Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ9128

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/608 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetting van een Franse uitkering in een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering? In de door Frankrijk opgestelde verklaring, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1987, p. 39, PB L 90, is onder meer opgenomen dat de Franse regering de Verordening 1408/71 uitsluitend van toepassing verklaart op het stelsel inzake de werkloosheidsverzekering. In PB L90 van 6 april 1973, p. 1 en PB C215 van 28 juli 1994 is de AAH evenmin opgenomen.

De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de aan eiseres in Frankrijk toegekende AAH niet onder de werkingssfeer van Verordening 1408/71 valt. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres reeds daarom niet van verweerder verlangen dat de AAH op grond van deze verordening wordt omgezet in een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. In zoverre heeft de verweerder de aanvraag van eiseres om een WAO-uitkering dan ook terecht afgewezen en behoeft hetgeen door verweerder omtrent de verzekeringsplicht naar voren is gebracht, geen bespreking meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Zaaknummer: AWB 10/608 WAO

Uitspraak in het geschil tussen

[eiseres] [woonplaats]

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uwv.

1. Onderwerp van geschil

Bij het bestreden besluit van 4 mei 2010 (kenmerk B&B 265.0034.16V H.H.) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de afwijzing van het recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 8 juni 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2010. Eiseres is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten tot heropening van het onderzoek, teneinde het onderhavige beroep in meervoudig verband te kunnen afdoen, gelet op de ingewikkeldheid van de Europeesrechtelijke aspecten.

Het geschil is wederom behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 mei 2011.

Eiseres is met kennisgeving niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde.

2. Beoordeling van het geschil

2.1 Feiten en procesverloop

Eiseres is geboren op 16 januari 1955 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft in Nederland een arbeidsverleden van ongeveer 3,5 jaar. Eind jaren zeventig heeft eiseres 2,5 jaar gewerkt. In de periode van 1999-2000 heeft zij ongeveer 10 maanden gewerkt. Laatstelijk was eiseres werkzaam in de functie van administratief medewerkster bij Stichting Protestants Christelijk Zorgcentrum Amaris Zuiderheide voor 20 uur per week.

In maart 2000 heeft eiseres zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaam¬heden vanwege psychische klachten. Op 24 juli 2000 heeft zij zich hersteld gemeld en vervolgens heeft zij ontslag genomen. Op 21 augustus 2000 is eiseres naar Frankrijk geëmigreerd. Per januari 2002 heeft eiseres in Frankrijk als secretaresse gewerkt voor een Engelse financiële consultancy firma en na drie maanden is zij gaan werken voor een Nederlandse advocate. Met ingang van 25 september 2002 heeft eiseres zich ziek gemeld.

Op 16 december 2003 heeft de ‘Commission Technique d’Orientation et de reclassement professionel’ aan eiseres in Frankrijk de status ‘gehandicapt’ toegekend. Aan eiseres is vervolgens door de ‘Commission des droits et de l’autonomie des personnes handicapees (hierna: CDAPH)’ een uitkering toegekend; Allocation Adulte Handicapé (hierna: AAH). Deze uitkering bedraagt volgens de door eiseres overgelegde gegevens een bedrag van

€ 621,27 per maand. De AAH-uitkering van eiseres is verlengd van 1 april 2008 tot 1 april 2010.

In 2009 is eiseres naar Spanje verhuisd. Aan het eind van 2009 is eiseres naar Nederland verhuisd.

Bij brief van 1 juli 2009 heeft eiseres een uitkering op grond van de WAO bij verweerder aangevraagd.

Na een medisch onderzoek heeft verweerder eiseres bij primair besluit van 23 december 2009 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WAO.

Tegen dat besluit heeft eiseres op 19 januari 2010 bezwaar gemaakt. Eiseres heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt haar bezwaren mondeling toe te lichten op de hoorzitting van 16 maart 2010. Het verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

Bij zijn thans bestreden besluit van 4 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond verklaard. Aan genoemd besluit heeft verweerder een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 april 2010 ten grondslag gelegd.

