Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BR1099

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
18/670006-11 en 24-002474-05 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van poging moord en veroordeeld voor poging doodslag. De beroepen op noodweer c.q. noodweerexces zijn verworpen. Strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummers: 18/670006-11 en 24/002474-05(tul) (promis)

datum uitspraak: 11 juli 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. U. van Ophoven

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de PI Noord, locatie De Grittenborgh, te Hoogeveen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 april 2011 en 28 juni 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 januari 2011, in de gemeente Zuidhorn,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de schouder(s) en/of in het voorhoofd en/of in de

halsstreek en/of elders in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of

getroffen, terwijl de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 januari 2011, in de gemeente Zuidhorn,

aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heef toegebracht,

door deze opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in

de schouder(s) en/of in het voorhoofd en/of in de halsstreek en/of elders in

het lichaam te steken en/of te snijden en/of te treffen,

waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een of meer

steek- of snijwonden in de schouder(s) en/of in de halsstreek en/of in het

voorhoofd heeft bekomen;

althans, indien terzake van vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 januari 2011, in de gemeente Zuidhorn,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de schouder(s) en/of in het voorhoofd en/of in de halsstreek en/of elders in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of getroffen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot moord, aangezien niet is gebleken dat verdachte met voorbedachten rade, na een moment van kalm beraad en rustig overleg, zijn oom [slachtoffer] met een mes te lijf is gegaan. Daarvoor is de tijd die is verstreken tussen de beslissing het mes bij zich te steken en het steken zelf te kort geweest. Verdachte dient van de poging tot moord vrijgesproken te worden.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag. De officier van justitie komt tot dit oordeel op grond van de verklaringen van het slachtoffer, verdachte en de broer van verdachte. Verdachte heeft extreem gevaarlijk gehandeld door het slachtoffer te steken in het bovenlichaam. Dit was onder meer in de buurt van de halsslagader. Het gevaar is beschreven door de GGD-arts [GGD-arts]. Als er niet snel hulp ter plaatse was geweest, of het mes net even ergens anders terecht was gekomen, had het slachtoffer kunnen doodbloeden. Het is niet aan verdachte te danken dat het steken niet dodelijk is geweest. Als verdachte al geen opzet heeft gehad om zijn oom te doden, dan heeft hij zeker het voorwaardelijk opzet gehad. Door te steken in een vitaal gebied van het lichaam heeft hij het risico op de koop toegenomen dat zijn oom zou kunnen komen te overlijden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting betoogd dat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Met betrekking tot de poging tot moord heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake was van een welbewust en vooropgezet plan en dat daarom de voorbedachten rade niet bewezen kan worden. Met betrekking tot de poging tot doodslag is de raadsman van oordeel dat nooit de bedoeling is geweest van verdachte om zijn oom levensbedreigend te verwonden. Om die reden kan de poging tot doodslag niet worden bewezen.

De raadsman heeft betoogd dat de meer subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wel bewezen kan worden, zij het met uitzondering van de voorbedachten rade. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte het slachtoffer slechts éénmaal daadwerkelijk heeft gestoken - in een reactie op de aanval van het slachtoffer op de broer van verdachte - en de andere verwondingen alleen in de daarna ontstane worsteling kunnen zijn ontstaan doordat verdachte het mes nog steeds in zijn handen had. De verwonding die door de eerste messteek is toegebracht kan nooit één van de verwondingen in de halsstreek zijn geweest en was om die reden dan niet levensbedreigend voor het slachtoffer. Gezien de ontstane situatie kan het niet anders zijn dan dat verwonding 4, zoals deze in de medische verklaring is beschreven, de eerste messteek is geweest. Het slachtoffer heeft daarover verklaard dat hij een stomp op de rug heeft gevoeld en niet in de halsstreek. Er is geen gericht handelen geweest van verdachte om aan [slachtoffer] verwondingen in de halsstreek toe te brengen. Op basis van het beschreven letsel kan zware mishandeling worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van de volgende gang van zaken.

