte] of [medeverdachte A]. [betrokkene C] en [verdachte] vertrekken weer met de auto. Inmiddels is ook de politie met verschillende eenheden gearriveerd in het UMCG en wordt een aantal verdachten aangehouden. [betrokkene C] en [verdachte] worden aangehouden in de auto, waarin, naast wapens, ook grote hoeveelheden geld en drugs worden aangetroffen.

Vrijspraak

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde komt de rechtbank tot een vrijspraak. Vast staat op basis van de verklaringen van zowel verdachte, [medeverdachte A] en [betrokkene A], dat verdachte en [medeverdachte A] door [betrokkene C] wakker zijn gemaakt, dat zij naar de eerste verdieping zijn gelopen en dat zij in de slaapkamer [betrokkene A] hebben ontzet van [slachtoffer B], die op [betrokkene A] zat, waarna er een gevecht tussen hen is ontstaan. Uit de verklaringen is echter niet duidelijk te distilleren wat er over en weer is gebeurd. Verdachte en [medeverdachte A] verklaren dat zij alleen hun handen hebben gebruikt. Volgens verdachte en [medeverdachte A] hebben zij op de rug en handen van [slachtoffer B] geslagen. Alleen [slachtoffer B] verklaart dat hij werd geslagen op zijn hoofd. Ook is [slachtoffer B] de enige die verklaart dat hij werd geraakt door de strijkplank. Het slaan met de hand of vuist, noch het slaan met een ploertendoder op de rug of hand is ten laste gelegd. Uit het dossier valt niet af te leiden dat verdachte of [medeverdachte A] een mes had waarmee [slachtoffer B] is verwond. Volgens zowel verdachte als [medeverdachte A] had [slachtoffer B] zelf een mes waarmee hij in hun richting dreigde en stak. Voor het steken met een mes door verdachte en/of [medeverdachte A] is dan ook onvoldoende bewijs.

Uit het dossier is af te leiden dat vast staat dat er bij de [Straat B] is geschoten. De kogel is afgevuurd uit het wapen dat later is aangetroffen in de auto, waarin verdachte reed. Aannemelijk is verder dat er is geschoten vanuit de woning [adres Straat B], mede gezien de vindplaats van de huls. Verdachte heeft geen relatie met het schietproces. Er is geen nader onderzoek gedaan naar de schietbaan, zodat onduidelijk blijft van welk punt de kogel is afgevuurd. Ook is onduidelijk of er (gericht) geschoten is op de auto waarin [slachtoffer D], [slachtoffer C] en [slachtoffer B] bij de woning wegreden. De verklaringen over het moment waarop er een schot is gehoord lopen bovendien uiteen. Er zijn teveel onduidelijkheden om te kunnen komen tot een conclusie met betrekking tot het schot, het moment waarop er is geschoten en de richting van het schot.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 92 van Map Onderzoeksdossier [Straat B] van dossier nummer 01GHR11014, proces-verbaalnummer 2011011686, inhoudende de verklaring van [slachtoffer A]:

Op 2 februari 2011 omstreeks 23:45 uur ben ik naar café [naam café] te Groningen gegaan. Daar heeft mijn broer [slachtoffer E] een bedrag van € 15.000,-- aan mij gegeven. Ik heb het geld ter plaatse geteld en toen heb ik het geld in de envelop in de binnenzak van mijn jas gedaan. In Assen aangekomen ben ik naar het adres [adres Straat A] gegaan. Ik verblijf op het ogenblik daar. Ik heb de auto geparkeerd, ik ben naar de woning gegaan en heb de deur van de woning open gemaakt. Toen de deur open was werd ik van achter besprongen door drie man. Ik weet zeker dat twee van deze mannen Turks waren aangezien zij Turks met elkaar spraken. De andere persoon sprak Duits.

Ik ben door de drie mannen naar binnen gedrukt. Twee mannen hadden een pistool bij zich, de ander had een knuppel in de hand. Een man pakte mij vanachter bij de keel, een lange man van Turkse afkomst, tussen de 1.90 en 1.95 m. lang. Hij droeg een bril en donkere kleding. Deze persoon had een vuurwapen bij zich. Toen deze mij bij de nek had gepakt trok hij mij naar boven. Ik moest plaats nemen in de keuken. Ik moest op een stoel gaan zitten. Dader 2 is rond de 1.75 m. lang. Beneden droeg deze persoon een bivakmuts. Hij droeg ook donkere kleding. Ik ben hierop een kamer naast de keuken ingeduwd. Hier was het donker. Dader 2 had ook een pistool bij zich. Ik moest hier op de bank zitten. Ik moest mijn handen voor mij houden. Ik wilde dit niet. Dader 1 drukte hierop zijn pistool in mijn nek, nadat hij het wapen had doorgeladen. Hierop pakte dader 1 een kussen en drukte het pistool op het kussen en dit kussen drukte hij op mijn bovenbeen met pistool. Ik was bang en heb hierop mijn handen naar voren gestoken. Dader 2 bond hierop met tape mijn handen vast en mijn hoofd/mond af. Toen ik vastgebonden in de kamer zat zijn de mannen de kamer gaan doorzoeken. Na een tijdje hebben ze mij naar een andere kamer gebracht. Zij hebben mij op de grond gezet en zijn de kamer uitgegaan en hebben de deur van deze kamer op slot gedaan. Ik heb hier een tijdje stil gezeten. Toen ik niets meer hoorde, heb ik de tape van mijn handen los kunnen trekken. In de kamer lag een gereedschapskist. Ik heb toen de deur met een hamer en schroevendraaier open kunnen breken. De deur is hierdoor beschadigd.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 16 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 107 van Map Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer A]:

