Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ5310

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
393432 - CV EXPL 09-1006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde geslaagd in tegenbewijs: geen arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 393432 \ CV EXPL 09-1006

Vonnis d.d. 28 april 2011

inzake

Q., wonende te [plaatsnaam],

eiser in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie,

hierna Q. te noemen, gemachtigde mr. L.A.A.Ongenae, advocaat te Eelde,

tegen

1. de besloten vennootschap Aannemingsbedrijf Schipper & Meijerink Groningen B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 9716 JS Groningen, Smirnoffstraat 14,

2. de besloten vennootschap Schipper & Meijerink Van Vloer tot Dak B.V., gevestigd en kantoorhoudende te 9723 HL, Koldingweg 21, Groningen,

gedaagden in conventie, eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen Schipper&Meijerink, gemachtigde mr. G.M. Tiddens, advocaat te Groningen.

DE VERDERE PROCESGANG

In het vonnis van 29 april 2010 is Schipper&Meijerink toegelaten tot tegenbewijs van de aanname dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Schipper&Meijerink heeft voor het te leveren tegenbewijs als getuigen doen horen Q., en de heren [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Q. heeft als getuige doen horen de heer [getuige 4].

Partijen hebben vervolgens geconcludeerd na enquête waarna vonnis nader bepaald is op heden.

OVERWEGINGEN

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenvonnissen van 17 december 2009 en 29 april 2010 waarvan de inhoud als zijnde herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

2.2 In het vonnis van 29 april 2010 is onder meer in rechtsoverweging 2.12 geoordeeld dat op grond van de in die rechtsoverweging vermelde uitgangspunten, er voorshands van dient te worden uitgegaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.

In dat vonnis is tevens overwogen dat indien mocht blijken dat een afspraak als door Schipper&Meijerink is gesteld met Q. is gemaakt, dat zich niet meer zou laten rijmen met een arbeidsovereenkomst.

2.3 Die gestelde afspraak is weergegeven in een verslag van 10 juni 2005 waarin onder meer is vermeld: "Er is overeengekomen om de overname van Schipper &Meijerink Groningen BV, Pand Renovatie Exploitatie Mij BV, huidige schuld aan Q. Beheer BV en kosten advies/werkzaamheden van de heer Q. te verwerken in de koopsom.

De koopsom zal worden aangepast en maximaal € 100.000,00 bedragen en in 10 jaarlijkse termijnen worden voldaan.

Nu diverse kosten in de koopsom worden opgenomen, zal de heer [getuige 1] voor een goede omschrijving zorg dragen nu deze niet meer overeenkomt met de balans van 30 april 2005."

2.4 De inhoud van de getuigenverklaringen als opgenomen in het proces-verbaal dient als zijnde herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.5 Q. betwist dat hij met Schipper&Meijerink een gesprek heeft gehad waarin een aanpassing van de verkoopprijs is overeengekomen waarbij op voorhand door hem te verrichten werkzaamheden in de verkoopprijs zijn verdisconteerd. Hij kan niet aangeven waarom in artikel 5 van de voorlopige koopovereenkomst een koopprijs is vermeld van ongeveer € 18.000 terwijl die koopsom later is vastgesteld op € 100.000. Hij geeft aan dat niet besproken is dat in die koopsom een vergoeding zat voor zijn werkzaamheden.

2.5 [getuige 1], destijds adviseur van Q., verklaart dat in de koopprijs wel is meegenomen dat Q., deskundige op het gebied van zwambestrijding, als adviseur taken zou blijven verrichten ten behoeve van Schipper&Meijerink. In de koopsom is, aldus de getuige, daarvoor ook een vergoeding verwerkt. In het gesprek op 17 juni 2005 is ook de uitkeringssituatie van Q. aan de orde gekomen. Hij verklaart voorts: " Het is echter nooit de bedoeling geweest dat in de koopprijs ook begrepen was dat hij zelfs volledig voor 40 uur per week zou gaan werken. Er zat wel een vergoeding bij voor de kennis en de know how van Q."

Er is volgens de getuige niet besproken dat Q. als inspecteur zou gaan werken noch in welke omvang hij op de loonlijst zou komen. Hij had de indruk dat zij met een naïeve koper te doen hadden hetgeen hij afleidt uit de koopsom die Schipper&Meijerink als koper wilde betalen.

2.6 [getuige 2] verklaart als getuige dat het verslag van de bijeenkomst van 9 juni 2005 een juiste weergave is van het gesprek, zij het dat de dames X. en [getuige 3] daarbij niet aanwezig zijn geweest. Het verslag is destijds opgesteld door mr. Z.