Verdachte reed op 11 januari 2011 in zijn auto. Hij was op weg naar het benzinestation in Oldehove. Zijn oom, [slachtoffer], kwam achter verdachte te rijden. [slachtoffer] reed met groot licht en slingerde. Hij reed dicht op de bumper van verdachte.1 Verdachte heeft daarop zijn moeder gebeld om haar te vragen of zij zijn broer, [broer verdachte], kon sturen zodat hij er niet alleen voor zou staan.2 [broer verdachte] heeft verklaard dat zijn moeder hem heeft gebeld aangezien verdachte werd achtervolgd door [slachtoffer]. Daarop is hij in zijn auto gestapt.3 Op advies van zijn moeder heeft verdachte de politie gebeld met de melding dat er een dronken bestuurder achter hem reed die hem achtervolgde en waardoor hij zich bedreigd voelde.4 Vlak voor Oldehove kwam verdachte zijn broer [broer verdachte] tegen in de auto. [broer verdachte] keerde zijn auto en kwam achter [slachtoffer] te rijden. Daarna heeft verdachte zijn auto op een drempel stilgezet waardoor [slachtoffer] zijn weg niet kon vervolgen. [broer verdachte] stopte achter de auto van [slachtoffer].5

[broer verdachte] zag dat [slachtoffer] uitstapte en naar het portier van verdachte liep. Verdachte reed een stukje verder. [slachtoffer] liep terug en wilde in zijn eigen auto stappen en zag toen de auto van [broer verdachte] achter hem op de weg staan waardoor hij feitelijk was klemgereden. [slachtoffer] is naar diens auto toegelopen en heeft [broer verdachte] door het geopende portierraam vastgepakt bij óf de kraag van zijn blouse of bij de nek.6 [broer verdachte] schreeuwde om hulp.7 Verdachte hoorde zijn broer om hulp schreeuwen en is uit zijn auto gestapt.8 Hij liep halverwege terug naar zijn auto om zijn mes te pakken. Met dat mes stak hij eerst een band van de auto van [slachtoffer] lek. Daarbij dacht hij dat zijn broer heus wel een paar klapjes aankon en zich eerst wel zou redden.9 Daarna heeft verdachte naar eigen zeggen het mes weer opgeborgen.10 Toen verdachte bij de auto van zijn broer kwam, stond [slachtoffer] met zijn bovenlichaam door het portierraam geleund en met zijn rug naar verdachte toe. Verdachte pakte zijn mes en stak daarmee. Verdachte raakte [slachtoffer] van achteren en stak met rechts.11 [slachtoffer] heeft verklaard dat hij stompen op zijn rug voelde.12 Zodra verdachte had gestoken, draaide [slachtoffer] zich om en richtte zich op verdachte.13 Verdachte en [slachtoffer] hadden elkaar vast en er ontstond een worsteling. [broer verdachte] stapte uit zijn auto en trok ze uit elkaar.14 Tijdens de worsteling stak verdachte [slachtoffer] nog meermalen met het mes dat hij nog in zijn rechterhand had.15 Uit de medische verklaring blijkt dat verdachte vijf (steek)wonden had, maar dat inwendig letsel daarvan kon worden uitgesloten. De GGD-arts voorspelt daarbij een volledig herstel van het letsel binnen twee tot drie weken. Gezien de locatie ervan hadden de verwondingen, met name de halsverwonding links, ook ernstigere gevolgen kunnen hebben.16

Uit deze gang van zaken kan niet volgen dat verdachte met voorbedachten rade, na een moment van kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. Verdachte heeft in eerste instantie het mes gebruikt om de band lek te steken. Daarna heeft hij het mes opgeborgen. Toen verdachte dacht dat zijn broer in nood was heeft hij het mes weer tevoorschijn gehaald en direct daarna met het mes [slachtoffer] van achteren gestoken.

De rechtbank neemt ten aanzien van de tenlastegelegde poging doodslag het volgende in aanmerking.

De rechtbank is van oordeel dat het meest waarschijnlijk is dat verdachte de verwonding die in de medische verklaring is omschreven als nummer 4 als eerste heeft toegebracht. Dit is de verwonding die het meest passend is bij de verklaring van [slachtoffer] over een 'stomp op de rug'. In de worsteling die daarop volgde heeft verdachte het slachtoffer nog meerdere (steek)wonden toegebracht. Hierbij is [slachtoffer] geraakt op plaatsen waarbij het letsel ook een dodelijke afloop had kunnen hebben. Verdachte heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk had kunnen verwonden.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 11 januari 2011, in de gemeente Zuidhorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes meermalen in de schouders en in het voorhoofd en in de halsstreek heeft gestoken en getroffen, terwijl de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit en strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op noodweer, althans noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen rekening hoefde te houden met het feit dat de aanval van [slachtoffer] zich ineens zou richten op zijn broer. Verdachte heeft [slachtoffer] met het mes aangevallen om zijn broer te ontzetten. Dit was een noodzakelijke verdediging tegen de aanval op zijn broer. Wat er daarna is gebeurd, is geen gerichte aanval geweest op [slachtoffer]. Verdachte wilde en mocht zich verweren tijdens een worsteling met [slachtoffer]. Daarbij had verdachte het mes nog in zijn handen. Het geweld dat verdachte heeft gebruikt, was proportioneel.