Dader 2 zei meerdere malen tegen mij dat ze mij niets zouden doen als ik gewoon meewerkte. Hij zei dit in het Turks. Dader 1 droeg niets. Beide andere daders hadden een zwarte muts met oogopeningen. Volgens mij ben ik tussen 2:00 en 3:00 uur ’s ochtends naar Assen gereden. Ze hebben mij beneden al mijn jas uitgetrokken in een worsteling omdat ik ineens belaagd werd. Ik werd vervolgens naar boven gesleurd en de jas bleef beneden.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 23 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 115 van Map Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer A]:

Er is € 15.000,-- weggenomen uit mijn jas. Dit waren voornamelijk briefjes van € 50,--. Steeds 20 briefjes van € 50,-- bij elkaar. Het vuurwapen van de lange man met de bril was zilvergrijs.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 241 van Map Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Na het aanhoren van het hele verhaal liet [slachtoffer A] mij, verbalisant, aan de linkerkant van zijn hals een rondvormige afdruk zien.

Een proces-verbaal d.d. 15 februari 2011, opgenomen in de map Forensisch Technisch Onderzoek, tabblad 2.0, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 te 19:00 uur werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker een sporenonderzoek verricht in verband met een vermoedelijke poging doodslag/moord, gepleegd op donderdag 3 februari 2011 te Groningen. Het onderzoek werd verricht in een bovenwoning aan de [adres Straat A] te Assen. De kamer voorzien van letter I, is de kamer waar betrokkene [slachtoffer A] was vastgebonden. Het slot van de deur van deze slaapkamer was middels een breekvoorwerp (schroevendraaier) vanaf de binnenzijde vernield.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 4 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 18 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene C]:

Iemand is denk ik iets schuldig aan mijn man. Voor zijn schuld heeft hij die dingen aan mijn man betaald. Die blauwe sporttas met bruine stukjes en die wiet. Deze spullen zijn volgens mij woensdagnacht in huis gekomen. Mijn man heeft aan mij tassen gevraagd. Ik heb twee tassen gehaald, de blauwe en de zwart-witte. Op zijn Turks heet het ‘hasj’ wat ik in de tas stopte.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 16 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 37 van Map Verdachten 2 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene F]:

Ik hoorde dat [slachtoffer A] in de kring in [naam café] vertelde dat het ging om softdrugs. Ik heb gehoord dat het ging om 20 kilo hasj en om ongeveer totaal € 40.000,--. Het zou om goed spul gaan.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 36 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene B]:

Het gaat om 15 kilo pollen, 1 kilo Afgaan, 4 kilo van iets anders waar ik de naam niet van weet, en nog € 50.000,-- cash. Dat hoorde ik van [slachtoffer A], omdat hij vertelde dat hij beroofd was. Dat was die avond dat ik naar [naam café] moest komen om me te verantwoorden.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 234 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 om 10:25 uur, was op de openbare weg, de [Straat D] te Groningen, een veilige situatie gecreëerd, waarna de beide inzittenden van de BMW, voorzien van kenteken [KENTEKEN], die later bleken te zijn genaamd [betrokkene C] en [verdachte], werden aangehouden.

Wij, verbalisanten, roken een sterke hennepgeur in het voertuig. In de kofferbak zagen wij aan de rechterzijde achterin een zwart/wit gestreepte tas liggen. In deze tas zag ik, verbalisant [verbalisant A], een hoeveelheid verpakte hennep liggen. De geur en vorm zijn mij ambtshalve bekend. Ook zagen wij verbalisanten in de kofferbak rechtsvoor een donkere sporttas liggen. In deze sporttas zagen wij, verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B], een hoeveelheid hasj liggen. Verder zagen wij allemaal verpakte blokken liggen, met daarin mogelijk hasj of andere stoffen genoemd in de Opiumwet.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2011, opgenomen vanaf pagina 390 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 werd een blauwe sporttas en een grijs/witte boodschappentas in beslag genomen. Deze twee tassen lagen in de kofferbak van een BMW X6, kenteken [KENTEKEN]. In de blauwe sporttas zaten meerdere, in tape gewikkelde, blokken plantaardig materiaal. In de grijs/witte boodschappentas zaten meerdere plastic zakken, gevuld met plantaardig materiaal.