In de voorlopige koopovereenkomst is aanvankelijk voor de aandelen een bedrag van € 18.000 vastgesteld. Er zou nader worden gesproken over een vergoeding voor door Q. in de toekomst te verrichten werkzaamheden voor Schipper&Meijerink. Hij verklaart dat in de koopsom voor de aandelen een bedrag is opgenomen voor het werk dat Q. wilde blijven doen. Volgens de getuige had dat te maken met de gezondheidstoestand van Q., hij ontving een uitkering. "Door het in de koopsom op te nemen zou hij dan over 10 jaar gespreid een bedrag ontvangen voor door hem te verrichten werkzaamheden. Er zou nog nader worden gesproken over de invulling van de werkzaamheden, maar ik heb niet begrepen dat de vergoeding daarvoor zou worden bijgesteld."

Voor de aanpassing van de koopsom voor de aandelen is geen andere reden genoemd dan dat dit de vergoeding was voor de door Q. te verrichten werkzaamheden. Verder geeft de getuige aan dat in de huurprijs voor het pand aan de Smirnoffstraat tevens een verkapte vergoeding voor door Q. te verrichten arbeid was begrepen. Hij verklaart dat dit ook in de bespreking van 17 juni 2005 als zodanig aan de orde is gekomen.

2.7 [getuige 3], statutair directeur, bevestigt dat het verslag van 10 juni 2005 is opgesteld door mr. Z.. In het verslag is ten onrechte vermeld dat de dames X. en [getuige 3] aanwezig waren. Hij geeft aan dat in het voorlopig koopcontract een verkoopprijs van € 18.000 is opgenomen voor de aandelen en dat verder is vermeld dat nadere afspraken moesten worden gemaakt voor een vergoeding voor door Q. te verrichten werkzaamheden. Dat is in het vervolggesprek aan de orde gekomen waarbij is aangegeven dat Q. een uitkering had. Om die reden is afgesproken dat de koopsom voor de aandelen zou worden aangepast, van € 18.000 naar € 100.000, en dat verder een deel van het loon in de huurprijs zou worden verwerkt. Voor de aanpassing van de prijs van de aandelen was geen andere reden dan ter vergoeding van door Q. te verrichten werkzaamheden. Die aanpassing was niet ingegeven door de waarde van de aandelen.

De werkzaamheden van Q. zouden naar inschatting 1 á 2 dagen per week beslaan. Zij wilden het in één keer afdoen waarmee, aldus de getuige, bedoeld werd dat of Q. in de praktijk nu minder of meer zou kunnen werken, de financiële afspraken niet meer zouden worden bijgesteld.

2.8 [getuige 4] verklaart als getuige dat hij niet meer weet op wiens initiatief deze koopprijs in het gesprek op 17 juni 2005 werd genoemd. Hem staat bij dat de kopers op enig moment hebben aangegeven dat zij het op die prijs wilden afmaken. In de koopprijs zat begrepen de expertise van Q., maar ook het beschikbaar blijven voor hand- en spandiensten. Hij zou nooit hebben geadviseerd dat voor arbeid, volledig dan wel voor de helft, een vergoeding in de vorm van een verhoging van de waarde van de aandelen werd gegeven. In het stappenplan heeft hij ook aangegeven dat partijen nadere afspraken moesten maken over de vergoeding van de door Q. na de overdracht van de aandelen, te verrichten werkzaamheden. Hij heeft dat op 20 juni aan de heer [getuige 1] gemeld maar heeft dat niet aan de andere deelnemers van het gesprek gezonden. In het gesprek van 17 juni is ook over de WAO-situatie van Q. gesproken in relatie tot inkomsten uit arbeid. Tevens is in dat gesprek, zoals al in zijn brief van 15 juni aan de orde is gesteld, gesproken over een hogere huur dan marktconform is. Die hogere huur was, aldus de getuige, bedoeld voor werkzaamheden die Q. zou verrichten. Hij kan niet meer aangeven over welke huurbedragen is gesproken maar weet wel dat er een hogere huur is uitgekomen als vergoeding voor werkzaamheden door Q.

2.9 Overwogen wordt als volgt. De kantonrechter stelt voorop dat Schipper&Meijerink is toegelaten tot tegenbewijs hetgeen betekent dat de bewijslast en het bewijsrisico bij Q. is blijven liggen. Dit betekent tevens dat de verklaring van Q. als zijnde partijgetuige, slechts een beperkte betekenis heeft en slechts kan strekken ter aanvulling op ander, onvolledig bewijs. Die beperking geldt niet voor de verklaring van de heer [getuige 3], statutair directeur.

2.10 De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de getuigenverklaringen, met uitzondering van die van Q. zelf, niet anders kan worden afgeleid dan dat met de verhoging van de koopprijs voor de aandelen door partijen tevens beoogd is een vergoeding te bieden voor door Q. in de toekomst voor Schipper&Meijerink te verrichten werkzaamheden. Uit de verklaringen van de getuigen valt ook geen andere aannemelijke verklaring op te maken waarom de koopprijs van de aandelen in deze mate zou zijn verhoogd.