2.2 Standpunten van partijen

Eiseres voert in beroep aan dat zij geen uitkering met terugwerkende kracht heeft aangevraagd. Zij heeft tot april 2010 een AAH van de Franse regering ontvangen. Omdat eiseres zich weer in Nederland heeft gevestigd en ingeschreven, heeft zij niet langer recht op deze uitkering. Eiseres wenst de AAH met ingang van 1 april 2010 te vervangen door een Nederlandse uitkering. Voorts stelt eiseres dat zij zich niet kan vinden in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser (hierna: Visser). Visser heeft zich pas na de hoorzitting een beeld gevormd over de problematiek van eiseres op basis van schriftelijke informatie. Eiseres meent dat de rapportage, gelet op de onzekerheid, onwetendheid en een zekere mate van onwelwillendheid, heeft geresulteerd in suggestieve conclusies. Eiseres is van opvatting dat de rapportage te mager is om tot een afwijzing te komen en dat er weinig moeite wordt gedaan om haar belangen te wegen. Verder stelt eiseres dat het haar verbaast dat er geen aandacht is besteed aan haar Franse arbeidsongeschiktheidsverleden. In Frankrijk is dat wel zorgvuldig en uitvoerig onderzocht en gedocumenteerd. Eiseres meent dat voor het vaststellen van haar rechten in Nederland, ook haar Europese arbeidsverleden in ogenschouw moet worden genomen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de bepalingen van de WAO blijkt dat slechts aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan maken, de werknemer die verzekerd is op grond van deze wet, waarbij expliciet is bepaald dat wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult niet als werknemer wordt beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is (artikel 3, eerste en tweede lid, van de WAO). Uit het onderzoek van zowel de primaire verzekerings¬arts als de bezwaarverzekeringsarts is eenduidig naar voren gekomen dat er ten aanzien van eiseres geen enkel objectief aanknopingspunt is gevonden voor haar claim op een uitkering. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben gesteld dat er onvoldoende objectieve gegevens en gronden bestaan om daaruit te concluderen dat eiseres zich op 24 juli 2000 ten onrechte arbeidsgeschikt zou hebben gemeld. Evenmin bestaan aanknopingspunten voor de vaststelling dat er na einde wachttijd meer dan 15 respectievelijk 25% arbeidsongeschiktheid zou zijn gebleven. Bovendien zijn er geen aanwijzingen gevonden dat eiseres destijds in juli 2000 de gevolgen van haar hersteldmelding niet kon overzien. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres die in het jaar 2002 in Zuid-Frankrijk optrad, plaatsvond toen zij in Frankrijk woonde én werkte, waardoor zij op dat moment niet in Nederland verzekerd was voor de sociale zekerheid. Het verzekerd zijn is gezien het risicostelsel dat Nederland heeft, een absolute voorwaarde voor eiseres om een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering te kunnen claimen/krijgen. Verweerder meent dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

2.3 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wordt er een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a, van het VWEU genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Dit recht wordt uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het VWEU is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: Verordening 1408/71) is deze verordening van toepassing op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 1408/71 is deze verordening van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: prestaties bij ziekte en moederschap (…).

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Verordening 1408/71 is deze verordening noch op de sociale en medische bijstand, noch op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, noch op de bijzondere regelingen voor personen in overheidsdienst of met hen gelijkgestelden van toepassing.

Artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1408/71 luidt:

‘2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a. is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere

Lid-Staat.’

Op 1 mei 2010 is de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna: Verordening 883/2004) in werking getreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening 883/2004 is deze verordening van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 883/2004 is deze verordening van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: prestaties bij ziekte (…).

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Verordening 883/2004 is deze verordening niet van toepassing op sociale en medische bijstand en evenmin op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan.

Middels Verordening 1408/71 en Verordening 883/2004 vindt de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels van de Lid-Staten plaats.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WAO, zoals die bepaling luidde ten tijde in geding, heeft de verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werk tijdens de werktijd is gestaakt.

2.4 Overwegingen

Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of eiseres in aanmerking had moeten worden gebracht voor een WAO-uitkering. Ten aanzien van die vraag overweegt de rechtbank het volgende.

Aan het bestreden besluit tot afwijzing van het recht op een WAO-uitkering heeft verweerder een rapportage van 13 april 2010 van bezwaarverzekeringsarts Visser ten grondslag gelegd. In deze rapportage heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat er geen betrouwbare medische gegevens zijn over de gezondheidstoestand van eiseres en haar functioneren over de periode omstreeks 2000. Voor de stelling van eiseres dat zij ernstig psychisch ziek was, ontbreekt voor deze periode een objectieve grond. Dat er van een dergelijke situatie sprake was, wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts ook minder waarschijnlijk geacht, omdat zij zich destijds niet bij haar huisarts heeft gemeld. Daarnaast was eiseres rond de periode van ontslagname en hersteldmelding in staat om te emigreren. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat eiseres in de periode aansluitend aan de emigratie medische hulp heeft gezocht. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat er geen betrouwbare objectieve argumenten zijn om aan te nemen dat eiseres zichzelf ten onrechte arbeidsgeschikt heeft gemeld en/of dat zij ook na einde wachttijd meer dan 25% arbeidsongeschikt is gebleven. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn er geen aanwijzingen dat eiseres ten gevolge van ziekte in het jaar 2000 de gevolgen van haar hersteldverklaring niet kon overzien.

De rechtbank stelt vast dat eiseres op 24 juli 2000 hersteld is gemeld en vervolgens tot en met 21 augustus 2000 gewerkt heeft, alvorens naar Frankrijk te emigreren. Voor de niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat zij rond de periode van ontslagname in 2000 psychische problemen had, is geen objectieve medische grondslag aan te wijzen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er over deze periode geen medische gegevens van eiseres voorhanden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in het licht van het rapport van bezwaarverzekeringsarts Visser onvoldoende aangetoond dat zij na haar hersteldmelding in juli 2000 arbeidsongeschikt was als gevolg van een rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken. In zoverre heeft verweerder zich dan ook onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsartsen terecht op het standpunt gesteld dat er in het onderhavige geval geen eerste ziektedag valt vast te stellen. Hieruit volgt dat eiseres niet aan de wachttijd van 52 weken, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO voldoet en reeds om die reden niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. De stelling van eiseres dat de voornoemde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts tot suggestieve conclusies heeft geleid, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd, waaruit blijkt dat verweerder haar medische toestand na haar hersteldmelding en ontslagname onderschat heeft. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat eiseres de wachttijd in het kader van de WAO niet zonder meer in Frankrijk had kunnen volbrengen, aangezien daarmee niet voldaan is aan de verzekeringsplicht, als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de WAO. In zoverre kan het beroep van eiseres dan ook niet slagen.