Op maandag 11 februari 2011 hebben wij, verbalisanten [verbalisant C] en [verbalisant D], de inhoud van de blauwe sporttas bekeken en gewogen. Wij zagen dat in de blauwe sporttas meerdere in tape gewikkelde blokken/plakken hasj lagen. Wij telden in totaal achttien blokken en vijf plakken hasj. Het totaalgewicht van de blokken en plakken inclusief verpakkingsmateriaal bedroeg 15.578 kilogram. Wij verbalisanten, hebben het verpakkingsmateriaal deels weggesneden om te kijken wat voor soort plantaardig materiaal hierin zat. Wij zijn ambtshalve bekend met softdrugs en weten hoe hasj eruit ziet en ruikt. Wij roken en zagen aan de vorm en kleur en geur van de blokken en plakken hasj dat het softdrugs betrof, voorkomende op de lijst van de Opiumwet.

Op maandag 11 februari 2011 hebben wij, verbalisanten [verbalisant C] en [verbalisant D], de inhoud van de grijs/witte boodschappentas bekeken en gewogen. Wij zagen dat in de grijs/witte boodschappentas meerdere zakken hennep lagen. Wij hebben vervolgens de zakken hennep gewogen. Dit waren de hoeveelheden die werden aangetroffen: 1 zak van 332 gram henneptoppen, 1 zak van 647 gram hennepgruis, 1 zak van 66 gram henneptoppen, 1 zak van 60 gram henneptoppen, 1 zak van 38 gram hennepgruis, 1 zak van 32 gram henneptoppen, 1 zak van 32 gram henneptoppen, 1 zak van 96 gram hennepgruis. Het totaalgewicht van deze zakken met hierin de hennep inclusief verpakkingsmateriaal bedroeg 2113 gram. Wij, verbalisanten, zijn ambtshalve bekend met softdrugs en weten hoe hennep eruit ziet en ruikt. Wij roken en zagen aan de vorm en kleur en geur van de hennep dat het softdrugs betrof, voorkomende op de lijst van de Opiumwet.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 5 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 21 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene A]:

Ik heb een BMW X6, [KENTEKEN], op naam staan.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 28 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene A]:

Bij terugkeer ben ik naar mijn eigen woning in de [Straat B] gegaan. Ik woon op nummer [nummer]. Met mijn woning bedoel ik de woning van mijn vriendin. Alleen mijn vriendin neemt de BMW mee, naar het winkelcentrum bijvoorbeeld. Het kan niet zo zijn dat iemand gebruik maakt van de BMW X6 zonder mijn medeweten.

Ik gebruik een gsm met nummer [telefoonnummer]. Ik heb een Nederlands nummer en een Duits nummer. Het zijn allebei Nokia’s.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 38 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene A]:

O: We tonen je nu foto’s die als bijlage 6, 7 en 8 bijgevoegd worden. Herken je deze telefoon?

A: Dat is de Nokia Classic met het Nederlandse nummer, waarover ik in mijn eerdere verklaring heb gesproken.

V: Wij hebben onderzocht wat het telefoonnummer was van jouw tweede telefoon, de Nokia Classic. Dat nummer is [telefoonnummer].

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 10 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 20 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene B]:

Ik heb een witte Samsung. Ik had deze telefoon bij mij toen ik mij heb gemeld. [telefoonnummer].

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2011, opgenomen vanaf pagina 301 van Map 2 Onderzoeksdossier [Straat B], inhoudende:

Op dinsdag 8 maart 2011, stelde ik, verbalisant, een onderzoek in naar een telefoon, merk Nokia, model 6700-c. Deze mobiele telefoon, nader te noemen GSM 19, imeinummer [nummer] was voorzien van een simkaart van Vodafone. Deze simkaart was voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer]. GSM 19 is eigendom van [betrokkene A] en door hem als zodanig erkend als zijn telefoon.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2011, opgenomen vanaf pagina 3 van Map 2 Onderzoeksdossier [Straat B], inhoudende:

Uit de historische printgegevens van het telefoontoestel van [betrokkene B], GSM 18, telefoonnummer [telefoonnummer], kwam naar voren dat hij op zondag 30 januari 2011 om 23:19:21 werd gebeld door het Duitse mobiele nummer van [betrokkene A], [telefoonnummer]. Vervolgens neemt het toestel van [betrokkene B], GSM 18, op 30 januari 2011 om 23:53:00 contact op met het Duitse mobiele nummer van [betrokkene A]. Op 31 januari 2011 om 03:09:56 neemt het Duitse mobiele nummer van [betrokkene A] wederom contact op met het telefoontoestel van [betrokkene B], GSM 18. Vervolgens neemt het telefoontoestel van [betrokkene B], GSM 18, op maandag 31 januari 2011 om 05:49:29 contact op met het Duitse mobiele nummer van [betrokkene A]. Vervolgens is te zien dat GSM 19, telefoonnummer [telefoonnummer], zich op maandag 31 januari 2011 om 06:17:06 en 06:31:33 respectievelijk bevindt in de omgeving van het [Plein A] en [Plein B] te Assen.