Er is sprake van noodweerexces, aangezien verdachte door zijn jeugdervaring, zijn eerdere confrontaties met [slachtoffer] en het feit dat zijn broer werd aangevallen, niet anders kon reageren dan hij heeft gedaan.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

Door de officier van justitie is gesteld dat de situatie waarin [slachtoffer] verdachtes broer belaagde, een noodweersituatie is te noemen, waarin een gerechtvaardigde verdediging aan de orde kán zijn. De eigen schuld van verdachte aan de ontstane confrontatie - door het klemrijden van [slachtoffer] door verdachte en zijn broer - staat echter in de weg aan een honorering van het beroep op noodweer. Er is sprake van culpa in causa.

Het verweer dient naar het oordeel van de officier van justitie te worden verworpen.

Subsidiair heeft de officier van justitie gesteld dat in de situatie waarin de broer zich bevond verdediging noodzakelijk was. De politie was nog niet ter plaatse en [slachtoffer] stopte niet uit zichzelf met slaan. [broer verdachte] kon niet vluchten. Verdachte mocht in die situatie zijn broer te hulp komen. De door verdachte gekozen wijze van verdediging, het steken met een mes, is naar de mening van de officier van justitie echter niet proportioneel. Verdachte is daarmee te ver gegaan. Hij heeft een te zwaar wapen gekozen in verhouding met de aanval die [slachtoffer] deed op de broer van verdachte. Dat verdachte zich zelf daarna met dat mes moest verdedigen tegen een aanval van [slachtoffer] is onvoldoende vast komen te staan.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces is het volgende van belang.

Verdachte raakte toen hij zijn broer in de greep van [slachtoffer] om hulp hoorde roepen hevig geëmotioneerd. Mede door het herbeleven van een traumatische jeugdervaring van verdachte en diens broer is verdachte in een hevige gemoedsbeweging gekomen tijdens de aanval op zijn broer. De hevigheid van de emoties van verdachte, opgewekt door de aanval op zijn broer, is invoelbaar. Er staat voldoende vast dat de buitenproportionele reactie van verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van die hevige gemoedsbeweging.

Meer subsidiair stelt de officier van justitie zich dan ook op het standpunt dat er sprake is geweest van noodweerexces en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling

Noodweer

De rechtbank is van oordeel dat er voor verdachte weliswaar een noodsituatie was ontstaan door de onverwachte aanval op zijn broer, maar dat de reactie van verdachte hierop disproportioneel is geweest. Verdachte wilde zijn broer ontzetten en heeft daarbij zijn mes tevoorschijn gehaald dat hij al weer had opgeborgen. De noodzaak voor het gebruik van het mes is de rechtbank niet gebleken. Er waren voor verdachte voldoende andere mogelijkheden om zijn broer te helpen en daar heeft hij geen gebruik van gemaakt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij eerst heeft geprobeerd [slachtoffer] van zijn broer te halen, maar dat dit niet lukte. Deze verklaring is echter strijdig met zijn eerdere verklaring bij de politie, de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van zijn broer [broer verdachte] bij de politie waaruit blijkt dat verdachte niet heeft geprobeerd [slachtoffer] weg te trekken van de auto, maar meteen heeft gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat onder de genoemde omstandigheden het steken met het mes niet in een redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding van zijn broer.

Vervolgens richtte [slachtoffer] zich op verdachte en is er een worsteling ontstaan tussen hen. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich in die worsteling moest verdedigen met een mes. Juist in die worsteling zijn de meest gevaarlijke verwondingen bij [slachtoffer] toegebracht. Bovendien heeft zijn broer [broer verdachte] nog naar verdachte "weg met dat mes" geroepen.17 [broer verdachte] was zelfs verbaasd over de reactie van zijn broer en heeft blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris kort na het steekincident tegen verdachte gezegd: "dat had je toch ook wel met de vuist kunnen doen".

