Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ5250

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
496782 EJ VERZ 11-231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkapt hoger beroep UWV beslissing? Afspiegelingsbeginsel, onmisbaarheid, uitwisselbaarheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Ontslagbesluit
Ontslagbesluit 4:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2011/118
JIN 2011/465
AR-Updates.nl 2011-0427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 496782 EJ VERZ 11-231

Beschikking van 19 april 2011

inzake

de besloten vennootschap Köbo Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,

verzoekster,

gemachtigde: mevrouw mr. G.A. Versteegh, advocaat te Zutphen (Postbus 4150, 7200 BD),

tegen

Q.,

wonende te [adres],

verweerder,

gemachtigde: mr. G.W. Brouwer, advocaat te Groningen (Postbus 7015, 9701 JA).

PROCESGANG

1. Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 11 maart 2011, heeft verzoekster, hierna Köbo te noemen de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met verweerder, hierna Q. te noemen, te ontbinden wegens gewichtige redenen bestaande uit een zodanige verandering van de omstandigheden dat beëindiging van het dienstverband op korte termijn noodzakelijk moet worden geacht.

Q. heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend ter griffie op 4 april 2011. Daarna heeft Köbo nog producties in het geding gebracht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2011 te Groningen. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht bij monde van hun gemachtigden. De gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van het verder verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt die bij de processtukken zijn gevoegd.

De beschikking is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. Q. is bij (de rechtsvoorganger van) Köbo in dienst getreden op

5 maart 1985 als magazijnmedewerker. Q. heeft nu een bruto maandsalaris van € 2.021,60 exclusief 8% vakantietoeslag. Q. is geboren op 7 juli 1953.

2.2. Op 2 januari 1990 is bij Köbo in dienst getreden als magazijnmedewerker R. R. is geboren op 13 december 1965.

2.3. Nadat hij te horen kreeg dat voor hem een ontslagvergunning zou worden aangevraagd, heeft Q. zich op 4 januari 2011 ziek gemeld. Op 20 januari 2011 is een probleemanalyse, advies en plan van aanpak opgemaakt. Daarin staat onder meer:

“Beperkingen en mogelijkheden

Betrokkene heeft zich ziek gemeld nadat zijn ontslag was aangezegd, aangevraagd. Hij is er behoorlijk van van slag en heeft moeite zich te concentreren en hij slaapt slecht.

Geschiktheid voor eigen of passend werk

Werken lukt nu niet.

Prognose

Afhankelijk van hoe het verder loopt.

Advies

Afwachten van de uitkomst van de ontslagaanvraag. Dan kijken hoe verder.”

2.4. UWV Werkbedrijf heeft op 28 februari 2011 een ontslagvergunning voor Q. aan Köbo geweigerd. UWV Werkbedrijf heeft onder meer overwogen:

“Werknemer en zijn collega (Q. en R. - ktr) hebben twee elkaar overlappende functies. Ten behoeve van het magazijnwerk zijn de functies identiek. De functies verschillen voor het kapwerk en de spoed-/calamiteitendienst. Ik acht de overlap dermate dat het redelijk is beide werknemers af te spiegelen in de functie magazijnmedewerker.”

2.5. Naast het magazijnwerk doet R. het zware kap- en klinkwerk, heeft hij de spoed- en calamiteitendienst (24-uursdienst) en verzorgt hij de standbouw op beurzen, ongeveer drie keer per jaar.

2.6. Op 28 januari 2008 zijn er beoordelingsgesprekken gevoerd met Q. en R. Daarvan zijn verslagen gemaakt.

2.7. UWV Werkbedrijf heeft in de beslissing van 28 februari 2011 over de financiële situatie van Köbo overwogen:

“Werkgevers omzet is over 2010 onder het niveau van 2008 gedaald. Werkgever is toenemend verliesgevend geworden. Het kostentotaal ligt boven het brutobedrijfsresultaat, zodat ook het bedrijfsresultaat negatief is.”

2.8 Bij Köbo werken nu negen personen, inclusief de directeur.

Het standpunt van Köbo

3. Op bedrijfseconomische gronden moet Köbo bezuinigen en twee werknemers ontslaan. Van één werknemer van die twee is de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 maart 2011. UWV Werkbedrijf heeft de bedrijfseconomische reden aanvaard, maar de functies van Q. en R. uitwisselbaar geacht. Köbo wil, anders dan volgens het afspiegelingsbeginsel, Q. ontslaan in plaats van R. R. verricht taken die Q. niet verrichtte. R. is beter dan Q. in staat het magazijn met die extra taken te runnen. Hij heeft dat de afgelopen maanden bewezen.

Het standpunt van Q.

4. UWV Werkbedrijf heeft beslist dat R. niet onmisbaar is voor Köbo. Köbo gaat "in hoger beroep" van de beslissing van UWV Werkbedrijf, met welke beslissing Köbo het niet eens is. Dat is niet de bedoeling van de procedure bij de kantonrechter. Er is geen reden af te wijken van het afspiegelingsbeginsel. Daarom moet Q. in dienst blijven. Q. kan in geval van een spoedgeval vanuit [plaatsnaam] met 20 minuten in Groningen zijn. Ook is Q. in staat zwaarder kap- en klinkwerk te verrichten. Daarvoor is tilmateriaal beschikbaar. Ten slotte zal de bouw van een beursstand niet zo ingewikkeld zijn, dat Q. dat ook niet zou kunnen.

De beoordeling

5. De kantonrechter heeft zich er van vergewist dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod. Q. heeft zich weliswaar ziek gemeld, maar uit niets blijkt dat dat een reden is geweest voor het ontbindingsverzoek van Köbo.