Vervolgens blijkt dat GSM 19, telefoonnummer [telefoonnummer], zich op maandag 31 januari 2011 om 06:38:26 bevindt in de omgeving van de [Straat E] te Assen. Voornoemd Duits mobiel nummer wordt dan gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer], welk volgens de contactenlijst van het telefoontoestel van [betrokkene A], GSM 19, ten name van [betrokkene D] NL staat. Dit nummer bevindt zich op dat moment eveneens in Assen.

Ik, verbalisant [verbalisant F], zag dat GSM 19 op donderdag 3 februari 2011 om 00:16:11 een bericht had ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer], GSM 18. Ik zag dat het een bericht in de vermoedelijk Turkse taal was. Genoemd bericht luidt: ‘ADAMIN GELDI’ wat in de Nederlandse taal betekent: ‘JE MAN IS GEKOMEN’. Ik zag dat er met GSM 18 op 3 februari 2011 om 02:05:36 contact wordt opgenomen met GSM 19. GSM 18 bevindt zich op dat moment in de omgeving van de [Straat F] te Groningen. GSM 19 maakt op dat moment contact via de mast staande aan de [Straat G] te Assen. Verder is te zien dat GSM 19 vervolgens tussen 02:40:14 en 02:49:13 contact heeft met het mobiele nummer [telefoonnummer] ([betrokkene D] NL), GSM 22. Deze beide telefoontoestellen bevinden zich op dat moment in Assen en maken contact met respectievelijk de mast staande aan het [Plein B] en de [Straat H] te Assen. Voornoemde straten kruisen beide de [Straat A] te Assen.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 47 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte A]:

Omdat er boven geen toilet is ging ik naar beneden bij de derde film. Ik zat op het toilet en waar ik de stemmen hoorde heb ik nog even gekeken. Ik liep de trap af en ik kon de mannen zien zitten. Ik heb de woonkamerdeur geopend. Ik zag mijn oom, twee mannen, [betrokkene H] en [verdachte] zitten. Ik zag wat zakken met drugs liggen op de salontafel. Ik zag op de eettafel twee zwarte mutsen liggen.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 56 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte A]:

[verdachte] was bij de overval. Ik ben naar boven gegaan. Later kwam [verdachte] boven, ik denk om ongeveer 23:00 of 24:00 uur op de woensdagavond voorafgaand aan het incident. [verdachte] ging weer weg en zei tegen mij: “Ik ga weg, tot later.” Ongeveer 10 minuten later ging ik naar beneden en zag dat [verdachte] binnen kwam in de woning en ik zag dat hij de sleutels van de BMW van mijn oom in zijn handen had. Hierna heeft [verdachte] de sleutel in de woonkamer gelegd denk ik en heeft hij de woning verlaten via de voordeur. [verdachte] was terug toen ik naar het toilet beneden ging en de stemmen hoorde in de woonkamer. [verdachte] is vervolgens boven gekomen. Toen hij binnen kwam zei hij: “Ik was met twee personen en ik heb goed op iemand ingeslagen.” Ik heb gezien dat de lange man die ik al omschreven heb, een zilverkleurig vuurwapen droeg op zijn linkerheup. De kleine man heet [betrokkene D] en die lange met de bril heet geloof ik [betrokkene E].

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 4 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 19 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte]:

Ik verzamel stokken en knuppels.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2011, opgenomen vanaf pagina 356 van Map 2 Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Aan de [adres Straat B] werd tijdens de doorzoeking een navigatiesysteem aangetroffen van het merk Garmin, model Nuvi 760. De Duitse taal was in dit systeem geselecteerd. Door mij werden de locatiegegevens van 2 en 3 februari 2011 nader bekeken. Hierbij bleek mij dat aan de hand van deze gegevens de volgende routes konden worden herleid:

- een route van de A28, afslag [afslag], naar de [Straat I]/[Straat C]

vertrektijd: 2 februari 2011 23:18 uur

aankomsttijd: 2 februari 2011 23:46 uur

- een route van de [Straat J] te Groningen naar de [Straat A] te Assen

vertrektijd: 3 februari 2011 00:08 uur

aankomsttijd: 3 februari 2011 01:18 uur

- vervolgens geen gegevens tot 01:57 uur

- een route van de [Straat A] te Assen naar de [Straat B] te Groningen

vertrektijd: 3 februari 2011 01:57 uur

aankomsttijd 3 februari 2011 02:42 uur

De tijden die hierboven zijn weergegeven werden vastgelegd tijdens de wintertijd. Dat betekent dat alle tijden in deze logfiles opgehoogd moeten worden met 1 uur.

