Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ8473

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
AWB 10-1034 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie bouwaanvraag en bouwvergunning. Verschillen in publicatie. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard in verband met termijnoverschrijding, aangezien eiser niet zo snel mogelijk nadat hij op de hoogte was van de bouwwerkzaamheden alsnog bezwaar heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 10/1034 WRO

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser] wonende te [woonplaats] eiser,

gemachtigde: mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne, verweerder,

gemachtigde: W.K. de Wind, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft op 20 oktober 2010 beroep ingesteld tegen het besluit van 8 september 2010, verzonden op 9 september 2010.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 23 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 3 maart 2011.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en procesverloop

Namens het Waterschap Noorderzijlvest (hierna: de vergunninghouder) is op 23 december 2009 een aanvraag om reguliere bouwvergunning ten behoeve van het plaatsen van een kuilplaat bij de Pieterbuurstermaar op het perceel Dijksterweg 4 en omgeving, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie F, nummer 248 te Eenrum bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft de bouwaanvraag op 7 januari 2010 gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘De Ommelander Courant’.

Bij primair besluit van 23 maart 2010 heeft verweerder aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend ten behoeve van het plaatsen van een kuilplaat bij de Pieterbuurstermaar op het perceel Dijksterweg 4 en omgeving, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie F, nummer 248 te Eenrum.

Verweerder heeft de verleende bouwvergunning op 25 maart 2010 gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘De Ommelander Courant’.

Namens eiser is bij brief van 28 juni 2010 tegen dit besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 15 juli 2010 zijn de gronden van bezwaar ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 4 augustus 2010 eiser in de gelegenheid gesteld om nader in te gaan op de reden van de vermeende termijnoverschrijding in de bezwaarfase.

Namens eiser is bij brief van 19 augustus 2010 nader gereageerd met betrekking tot de vermeende termijnoverschrijding in de bezwaarfase.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens een onverschoonbare termijnoverschrijding.

3.2 Overwegingen

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht en op juiste gronden het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het primaire besluit van 23 maart 2010 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt door toezending aan de aanvrager. Hieruit volgt dat de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift liep tot en met 4 mei 2010. Eiser heeft bezwaar gemaakt met een op 28 juni 2010 gedateerd bezwaarschrift. Gelet hierop is er sprake van een buiten de wettelijke termijn ingediend bezwaarschrift.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of op grond van artikel 6:11 van de Awb aan de termijnoverschrijding kan worden voorbijgegaan.

In dit verband betoogt eiser dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, aangezien er sprake is van een onjuiste vermelding van de locatie van het bouwwerk. Het onderhavige bouwwerk is gerealiseerd op het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie F 1274, zeer dicht naast het perceel en de woonboerderij van eiser. In de aanvraag is voor de locatie aangegeven de Oudedijksterweg 4 en omstreken en het kadastrale perceel De Marne, sectie F 235. In de bekendmaking is vervolgens aangegeven dat het gaat om de locatie/het perceel Oudedijksterweg 4 met postcode 9937 TM te Eenrum. In de visie van eiser is de aanduiding Oudedijksterweg 4 onjuist en tevens de aanduiding van het postcodegebied. Het onderhavige postcodegebied betreft juist postcode 9967 TM te Eenrum. Gelet op het vorenstaande heeft eiser eerst bij het oprichten van de muren van het bouwwerk kennis kunnen nemen van de bouwplannen en terstond op 28 juni 2010 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Vaststaat dat het primaire besluit van 23 maart 2010 conform artikel 3:41, eerste lid, van de Awb op de juiste wijze is bekendgemaakt aan de aanvrager. Er valt geen wettelijke regel aan te wijzen op grond waarvan de verplichting bestaat het besluit tot verlening van de bouwvergunning te publiceren. Het besluit is evenwel gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘De Ommelander Courant’. Hierin is onder meer vermeld dat het bouwplan ‘het plaatsen van een kuilplaat bij de Pieterbuurstermaar op het perceel Dijksterweg e.o., 9967 TE te Eenrum’ betreft.

De rechtbank stelt vast dat de publicatie van de aanvraag en de publicatie van de verleende bouwvergunning verschillen bevatten voor wat betreft de plaatsaanduiding van het op te richten bouwwerk, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting ook erkend heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht onderzocht of eiser al eerder van de verlening van de bouwvergunning op de hoogte had kunnen of behoren te zijn dan op 14 juni 2010.

Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daaraan – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat uit de overgelegde dagstaten van de aannemer blijkt dat reeds op 20 mei 2010 een aanvang is gemaakt met de grondwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van een kuilplaat. Hierbij heeft verweerder erop gewezen dat de kuilplaat op een heel korte afstand van de boerderij van eiser is gelegen en dat om die reden de grondwerkzaamheden hem niet ontgaan kunnen zijn. Voorts acht verweerder van belang dat uit de overgelegde dagstaten van de aannemer blijkt dat op 1 juni 2010 de laatste keerwanden zijn geplaatst, waarmee het bouwen van de kuilplaat was afgerond.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), onder meer kenbaar uit LJN: BK3633, dient een belanghebbende die niet door middel van kennisgeving of publicatie op de hoogte is gesteld van een op juiste wijze bekendgemaakt besluit in beginsel binnen twee weken nadat hij van het bestaan op de hoogte is geraakt daartegen op te komen. De wettelijke termijn vangt niet opnieuw aan.

De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde dagstaten van de aannemer blijkt dat op 20 mei 2010 een aanvang is gemaakt met de grondwerkzaamheden ten behoeve van het oprichten van de kuilplaat en dat op 1 juni 2010 ter afronding de laatste keerwanden met betrekking tot de kuilplaat zijn geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser, gelet op de verrichte bouwactiviteiten in de onmiddellijke nabijheid van zijn woonboerderij, in ieder geval op 1 juni 2010 op de hoogte kunnen en moeten zijn van de verleende bouwvergunning. Uit het feit dat uit de overgelegde dagstaten van de aannemer blijkt dat op 14 juni 2010 voor het laatst het begrip kuilplaat voorkomt, kan niet worden geconcludeerd dat eiser niet al op 1 juni 2010 op de hoogte had kunnen zijn van de verleende bouwvergunning. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij op 1 juni 2010 op de hoogte was van de bouwactiviteiten voor wat betreft de kuilplaat, maar niet zeker wist of het niet een tijdelijke locatie van de kuilplaat betrof. Onder die omstandigheden had het naar het oordeel van de rechtbank in de rede gelegen dat eiser bij de gemeente het dossier met betrekking tot de verleende bouwvergunning had ingezien. Uit het vorenstaande volgt dat eiser niet binnen uiterlijk twee weken nadat hij redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de verleende bouwvergunning een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de termijnoverschrijding van eiser in de bezwaarfase dan ook terecht onverschoonbaar geacht.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiser ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 10 maart 2011 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag

Afschrift verzonden op:

typ: hvk