De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres na haar emigratie naar Frankrijk en na haar uitval een AAH toegekend heeft gekregen. De rechtbank leest de stelling van eiseres zo, dat zij van mening is dat verweerder, los van de vraag of zij in het jaar 2002 in Nederland verzekerd was, op grond van haar Europese (arbeidsongeschiktheids)verleden en Europese regelgeving (hier: Verordening 1408/71) gehouden is de AAH om te zetten in een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verweerder ziet die verplichting niet, omdat eiseres in 2002 niet in Nederland verzekerd was voor de sociale zekerheid.

De rechtbank ziet in het door eiseres gestelde aanleiding eerst te toetsen of de door eiseres ontvangen AAH wel onder de werkingssfeer van Verordening 1408/71 valt.

In Frankrijk is de uitkering voor gehandicapte volwassenen ingevoerd bij wet nr. 75-634 van 30 juni 1975 betreffende de oriëntatie van gehandicapten. De voorschriften voor de uitkering staan in titel II van boek VIII van de nieuwe Code de la sécurité sociale, de Franse wet op de sociale zekerheid. De voorwaarden voor toekenning ervan zijn neergelegd in de artikelen

L 821-1 tot en met L 821-8.

Ingevolge artikel L 821-1, eerste alinea, van deze wet heeft recht op de uitkering een ieder die de Franse nationaliteit bezit of onderdaan is van een staat waarmee een bilaterale overeenkomst is gesloten ter zake van de toekenning van uitkeringen aan gehandicapte volwassenen die op Frans grondgebied wonen, die de leeftijd voor verkrijging van het recht op de bijzondere scholingsuitkering heeft overschreden en wiens blijvende arbeidsongeschiktheid ten minste gelijk is aan een bij decreet vastgesteld percentage, indien de betrokkene geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge een regeling van sociale zekerheid, een ouderdomspensioenregeling, een bijzondere wettelijke regeling ter zake van ouderdoms- of invaliditeitspensioen of een uitkering wegens arbeidsongeval, waarvan het bedrag ten minste gelijk is aan de uitkering voor gehandicapte volwassenen (aldus ook: Hof van Justitie, 12 maart 1998 in zaak C-314/96, Djabali).

De rechtbank leidt uit vorenstaande af dat de uitkering alleen kan worden toegekend als de betrokkene geen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge een regeling van sociale zekerheid. Dit laatste is van belang voor de vraag of de AHH onder de werkingssfeer van Verordening 1408/71 en/of Verordening 883/2004 valt.

Ingevolge artikel 5 van de ten tijde van de aanvraag geldende Verordening 1408/71 vermelden de Lid-Staten de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde wettelijke uitkeringen en stelsels, de in artikel 50 bedoelde minimumuitkeringen, alsmede de in de artikelen 77 en 78 bedoelde bijslagen in verklaringen, waarvan overeenkomstig artikel 96 kennisgeving en bekendmaking plaatsvindt.

In de door Frankrijk opgestelde verklaring, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1987, p. 39, PB L 90, is onder meer opgenomen dat de Franse regering de Verordening 1408/71 uitsluitend van toepassing verklaart op het stelsel inzake de werkloosheidsverzekering. In PB L90 van 6 april 1973, p. 1 en PB C215 van 28 juli 1994 is de AAH evenmin opgenomen.

De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de aan eiseres in Frankrijk toegekende AAH niet onder de werkingssfeer van Verordening 1408/71 valt. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres reeds daarom niet van verweerder verlangen dat de AAH op grond van deze verordening wordt omgezet in een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. In zoverre heeft de verweerder de aanvraag van eiseres om een WAO-uitkering dan ook terecht afgewezen en behoeft hetgeen door verweerder omtrent de verzekeringsplicht naar voren is gebracht, geen bespreking meer. De rechtbank merkt daarbij terzijde op dat de AAH

(€ 621,27 per maand) eerder overeenkomsten vertoont met de in Nederland verstrekte bijstandsuitkering (€ 656,93 per maand op grond van artikel 21, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand). Hiervoor is echter niet verweerder, maar de gemeente waar de aanvrager zijn of haar woonplaats heeft, bevoegd.

Voorts is gesteld noch gebleken dat eiseres door gebruikmaking van haar rechten ingevolge het vrije verkeer van personen in een slechtere positie is komen te verkeren dan als zij in Nederland was gebleven.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.W. Wassink, voorzitter, mr. D.M. Schuiling en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2011.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: hvk