In de map ‘kurzlich gefunden’ werden door mij onder andere de volgende adressen aangetroffen:

- [adres Straat A] Assen

- [adres Straat B]

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2011, opgenomen op pagina 360 van Map 2 Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

In het onderzoek werd een doorzoeking gedaan in de woning [Straat B] te Groningen. Tijdens deze doorzoeking werd een navigatiesysteem van het merk Europcar/Garmin, type Nuvi, in beslag genomen. Bij navraag bij de securitymanager van [autoverhuur] autohuur te Den Haag bleek dat tussen 16 en 18 december 2010 een auto van het merk Ford Focus was gehuurd. De huurder was [betrokkene A], geboren op [geboortedatum]. Voor dezelfde periode als de huur van de auto werd het bovengenoemde navigatiesysteem gehuurd. Dit navigatiesysteem is nooit teruggebracht door de huurder.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 363 van Map 2 Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 4 februari 2011 ontving de Unit Forensische Opsporing Digitaal het verzoek om een navigatiesysteem uit te lezen. Dit systeem was ingebouwd in een in beslag genomen personenauto, merk BMW, type X6x70, voorzien van kenteken [KENTEKEN]. Ik zag dat in het dashboard boven de middenconsole in vermelde auto een display was ingebouwd. In dit systeem was navigatie ingebouwd. Het geheugen heb ik handmatig onderzocht. Ik zag dat onder andere de volgende instellingen zichtbaar gemaakt konden worden:

‘Navigation’

Assen, [adres Straat A]

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2011, opgenomen op pagina 398 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 heb ik, verbalisant, de in beslag genomen BMW X6, voorzien van kenteken [KENTEKEN], doorzocht. Ik heb onder andere een geldbedrag van € 14.720,-- aangetroffen. Ik zag dat het geld voornamelijk verpakt was als zijnde pakketjes van verschillende hoeveelheden briefgeld. Ik heb de volgende bankbiljetten aangetroffen:

- 202 briefjes van € 50,--

- 52 briefjes van € 20,--

- 358 briefjes van € 10,--

Een proces-verbaal d.d. 6 mei 2011, opgenomen vanaf pagina 1 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, p. 39/40, in combinatie met bijlage foto 10, p. 76 van persoonsdossier [betrokkene C], Map Verdachten 1, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 werd een huiszoeking verricht in de woning [adres Straat B] te Groningen. Er werden meerdere goederen aangetroffen en in beslag genomen. Opvallend was de vondst van een papiertje met de tekst ‘[adres Straat A]’, zijnde het adres waar de beroving in Assen had plaatsgevonden.

Een proces-verbaal d.d. 6 mei 2011, opgenomen vanaf pagina 1 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, p. 28, in combinatie met een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 24 maart 2011, p. 89-100 van Map 3 Onderzoeksdossier [Straat B], inhoudende:

Vanuit de P.I. Scheveningen werd gemeld dat na een onderhoud tussen verdachte [betrokkene A] en zijn advocaat diverse papieren waren achtergelaten in de bezoekerskamer. Daarbij bevond zich ook een brief, geschreven in het Turks, en gericht aan zijn vriendin. Hierin schrijft hij onder andere:

“Begin niet over de kwestie Assen, dat is niet gebeurd.”

Een proces-verbaal d.d. 15 februari 2011, opgenomen in de map Forensisch Technisch Onderzoek, tabblad 2.0, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 te 19:00 uur werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker een sporenonderzoek verricht in verband met een vermoedelijke poging doodslag/moord, gepleegd op donderdag 3 februari 2011 te Groningen. Het onderzoek werd verricht in een bovenwoning aan de [adres Straat A] te Assen. Op de salontafel in de woonkamer lag een ploertendoder. Deze ploertendoder was niet afkomstig van de betrokkene, [slachtoffer A]. Door mij werd de ploertendoder veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AABG4352NL.

Een NFI rapport nr. 2011.03.02.077 d.d. 26 mei 2011, opgemaakt door dr. [verbalisant E], als bijlage gevoegd in map Forensisch Technisch Onderzoek, tabblad 3.1, inhoudende:

SIN AABG4352NL een ploertendoder

AABG4352NL#01 een bemonstering van het handvat van een ploertendoder

Celmateriaal kan afkomstig zijn van [medeverdachte A], [verdachte], onbekende man 1 en minimaal nog één andere (onbekende) persoon.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd:

Er kwam nog iemand vanaf de richting van de hoofdingang en die stond bedreigend voor [betrokkene A]. [medeverdachte A] en ik zijn toen achter hem aan gerend om te zorgen dat hij wegging. [medeverdachte A] liep 2 tot 3 meter voor mij. Die man is alleen maar weggerend.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 10 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 25 van Map Verdachten 2 van dossier nummer 01GHR11014, proces-verbaalnummer 2011011686, inhoudende de verklaring van [slachtoffer F]:

In het ziekenhuis ben ik naar de spoedopvang gelopen. Ik zag dat een jongen mij wilde aanvallen. Ik heb deze jongen een klap gegeven met mijn vuist in zijn gezicht. Ik zag dat de andere jongen een soort stok pakte achter zijn broeksband. Deze stok schoof uit. Ik heb van deze jongen een klap gekregen op mijn handen. De man die op de grond was gevallen, stond vervolgens op en heeft een mes gepakt uit zijn broeksband. Ik ben toen richting hoofdingang gerend.