6. Aanvankelijk heeft Köbo UWV Werkbedrijf gevraagd de ontslagvergunning te verstrekken (onder meer) omdat R. onmisbaar zou zijn voor Köbo. Daarna heeft Köbo de grondslag gewijzigd door te beweren dat de functies van Q. en R. niet uitwisselbaar zijn. De kantonrechter is van oordeel dat UWV Werkbedrijf een beslissing heeft genomen over de uitwisselbaarheid van de functies en niet over de door Köbo bepleite onmisbaarheid van R. In dit ontbindingsverzoek wil Köbo wel een beslissing over de onmisbaarheid van R. Anders dan Q. heeft aangevoerd wordt dan ook niet op identieke gronden een ontbindingsverzoek gedaan. Een verkapt appel en misbruik van procesrecht door Köbo, om die reden, zijn dus niet aan de orde.

7. De kantonrechter is van oordeel dat uitgangspunt behoort te zijn dat hij de beslissing van UWV Werkbedrijf respecteert. Dat kan anders zijn wanneer er nieuwe feiten aan het licht komen na die beslissing of wanneer om die of andere reden evident is dat de beslissing niet in stand kan blijven, bijvoorbeeld vanwege een ernstige misslag in de beoordeling door UWV Werkbedrijf. In deze zaak is niet gesteld dat daarvan sprake is. De kantonrechter gaat daarom uit van de bedrijfseconomische noodzaak en de slechte liquiditeitspositie. Ook gaat de kantonrechter uit van de door UWV Werkbedrijf geconstateerde verschillen in de functies van Q. en R. Ten slotte respecteert de kantonrechter de beslissing dat de overlap zo groot is dat de functies uitwisselbaar zijn.

8. De kantonrechter moet een beslissing nemen over de door Köbo gestelde onmisbaarheid van R. voor het bedrijf. Behalve kennis en vaardigheden zijn daarbij ook houding en persoonlijkheid van de werknemers waar het om gaat van belang. De kantonrechter stelt vast dat R. meer waarde heeft voor Köbo dan Q. R. heeft meer taken op zich genomen door de jaren heen. Hij steekt ook wat betreft zijn houding binnen het bedrijf en zijn sociale vaardigheden, uit boven Q. De niet weersproken inhoud van de beoordelingsgesprekken van 28 januari 2008 geven dat ook aan. Die meerwaarde is te meer belangrijk voor Köbo omdat - uit noodzaak - het personeelsbestand naar acht gaat, waarvan één (1) magazijnmedewerker in plaats van voorheen twee.

9. In deze kwestie is de vraag of de vastgestelde meerwaarde van R. moet leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Q., wat in strijd zou zijn met het resultaat volgens de afspiegeling. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend door behalve op de meerwaarde te wijzen, het resultaat van het afspiegelen te relativeren. Immers zijn zowel Q. als R. al geruime tijd in dienst, respectievelijk 26 en 21 jaren. Hoewel Q. 12 jaren ouder is dan R., hebben beiden een leeftijd die een niet rooskleurig arbeidsmarktperspectief biedt. Daardoor wordt naar het oordeel van de kantonrechter de conclusie dat de laatste er het eerst uit gaat, minder dwingend.

10. De kantonrechter doet recht aan de bedoeling van de wetgever om ingaande 1 augustus 2009 de mogelijkheid om met succes een beroep te doen op de onmisbaarheid, te verruimen.

Die bedoeling volgt uit de tekst van artikel 4:2 lid 4 aanhef Ontslagbesluit. Vergeleken met het oude lid 4 zijn weggevallen het woord "bijzondere" voor "kennis of bekwaamheden" en het woord "te" voor "bezwaarlijk". Onbegrijpelijk zou zijn wanneer door de eis van een "duidelijk en bestendig beleid" van de werkgever voor wat betreft de kennis en vaardigheden voor de functie (artikel 4:2 lid 4 sub a Ontslagbesluit) die verruiming teniet zou doen. Die eis neergelegd in bedoeld artikel, behoeft uitleg. De kantonrechter is van oordeel dat bij een kleine ondernemer als Köbo, zeker bij de op zich eenvoudige functie van magazijnmedewerker, niet verwacht kan worden dat daarvoor allerlei "bewijsmateriaal" voorhanden is. Uit de verslagen van de beoordelingsgesprekken blijkt overigens dat Köbo waarde hecht aan houding en sociale vaardigheden.

11. De beslissing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Q. brengt die, wat de oorzaak betreft, allerminst buiten de risicosfeer van Köbo. Er zal een vergoeding ten gunste van Q. moeten komen. Deze moet recht doen aan zijn moeilijke positie op de arbeidsmarkt en aan zijn gemis aan inkomen. De kantonrechter zal verder rekening houden met de slechte financiële situatie van Köbo. De WW-uitkering van Q. moet worden aangevuld tot 100% van wat hij nu verdient. Ook moet Köbo scholing en/of herintreden voor Q., bijvoorbeeld als electricien, bekostigen tot maximaal € 10.000,00. Köbo krijgt de gelegenheid het verzoek in te trekken omdat deze vergoeding wordt toegekend terwijl die niet is aangeboden door Köbo. Van de proceskosten dragen partijen de aan eigen zijde gevallen kosten, zowel wanneer de ontbinding een feit wordt als wanneer het verzoek wordt ingetrokken.

BESLISSING

De kantonrechter:

stelt Köbo in de gelegenheid haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken uiterlijk op dinsdag 26 april 2011 voor 17.00 uur;

en indien het verzoek wordt gehandhaafd:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 26 april 2011 onder toekenning van een vergoeding aan Q. ten laste van Köbo als bedoeld in rechtsoverweging 11;

bepaalt dat, zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek, partijen de aan eigen zijde gevallen kosten van deze procedure dragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 19 april 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: RTjT