2.11 Schipper&Meijerink is toegelaten tot levering van tegenbewijs tegen de aanname dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Uit de verklaringen van een aantal van de getuigen, te weten [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], is tevens op te maken dat ook de te betalen huurprijs is verhoogd in verband met de door Q. te verrichten werkzaamheden. De mogelijkheid om de huur van de onroerende zaak wat hoger vast te stellen als compensatie voor eventueel te leveren arbeid, is ook in de brief van 15 juni 2005 van de heer [getuige 4] aan de heer [getuige 1] vermeld.

Met de getuigenverklaringen is tevens aannemelijk gemaakt dat bij het maken van de afspraken omtrent de wijze van betaling van een vergoeding, tevens de WAO-uitkering van Q. een rol heeft gespeeld.

2.12 De kantonrechter is op grond van de getuigenverklaringen van oordeel dat Schipper&Meijerink is geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen tegenbewijs. Bewezen is dat partijen voor de door Q. te verrichten werkzaamheden een hogere prijs voor de aandelen en een hogere huurprijs voor de onroerende zaak zijn overeengekomen.

Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 4] zou opgemaakt kunnen worden dat zij van mening zijn dat onder die afspraken niet valt de situatie waarin Q. substantieel meer zou gaan werken. Dat echter een voorbehoud in die zin is gemaakt, is gesteld noch gebleken.

2.13 Nu Schipper&Meijerink is geslaagd in het haar opgedragen tegenbewijs worden de vorderingen van Q. op de primaire grondslag afgewezen.

2.14 Daarmee is tevens de beoordeling van de vorderingen van Q. op de subsidiaire en uiterst subsidiaire grondslag aan de orde.

In het vonnis van 17 december 2009 is in rechtsoverweging 2.5 daarover overwogen dat vooralsnog niet duidelijk is dat de kantonrechter ook bevoegd is te oordelen op basis van die grondslagen.

De kantonrechter overweegt ter zake van die bevoegdheid thans als volgt.

In artikel 94 Rv. is geen voorziening getroffen ter zake van de bevoegdheid indien een vordering, zoals in dit geval, is ingesteld op een primaire grondslag en (meer) subsidiaire grondslagen. In de editie Tekst en Commentaar is daarover onder meer aangegeven dat ook dan zou moeten gelden dat samenhangende vorderingen zoveel mogelijk door één en dezelfde rechter worden behandeld en beslist. Dit uitgangspunt is ook gehanteerd in het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juni 2006 (04/23, rechtspraak.nl). Het hof overweegt in rechtsoverweging 5 met verwijzing naar de regeling in artikel 94 lid 2 Rv. dat moet worden aangenomen dat het uitgangspunt van voormeld artikel ook geldt in de situatie dat een vordering van verschillende rangen, primaire en (meer) subsidiaire grondslagen, wordt ingesteld.

De kantonrechter acht zich op basis van die uitgangspunten, die hij onderschrijft, dan ook bevoegd om de vorderingen op basis van de gestelde subsidiaire en uiterst subsidiaire grondslag te beoordelen. Partijen hebben eerder de gelegenheid gehad en genomen om hun standpunten in de conclusiewisseling ter zake volledig uiteen te zetten.

-overeenkomst van opdracht

2.15 Tussen partijen is in confesso dat Q. voor Schipper&Meijerink werkzaamheden heeft verricht. Onder verwijzing naar de getuigenverklaringen is de kantonrechter van oordeel dat, voor zover er sprake zou zijn van het verrichten van werkzaamheden krachtens opdracht, partijen met de hogere prijs voor de aandelen en de hogere huurprijs reeds een voorziening hebben getroffen voor het loon in de zin van artikel 7:405 BW. De vordering op basis van die grondslag komt derhalve evenmin voor toewijzing in aanmerking.

-ongerechtvaardigde verrijking

2.16 Van ongerechtvaardigde verrijking is op grond van vorenstaande overwegingen evenmin sprake nu tegenover die werkzaamheden immers voormelde verhogingen stonden. Q. heeft bij die uiterst subsidiaire grondslag voorts nog gesteld dat er sprake zou zijn van schade omdat Schipper&Meijerink niet zou hebben gehandeld als goed werkgever. Die conclusie kan, wederom onder verwijzing naar de getuigenverklaringen en vorenstaande overwegingen, evenmin worden onderschreven.

2.17 De vorderingen van Q. op de subsidiaire en uiterst subsidiaire grondslagen worden dan ook afgewezen.

-de voorwaardelijke reconventie

2.18 De voorwaardelijke reconventie is ingesteld voor het geval in conventie mocht worden geoordeeld dat Schipper&Meijerink jegens Q. een verplichting heeft om nog een beloning aan Q. te betalen.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist wordt aan de reconventie niet toegekomen omdat niet aan die voorwaarde is voldaan.

3 Proceskosten

Q. wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

-wijst de vorderingen van Q. af;

-veroordeelt Q. in de kosten van het geding, aan de zijde van Schipper&Meijerink tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 3.000,00 voor salaris van de gemachtigde en € 520,00 voor taxe getuigen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 28 april 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: BvdB

coll: