Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ9138

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
124778-FA RK 11-425
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verklaring van rechtsvermoeden van overlijden na vermissing van ruim dertien jaar; geen aanleiding voor een herhaalde oproeping van de vermiste en ook niet voor het overleggen van bewijsstukken ten bewijze dat aan de wettelijk gestelde vereisten is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

Meervoudige familiekamer

Zaaknummer 124778/FA RK 11-425

Beschikking d.d. 21 juni 2011

in de zaak van:

v e r z o e k s t e r,

advocaat mr. M.R.P. Ossentjuk,

en

b e l a n g h e b b e n d e,

verder te noemen de vermiste,

niet in rechte verschenen.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 8 maart 2011 een tussenbeschikking gegeven.

Daarbij is verzoekster bevolen om de vermiste via “de Nederlandse Staatscourant” en

“de Telegraaf” op te roepen voor de zitting van 7 juni 2011 om 09.00 uur, om van haar in leven zijn te doen blijken. Verder is bepaald, dat mr. Ossentjuk bewijs van deze publicaties aan de rechtbank dient over te leggen.

Op 10 mei 2011 is ter griffie een faxbericht van mr. Ossentjuk ontvangen, met als bijlage vorenbedoelde publicatie in “de Telegraaf”.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 juni 2011.

Daarbij is mr. Ossentjuk verschenen en gehoord.

Ter griffie is op 7 juni 2011 een faxbericht van mr. Ossentjuk ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in voormelde tussenbeschikking.

Vaststaat dat de vermiste is geboren in 1963 en dat zij voor het laatst op of omstreeks 8 februari 1998 is gezien door een politieagente in de nabijheid van haar woning te Groningen.

standpunt van verzoekster:

De vermiste is jarenlang als prostituee werkzaam geweest.

Na haar verdwijning is van vermiste taal noch teken meer vernomen. Onderzoek door de politie en aandacht aan de verdwijning in opsporingsprogramma’s op de televisie hebben niets opgeleverd.

Het bestaan van de vermiste is onzeker. Een rechtsvermoeden van overlijden biedt verzoekster enige zekerheid dat haar dochter is overleden. Er loopt nog een levensverzekering op naam van vermiste. Verzoekster voldoet de verschuldigde premies. Deze verzekering kan na toewijzing van het verzochte tot uitkering komen.

beoordeling:

De vermiste heeft haar laatst bekende woonplaats in Groningen gehad en daarom is deze rechtbank bevoegd om van het onderhavige verzoekschrift kennis te nemen.

Voldoende aannemelijk is geworden dat het bestaan van de vermiste onzeker is en dat meer dan vijf jaar is verstreken vanaf de laatste tijding van haar leven.

Verzoekster is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in voormelde beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 8 maart 2011.

Volgens de ter zake door de advocaat overgelegde en ter zitting aangehaalde en overgelegde stukken is de vermiste opgeroepen om ter zitting van 7 juni 2011 te verschijnen door middel van oproepingen in het Nederlandse dagblad “de Telegraaf” van 11 maart 2011 en in “de Nederlandse Staatscourant”.

De vermiste is niet ter zitting verschenen, noch is er iemand verschenen die voor haar opkomt en die behoorlijk van haar in leven zijn doet blijken.

Gelet hierop alsmede op de inhoud van de overgelegde stukken en op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank van het in leven zijn van de vermiste niet gebleken en is er geen aanleiding om de oproeping van vermiste nog een keer te herhalen, alsmede getuigen te horen en de overlegging van bewijsstukken te gelasten ten bewijze dat aan de wettelijk gestelde vereisten is voldaan.

Het verzochte zal als hierna te melden worden toegewezen, waarbij als dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden, 8 februari 1998 wordt gehanteerd, omdat zij op of omstreeks die datum voor het laatst is gezien.

BESLISSING

verklaart dat er rechtsvermoeden van overlijden op 8 februari 1998 bestaat van belanghebbende;

bepaalt dat de door verzoekster gemaakte kosten die verband houden met de onderhavige procedure op grond van artikel 1:413 lid 1 BW ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.

Gegeven door mrs. D.A. Flinterman, M.J.B. Holsink en S. Stenfert Kroese en door eerstgenoemde uitgesproken ter openbare zitting van dinsdag 21 juni 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.