Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ2273

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
462624 - CV EXPL 10-12054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Getuigenbewijs; patstelling; (geen) partijgetuigen (het tussenvonnis is gepubliceerd onder LJN: BQ2271)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 462624 \ CV EXPL 10-12054

Vonnis van 17 februari 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autoservice [naam] B.V.,

gevestigd te Groningen,

eiseres, hierna A te noemen,

gemachtigde LAVG,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tandartspraktijk [naam] B.V.,

wonende te [adres],

gedaagde, hierna B te noemen,

procederend in persoon door [directeur], haar directeur.

PROCESGANG

1. Na het tussenvonnis in deze zaak van 28 oktober 2010 zijn op 18 januari 2011 twee getuigen gehoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is opnieuw vonnis gevraagd op grond van de processtukken.

OVERWEGINGEN

2. De kantonrechter blijft bij wat hij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis.

3. In het tussenvonnis heeft A een bewijsopdracht gekregen. A heeft opgedragen gekregen te bewijzen dat haar door C het originele rijbewijs van [directeur] is verstrekt en dat B telefonisch opdracht heeft gegeven voor de reparatie van de Audi aan D van A.

4. Getuige D, in dienst van A, heeft verklaard dat C bij het brengen van de Audi en het halen van de huurauto, het originele rijbewijs van [directeur] toonde. Dit originele rijbewijs heeft D vervolgens gekopieerd. D heeft niet naar het eigen rijbewijs van C gevraagd.

Als tegengetuige heeft [directeur], directeur van B, verklaard dat hij zijn rijbewijs niet aan C heeft gegeven en het altijd bij zich draagt in zijn portefeuille.

De kantonrechter is van oordeel dat door deze tegenstrijdige verklaringen niet vast kan komen te staan dat C het originele rijbewijs van [directeur van B] heeft getoond. Dat het toch een kopie geweest kan zijn - wat de kantonrechter ook niet vast kan stellen - kan volgen uit de in de dagvaarding opgevoerde, door A inmiddels verlaten, primaire grondslag. Volgens die lezing van A heeft [directeur van B] zelf de Audi gebracht. Volgens die lezing zou er inderdaad geen reden zijn een rijbewijs van (een niet aanwezige) C te vragen voor de huurauto.

5. Met haar akte van 25 november 2010 heeft A overgelegd een van de provider Tele2 afkomstige lijst betreffende telefoongesprekken. Uit deze lijst volgt dat met het telefoonnummer van A een (1) keer contact is opgenomen met [telefoonnummer], het mobiele nummer van C. Dit is gebeurd op 29 juli 2009 om 13:40 uur. Getuige D heeft verklaard dat zijn telefonische contacten betreffende de Audi alle via het mobiele nummer van C zijn gegaan. Volgens de door B overgelegde e-mailcorrespondentie met de provider GNtel is het vaste nummer van haar praktijk op 28, 29 of 30 juli 2009 niet gebeld door A.

Getuige D heeft verklaard dat tijdens een telefonisch contact met C deze zijn mobiele telefoon heeft gegeven aan een persoon die op de vraag van D verklaarde [directeur van B] te zijn. Deze persoon - aldus D - zou vervolgens ingestemd hebben met de reparatie aan de Audi.

Als tegengetuige heeft [directeur van B] verklaard dat hij de telefoon aangereikt heeft gekregen van zijn secretaresse. Toen heeft hij tegen D gezegd verbaasd te zijn dat de Audi bij A stond en geen reparatie te willen. Na uitleg van D heeft [directeur van B] gezegd te willen nadenken en hem terug te zullen bellen.

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de ook op dit punt afwijkende getuigenverklaringen niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden. Hieraan doet niet af dat het vreemd is dat B (schriftelijk) tracht aan te tonen dat door A niet op de praktijktelefoon van B is gebeld, maar in de getuigenverklaring van [directeur van B] suggereert dat dat wel is gebeurd. De kantonrechter hecht meer waarde aan de verklaring van B geen opdracht te hebben gegeven, met de constatering dat D geen wetenschap heeft of de mobiele telefoon van C daadwerkelijk is afgegeven aan [directeur van B].

6. De kantonrechter benadrukt dat in deze zaak [directeur van B] geen partijgetuige is en dat tegenbewijs niet hoeft te bestaan uit bewijs van het tegendeel.

7. De vordering zal worden afgewezen. Omdat A de procedure verliest moet zij de proceskosten van B betalen. Deze worden begroot op nihil voor salaris omdat B in persoon heeft geprocedeerd en geen gemachtigde hoeft te betalen.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt A in de kosten van de procedure aan de kant van B en begroot deze op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 17 februari 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: RTjT

coll: wj