Een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 16 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 58 van Map Verdachten 2 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene B]:

[slachtoffer F] heeft een klap gekregen op zijn arm van [medeverdachte A] met een ploertendoder. Ik zag [slachtoffer F] hard weglopen na die klap van [medeverdachte A] in de richting van de [Straat K]. [medeverdachte A] liep met de ploertendoder in zijn hand achter [slachtoffer F] aan.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 4 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 19 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte A]:

Op dat moment kwam er een man door de deur de spoedeisende hulp op. Ik heb toen een slaande beweging gemaakt met mijn gummiknuppel. Daarbij heb ik volgens mij zijn vinger geraakt. Toen zag ik hem de deur door lopen de grote hal in. Ik ben achter hem aangelopen. Toen zag ik [verdachte] achter mij aan lopen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 50 van Map Verdachten 1 van dossier nummer 01GHR11014, proces-verbaalnummer 2011011686, inhoudende de verklaring van [betrokkene C]:

Die tassen waren bij mij in huis en in mijn auto. [verdachte] en [medeverdachte A] hebben deze tassen meegenomen. Ik heb die groene wiet en licht- en donkerkleurige hasj er zelf in gedaan. Dit was verpakt in kleinachtige vierkantjes in de blauwe tas. De wiet zat gewoon los in doorzichtige zakken.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 4 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 18 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene C]:

Die blauwe sporttas met bruine stukjes en die wiet. Deze spullen zijn volgens mij woensdagnacht in huis gekomen. Mijn man heeft aan mij tassen gevraagd. Ik heb twee tassen gehaald, de blauwe en de zwart-witte. Op zijn Turks heet het ‘hasj’ wat ik in de tas stopte.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 47 van Map Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte A]:

Ik zag mijn oom, twee mannen, [betrokkene H] en [verdachte] zitten. Ik zag wat zakken met drugs liggen op de salontafel.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 5 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 21 van Onderzoeksdossier [Straat B] Verdachten 1 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene A]:

Ik heb een BMW X6, [KENTEKEN], op naam staan.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2011, opgenomen vanaf pagina 234 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 om 10:25 uur, was op de openbare weg, de [Straat D] te Groningen, een veilige situatie gecreëerd, waarna de beide inzittenden van de BMW, voorzien van kenteken [KENTEKEN], die later bleken te zijn genaamd [betrokkene C] en [verdachte], werden aangehouden.

Wij, verbalisanten, roken een sterke hennepgeur in het voertuig. In de kofferbak zagen wij aan de rechterzijde achterin een zwart/wit gestreepte tas liggen. In deze tas zag ik, verbalisant [verbalisant A], een hoeveelheid verpakte hennep liggen. De geur en vorm zijn mij ambtshalve bekend. Ook zagen wij verbalisanten in de kofferbak rechtsvoor een donkere sporttas liggen. In deze sporttas zagen wij, verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B], een hoeveelheid hasj liggen. Verder zagen wij allemaal verpakte blokken liggen, met daarin mogelijk hasj of andere stoffen genoemd in de Opiumwet.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2011, opgenomen vanaf pagina 390 van Onderzoeksdossier [Straat B] van voornoemd dossier, inhoudende:

Op donderdag 3 februari 2011 werd een blauwe sporttas en een grijs/witte boodschappentas in beslag genomen. Deze twee tassen lagen in de kofferbak van een BMW X6, kenteken [KENTEKEN]. In de blauwe sporttas zaten meerdere, in tape gewikkelde, blokken plantaardig materiaal. In de grijs/witte boodschappentas zaten meerdere plastic zakken, gevuld met plantaardig materiaal.

Op maandag 11 februari 2011 hebben wij, verbalisanten [verbalisant C] en [verbalisant D], de inhoud van de blauwe sporttas bekeken en gewogen. Wij zagen dat in de blauwe sporttas meerdere in tape gewikkelde blokken/plakken hasj lagen. Wij telden in totaal achttien blokken en vijf plakken hasj. Het totaalgewicht van de blokken en plakken inclusief verpakkingsmateriaal bedroeg 15.578 kilogram. Wij verbalisanten, hebben het verpakkingsmateriaal deels weggesneden om te kijken wat voor soort plantaardig materiaal hierin zat. Wij zijn ambtshalve bekend met softdrugs en weten hoe hasj eruit ziet en ruikt. Wij roken en zagen aan de vorm en kleur en geur van de blokken en plakken hasj dat het softdrugs betrof, voorkomende op de lijst van de Opiumwet.