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

Voor de beoordeling of er sprake is geweest van noodweerexces baseert de rechtbank zich met name op de verklaringen die door verdachte en zijn broer bij de politie zijn afgelegd. Uit die verklaringen is de rechtbank niet gebleken dat er bij verdachte sprake was van een dusdanig heftige gemoedsbeweging die de buitenproportionele reactie van verdachte zou kunnen verklaren. Verdachte heeft bewust de tijd genomen om eerst de band van de auto van [slachtoffer] lek te steken. Zijn broer kon zich wel even redden.18

Pas in de rapportage door de psycholoog is beschreven dat er mogelijk sprake is geweest van een herbeleving van een traumatische gebeurtenis uit de jeugd van verdachte en diens broer waarbij verdachte in zijn beleving zijn broer [broer verdachte] in de steek heeft gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat de emoties door de aanval op zijn broer van doorslaggevend belang zijn geweest voor de buitensporige reactie. Veeleer hebben andere emoties ten gevolge van een zakelijk conflict een rol gespeeld.

De rechtbank acht aldus niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging die de strafbaarheid zou doen uitsluiten.

Het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

- Poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging doodslag komt heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Op grond van de rapportages over de persoon van verdachte komt de officier van justitie tot het oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte psychiatrisch wordt behandeld en verplicht toezicht door de reclassering wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daarnaast geëist dat in de bijzondere voorwaarden wordt opgenomen dat aan verdachte een contact- en locatieverbod wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Naar zijn oordeel heeft de officier van justitie in haar strafeis onvoldoende rekening gehouden met een mate van eigen schuld bij het slachtoffer. Om de bijzondere voorwaarden (verplicht reclasseringstoezicht en behandeling bij de AFPN) mogelijk te maken kan daarnaast een voorwaardelijke straf opgelegd worden.

Het opleggen van een contactverbod geeft bezwaren aangezien verdachte en het slachtoffer nog verwikkeld zijn in civiele procedures en elkaar daarbij nog in de rechtbank zullen treffen. Het mag verdachte niet onmogelijk worden gemaakt om hierbij aanwezig te zijn.

Een locatieverbod is niet nodig aangezien verdachte niet van plan is om in de buurt van het slachtoffer te komen. Hij heeft in [woonplaats] niets meer te zoeken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het aangaande zijn persoon opgemaakte psychologisch rapport, het reclasseringsrapport en het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door het slachtoffer in de rug, hals en op het voorhoofd te steken met een mes. Verdachte heeft door aldus te handelen het risico genomen dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De omstandigheid dat het slachtoffer niet dodelijk is geraakt, is niet te danken aan het handelen van verdachte. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer aan het voorval een ontsierend litteken op zijn voorhoofd heeft overgehouden en er nog veel angst en hinder van ondervindt in zijn dagelijks leven.19

De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat hij de confrontatie is aangegaan door [slachtoffer] tot stoppen te dwingen en door zijn broer [broer verdachte] bij het conflict te betrekken, waardoor het uiteindelijk is geëscaleerd.

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling.

Uit de pro justitia rapportage van de psycholoog blijkt dat verdachte een gemiddeld intelligente man is bij wie er geen psychiatrische problematiek en bij wie geen persoonlijkheidsstoornis is geconstateerd. Wel is er bij verdachte sprake van een gebrekkige coping ten aanzien van spanningen en gevoelens van onmacht. Daardoor was hij enigszins beperkt in zijn gedragskeuzemogelijkheden. Deze omstandigheden hadden echter geen invloed op het inzicht in de ontoelaatbaarheid van zijn handelen. Op gedragskundige gronden is betrokkene volledig tot licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Zowel de reclassering als de psycholoog adviseert de rechtbank verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte wordt behandeld door de AFPN. De psycholoog beveelt daarbij aan dat verdachte bij de AFPN de VERS (Vaardigheidstraining Emotie Regulatie Stoornis) behandeling zou moeten ondergaan.

De rechtbank acht gelet op de adviezen van de reclassering en de psycholoog een deels voorwaardelijke straf geboden en zal verdachte derhalve een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met inachtneming van de door de deskundigen gestelde voorwaarden. In het door de reclassering voorgestelde en door de officier van justitie gevorderde contact- en locatieverbod, ziet de rechtbank geen meerwaarde.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer], wonende te [woonplaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Ter zitting van 18 april 2011 heeft de benadeelde partij het verzoek om vergoeding van de contactlenzen ingetrokken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De kosten voor de lek gestoken band kunnen naar het oordeel van de officier van justitie niet worden toegewezen, aangezien dit feit niet is ten laste gelegd. Het verzoek om vergoeding van de contactlenzen is ingetrokken. De overige materiële kosten kunnen worden toegewezen.

