Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BR1928

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
121009/FA RK 10-2145
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie voor de eindbeschikking d.d. 26-4-2011 LJN BQ5623

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 121009/FA RK 10-2145

beschikking d.d. 15 februari 2011

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat aanvankelijk mr. A.R.H. Baas, thans mr. L.H. Haarsma.

en

[de man],

verblijvende op een geheim adres,

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J. Dijkman.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 8 september 2010 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot echtscheiding en heeft tevens nevenvoorzieningen verzocht.

Een afschrift van het verzoekschrift is aan de man betekend op 22 september 2010.

De man heeft tijdig een verweerschrift ingediend.

Op 12 januari 2011 is een door partijen op respectievelijk 3 en 12 januari 2011 ondertekend ouderschapsplan overgelegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

Blijkens de overgelegde bescheiden bezat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting de Nederlandse en de Turkse nationaliteit en de man de Turkse nationaliteit. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bezaten beide partijen zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Partijen zijn [in 2001] in [plaatsnaam] (Turkije) gehuwd. Na de huwelijkssluiting is de vrouw, die voorheen al in Nederland woonde, weer teruggekeerd naar Nederland. De man is in Turkije blijven wonen en eerst op 29 juli 2003 naar Nederland verhuisd.

De rechtsmacht

Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bezaten beide echtgenoten in elk geval de Nederlandse nationaliteit zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding

Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, komt de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht toe te oordelen over het verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De man heeft zijn woonplaats in Nederland, zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen inzake de kinderalimentatie.

De gewone verblijfplaats van het minderjarige kind van partijen is in Nederland, zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de nevenverzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.

Het toepasselijke recht

De echtgenoten bezitten zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name het feit dat partijen al jarenlang in Nederland woonachtig zijn, hebben zowel de man als de vrouw de sterkste band met Nederland. Het Nederlandse recht geldt derhalve als het nationale recht van zowel de man als de vrouw. Ingevolge artikel 1, lid 3 juncto artikel 1 lid 1 sub a van de Wet conflictenrecht echtscheiding zal de rechtbank Nederlands recht toepassen op het verzoek tot echtscheiding nu partijen Nederlands recht als gemeenschappelijk nationaal recht hebben.

Op het huwelijksvermogensregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.

Hoewel op grond van artikel 4 en 5 van voornoemd verdrag oorspronkelijk Turks recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen, is op grond van artikel 7 lid 2 sub 3 van voornoemd verdrag sinds 29 juli 2003 Nederlands recht van toepassing, omdat de toepassing van het Turkse recht bij gebreke van een eerste huwelijksdomicilie enkel was gebaseerd op de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen en zij sinds 29 juli 2003 in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben. Dit betekent derhalve dat op het huwelijksvermogenregime van partijen vanaf datum huwelijkssluiting tot 29 juli 2003 Turks recht van toepassing is en dat vanaf 29 juli 2003 Nederlands recht van toepassing is.

De rechtbank zal Nederlands recht toepassen inzake de kinderalimentatie, zijnde het interne recht van de gewone verblijfplaats van het minderjarige kind.

De rechtbank zal eveneens het Nederlandse recht toepassen op de nevenverzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, nu dit het interne recht van de bevoegde Nederlandse rechter is

De ontvankelijkheid van het echtscheidingsverzoek

Tussen partijen staat het volgende vast:

- zij zijn gehuwd [in 2001] in [plaatsnaam] (Turkije);

- zij hebben het gezag over het minderjarige kind:

* [naam kind], geboren [in 2006] in de gemeente [geboorteplaats];

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

Het verzoekschrift bevat een ouderschapsplan waarin partijen met betrekking tot voornoemde minderjarige kind afspraken hebben opgenomen:

* over de wijze waarop zij de zorg- en opvoedingstaken verdelen;

* over de wijze waarop zij elkaar informatie verschaffen en raadplegen bij gewichtige aangelegenheden en

* over de kosten van de verzorging en opvoeding.

Voorts is in het verzoekschrift aangegeven op welke wijze het minderjarige kind is betrokken bij het opstellen van dit ouderschapsplan.

De rechtbank stelt vast dat het bepaalde in artikel 815, tweede tot en met vierde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet aan de ontvankelijkheid van het echtscheidingsverzoek in de weg staat.

De (inhoudelijke) beoordeling

De man heeft zich voor wat betreft de echtscheiding, het hoofdverblijf van het minderjarige kind en het ouderschapsplan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het verzoek tot echtscheiding is naar het oordeel van de rechtbank als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar, evenals de bij het verzoekschrift gevraagde nevenvoorzieningen met betrekking tot het hoofdverblijf van het minderjarige kind en het ouderschapsplan.

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Gelet op de geschilpunten tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding een comparitie van partijen te gelasten, teneinde te trachten een schikking te bewerkstelligen.

Voorts zal worden bepaald, dat partijen de in artikel 9.2 van het procesreglement scheiding vermelde bescheiden, voor zover nog niet overgelegd, dienen over te leggen.

Indien partijen voordien in onderling overleg tot een regeling komen, worden zij verzocht de rechtbank hiervan tijdig schriftelijk op de hoogte te stellen.

BESLISSING

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die [in 2001] te [plaatsnaam] (Turkije) met elkaar huwden;

bepaalt dat het hoofdverblijf van voornoemde minderjarige bij de vrouw is;

bepaalt dat partijen zijn overeengekomen als in voormeld ouderschapsplan staat vermeld, van welk ouderschapsplan een gewaarmerkte kopie aan deze beschikking is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd;

houdt de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan en gelast een comparitie van partijen op 22 april 2011 van 10:00 uur tot 12:00 uur te houden voor mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, in een der zalen van het gerechtsgebouw te Groningen aan het Guyotplein 1;

bepaalt dat uitstel slechts éénmaal zal worden verleend en wel op verzoek van de meest gerede partij, mits het verzoek binnen veertien dagen na het uitspreken van de beschikking is ingediend, deugdelijk is gemotiveerd en een opgave behelst van de verhinderdata van beide partijen gedurende de eerste drie maanden na de oorspronkelijk vastgestelde datum;

partijen dienen uiterlijk tien kalenderdagen voor de zitting aan de rechtbank in tweevoud en elkaar, voor zover nog niet overgelegd, over te leggen de in artikel 9.2 van het procesreglement scheiding genoemde bescheiden, te weten:

- een overzicht van de samenstelling van de boedel en de waarde van de verschillende bestanddelen;

- indien verschil van mening bestaat over de waarde: de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld vergezeld van een voorstel met betrekking tot eventueel te benoemen taxateur(s);

- de peildatum voor de waardebepaling en

- een voorstel tot verdeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 15 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. W.J. Duker.

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.