Op maandag 11 februari 2011 hebben wij, verbalisanten [verbalisant C] en [verbalisant D], de inhoud van de grijs/witte boodschappentas bekeken en gewogen. Wij zagen dat in de grijs/witte boodschappentas meerdere zakken hennep lagen. Wij hebben vervolgens de zakken hennep gewogen. Dit waren de hoeveelheden die werden aangetroffen: 1 zak van 332 gram henneptoppen, 1 zak van 647 gram hennepgruis, 1 zak van 66 gram henneptoppen, 1 zak van 60 gram henneptoppen, 1 zak van 38 gram hennepgruis, 1 zak van 32 gram henneptoppen, 1 zak van 32 gram henneptoppen, 1 zak van 96 gram hennepgruis. Het totaalgewicht van deze zakken met hierin de hennep inclusief verpakkingsmateriaal bedroeg 2113 gram. Wij, verbalisanten, zijn ambtshalve bekend met softdrugs en weten hoe hennep eruit ziet en ruikt. Wij roken en zagen aan de vorm en kleur en geur van de hennep dat het softdrugs betrof, voorkomende op de lijst van de Opiumwet.

Uit bovenstaande bewijsmiddelen met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde kan worden afgeleid dat verdachte samen met [betrokkene A] en twee onbekend gebleven mannen naar Assen is gegaan na een tip van [betrokkene B] dat [slachtoffer A] café [naam café] had verlaten. Bij thuiskomst van [slachtoffer A] hebben verdachte en zijn mededaders [slachtoffer A] overmeesterd, met vuurwapens bedreigd, vastgebonden, opgesloten en hem van een groot geldbedrag alsmede een hoeveelheid drugs beroofd. De door [medeverdachte A] afgelegde verklaring bij de politie acht de rechtbank betrouwbaar. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Hij verklaart gedetailleerd en zijn verklaring wordt op verschillende onderdelen ook bevestigd door onderzoeksbevindingen van de politie. Ook verklaart hij dat er een lange man met een bril en zilverkleurig wapen in de woning aan de [adres Straat B] aanwezig was in de nacht van 2 op 3 februari 2011. Er is voorts geen aanleiding om er van uit te gaan dat [medeverdachte A] werd bedreigd of gedwongen deze verklaring af te leggen zoals hij dat heeft gedaan, laat staan gemanipuleerd door de politie. De ontkenning van verdachte betrokken te zijn bij de overval acht de rechtbank niet geloofwaardig.

De rechtbank overweegt voorts dat zij het gebeuren aan de [Straat A] kwalificeert als een diefstal met geweld en niet als een afpersing. [slachtoffer A] heeft verklaard dat het geld dat is weggenomen in zijn jas zat en dat deze reeds voordat hij naar boven werd gedwongen, van hem werd afgenomen.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte A] in het UMCG een mes en ploertendoder bij zich droeg, deze heeft getoond, de ploertendoder heeft gebruikt en vervolgens [slachtoffer F] korte tijd heeft achtervolgd. Verdachte was hierbij aanwezig, versterkte daardoor de dreiging en is, met medeverdachte [medeverdachte A], achter [slachtoffer F] aangerend. Hij heeft zich nergens van gedistantieerd, noch [medeverdachte A] tegengehouden. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank gaat uit van twee verschillende momenten in de confrontatie tussen beide groepen. Er is onvoldoende verband tussen het eerste moment, de confrontatie tussen [slachtoffer E] en [betrokkene A], en het andere moment, de confrontatie waarbij verdachte betrokken was. Er is geen sprake van één geheel van gedragingen, zodat verdachte niet ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen zich bij de eerste confrontatie heeft afgespeeld. Hij zal dan ook worden vrijgesproken van het eerste gedachtestreepje.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Hij zat samen met medeverdachte [betrokkene C] in de auto waarin de drugs werden aangetroffen. Volgens [betrokkene C] heeft verdachte de tassen in de auto gezet. Ook gelet op zijn betrokkenheid bij de overval op [slachtoffer A], waarbij onder meer een hoeveelheid drugs is weggenomen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte geen enkele betrokkenheid had bij de in de auto aangetroffen drugs.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

[betrokkene A], [verdachte], en onbekend gebleven personen op 3 februari 2011 te Assen, tezamen en in vereniging, in de voor de nachtrust bestemde tijd, in de woning [adres Straat A], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een geldbedrag van ongeveer 15.000 euro, en een hoeveelheid verdovende middelen, toebehorende aan [slachtoffer A], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en,bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat die [betrokkene A], die [verdachte], en die onbekend gebleven personen tezamen en in vereniging, onder meer