Met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie gesteld dat het slachtoffer tijdens het incident ook agressief is geweest en daarom matiging van het verzochte bedrag op zijn plaats is. Een bedrag van € 1.750,00 acht de officier van justitie redelijk en billijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze niet eenvoudig van aard is. Doordat een mate van eigen schuld bij het slachtoffer moet worden meegewogen, dient deze vordering bij de civiele rechter te worden aangebracht. Bij een eventuele toewijzing zal compensatie moeten plaatsvinden met vorderingen van verdachte op de benadeelde partij.

Mocht de rechtbank toch tot een beoordeling van de vordering overgaan dan is de raadsman van mening dat de posten van de contactlenzen en de band niet kunnen worden toegewezen. Verder is onduidelijk welke schade nu precies is geleden en daarom is de vordering tot vergoeding van de materiële schade onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding is de psychische schade voor het slachtoffer lastig vast te stellen, aangezien het slachtoffer voordien al onder behandeling was voor soortgelijke klachten.

Beoordeling

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de post voor vergoeding van contactlenzen door de benadeelde partij op de terechtzitting van 18 april 2011 is ingetrokken.

De gevorderde materiële schadevergoeding zal voor het overige worden toegewezen, daar de geleden schade voldoende is komen vast te staan en niet gemotiveerd is betwist. De vergoeding van de band wordt afgewezen, omdat er geen rechtstreeks verband is tussen het bewezenverklaarde en de schade die aan de band is toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 567,32. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de immateriële schade is de rechtbank van oordeel, mede gelet op de eigen rol van de benadeelde partij, dat deze kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. Voor het overige deel van de immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

In totaal wordt een bedrag toegewezen van € 2.567,32 aan de benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Beslag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer. Voor zover de in beslag genomen kleding nog niet aan verdachte en het slachtoffer is teruggegeven heeft de officier van justitie gevorderd dat dit alsnog zal gebeuren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een mes, moet worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat het in beslag genomen mes aan verdachte toebehoort en dat het bewezen verklaarde feit met het in beslag genomen mes is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen kleding aan de rechthebbenden, verdachte en het slachtoffer, dient te worden terug gegeven voor zover dat nog niet is gebeurd. De rechtbank gelast daartoe de teruggave aan de rechthebbenden.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te Leeuwarden d.d. 25 mei 2010 onder parketnummer: 24/002474-05 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft gevorderd dat door deze rechtbank een last tot tenuitvoerlegging van voormelde straf zal worden gegeven, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel alsnog tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet evenwel op de langdurige gevangenisstraf die verdachte zal moeten ondergaan is het niet opportuun om de tenuitvoerlegging van deze werkstraf te gelasten. De rechtbank zal daarom de vordering na voorwaardelijke veroordeling afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart de ten laste gelegde poging moord niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de ten laste gelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde een ambulante behandeling zal volgen bij de AFPN.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 2.567,32 (zegge: tweeduizend vijfhonderd zevenenzestig euro en tweeëndertig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 2.567,32, vermeerderd met de wettelijke rente, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.567,32, vermeerderd met de wettelijke rente, ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Verklaart verbeurd:

- een mes.

Gelast de teruggave van:

- de inbeslaggenomen kleding aan de rechthebbende.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Wijst af de vordering van de officier van justitie onder parketnummer

24/002474-05.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. G. Eelsing, voorzitter, H.J. Bastin en Th.A. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2011.

1 De bekennende verklaring door verdachte afgelegd ter zitting van 18 april 2011

2 Het proces-verbaal d.d. 12 januari 2011, opgenomen op pagina 28-32 van het dossier nr. 2011007332 d.d. 21 januari 2011, inhoudende de verklaring van verdachte

3 Een proces-verbaal d.d. 28 maart 2011, inhoudende een verklaring van [broer verdachte], afgelegd bij de rechter-commissaris

4 Een proces-verbaal d.d. 21 januari 2011, opgenomen op pagina 4-9 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant

5 Zie noot 1

6 Een proces-verbaal d.d. 28 maart 2011, inhoudende een verklaring van [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris

7 Zie noot 3

8 Zie noot 1

9 Het proces-verbaal d.d. 19 januari 2011, opgenomen op pagina 33-40 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte

10 Zie noot 1

11 Zie noot 1

12 Zie noot 6

13 Zie noot 1

14 Zie noot 3

15 Zie noot 6

16 Een schriftelijk stuk d.d. 7 februari 2011, inhoudende een medische verklaring van [GGD-arts], coördinerend forensisch arts bij de GGD

17 Zie noot 6

18 Zie noot 9

19 Een geschrift, te weten een schriftelijke slachtofferverklaring opgemaakt en ondertekend door [slachtoffer] d.d. 5 april 2011