- in het bezit waren van één vuurwapen en een ploertendoder, en

- zich bij de voordeur van die woning verdekt hebben opgesteld, en

- die [slachtoffer A] die woning in hebben geduwd, bij de keel hebben vastgepakt, meegetrokken, naar boven gedwongen, in een donkere kamer op een bank laten zitten, hebben bedreigd door een pistool tegen het hoofd en/of de nek van die [slachtoffer A] te houden en op het been van die [slachtoffer A] te richten, en

- de handen van die [slachtoffer A] hebben vastgebonden met tape, en

- de ogen en mond van die [slachtoffer A] hebben afgeplakt met tape;

3.

hij op 3 februari 2011, te Groningen, met een ander, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het Universitair Medisch Centrum Groningen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer F], welk geweld bestond uit het dreigend en zichtbaar

- een mes en ploertendoder pakken en vasthouden, en

- openschuiven, zwaaien met en slaan op [slachtoffer F]’s hand met die ploertendoder, en

- achtervolgen van één van bovengenoemde personen met die ploertendoder en dat mes in de hand tot in de hal;

4.

hij op 3 februari 2011, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15.600 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en ongeveer 2.200 gram hennep, zijn hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. Medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

3. Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

4. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, lid 2, van de Opiumwet

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu sprake is geweest van noodweer.

[slachtoffer B] was bezig met een mes op [betrokkene A] in te steken en om het lijf van deze [betrokkene A] te verdedigen mocht verdachte op de wijze zoals hij gedaan heeft optreden. Verdachte heeft enkel geslagen.

Standpunt van de officier van justitie

Ook de officier van justitie heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer. Zowel verdachte als [verdachte] worden wakker gemaakt met de mededeling dat [betrokkene A] wordt vermoord. Als zij beneden komen zien zij een grote zware man op [betrokkene A] zitten. Deze man heeft een mes waarmee hij [betrokkene A] steekt. Zij proberen dan eerst met hun vuisten en door te trekken de man van [betrokkene A] af te krijgen. Dat was op dat moment een passende reactie. Toen dat niet het gewenste effect had, hebben ze een mes gehanteerd. Ook dat was passend en geboden. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de standpunten van zowel de officier van justitie als de raadsman met betrekking tot het beroep op noodweer.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten opzichte van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het betreft een drietal feiten waarbij de overval in het oog springt en dan ook het grootste gewicht in de schaal legt. De overval is van gewelddadige aard geweest en vond plaats in de nacht. Het betreft een ernstig feit waar een hoge gevangenisstraf bij hoort. Daarbij verwijst de officier van justitie naar de richtlijn strafvordering overvallen op woningen en bedrijven. Ook de openlijke geweldpleging is er één van ernstige aard. Deze vond plaats in het ziekenhuis, onschuldige mensen zijn daar geconfronteerd met de gebeurtenissen. Ten slotte had verdachte een aanzienlijke hoeveelheid drugs aanwezig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank (één van) de feiten bewezen mocht achten, gepleit voor een gevangenisstraf die niet hoger uitkomt dan 24 maanden. De vordering van de officier van justitie is te hoog ingezet.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving. Deze vond plaats in de nacht en het slachtoffer werd verrast, overmeesterd en in zijn eigen woning vastgebonden, opgesloten en onder bedreiging gehouden van een vuurwapen en een ploertendoder. De buit was bovendien van grote waarde. Verdachte is weliswaar niet de initiator geweest van de overval, maar is wel binnen geweest in de woning en heeft geweld toegepast. Daarmee is zijn rol aanzienlijk. Een dergelijke overval heeft grote impact op het slachtoffer en de gevoelens van onveiligheid zullen in het algemeen nog lange tijd blijven bestaan. Een beroving van deze aard en omvang rechtvaardigt in beginsel een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van openlijke geweldpleging. Hij is naar een ziekenhuis gegaan samen met zijn mededader, die een mes en een ploertendoder op zak had. In het ziekenhuis heeft zijn mededader deze wapens getoond en hij heeft geslagen met de ploertendoder. Verdachte is samen met zijn mededader vervolgens achter het slachtoffer aangegaan. Dit moet voor de omstanders een angstige en schokkende vertoning zijn geweest. Bezoekers van een ziekenhuis komen daar doorgaans niet voor hun plezier en worden dan ook nog, geheel tegen hun wil in, geconfronteerd met personen, waarvan één in het bezit van wapens, die zich gewelddadig gedragen. Ten slotte heeft verdachte een grote hoeveelheid verdovende middelen aanwezig gehad. De drugswereld gaat gepaard met criminaliteit waarvan de samenleving de nadelige gevolgen ondervindt. Daarnaast zijn drugs een gevaar voor de gezondheid. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair, 3 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en

G. Eelsing, in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Baren, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 augustus 2011.