Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ2035

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
18/670471-10 en 18/650679-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling levensgezel, bedreiging en poging overtreding tijdelijk huisverbod. Vrijspraak van verkrachting en de subsidiair tenlastegelegde aanranding (technisch). Rechtbank legt op 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummers: 18/670471-10 en 18/650679-10 (promis)

datum uitspraak: 24 maart 2011

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. A.M. Crouwel

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in PPC Zwolle, Huub van Doornestraat 15.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 maart 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

(parketnummer 18/670471-10)

1.

hij, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [aangeefster], in haar gezicht heeft geslagen en/of tegen haar hoofd heeft gestompt en/of in haar gezicht heeft geknepen, althans haar gezicht (met kracht) heeft vastgepakt en/of bij de keel heeft (vast)gepakt en/of (vervolgens) dichtgeknepen (gehouden), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, [aangeefster] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met verkrachting, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend een (samoerai)zwaard

en/of een knuppel en/of een mes en/of een kapotte fles, althans een hard en/of scherp en/of puntig voorwerp aan die [aangeefster] getoond en/of een fles kapot geslagen en/of (vervolgens) (een gedeelte van) die kapotte fles, althans een scherp en/of puntig voorwerp, bij/voor (de hals van) die [aangeefster] gehouden, althans aan die [aangeefster] getoond en/of (daarbij) deze [aangeefster] dreigend toegevoegd dat hij haar uit het raam zou gooien en/of dat hij haar botten zou breken en/of dat hij haar tanden achter in haar strot zou slaan en/of dat hij haar kop er af zou hakken en/of dat hij een fles bij haar naar binnen zou drukken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, (telkens) opzettelijk [aangeefster] (in een woning gelegen aan de [straatnaam]) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet (telkens) de deuren van die woning heeft afgesloten en/of de sleutel(s) van die [aangeefster] afgepakt/meegenomen.

4.

hij, op of omstreeks 10 november 2010, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte een of meer vingers en/of een duim tussen de schaamlippen van die [aangeefster] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- een fles heeft kapot geslagen en/of (vervolgens) (een gedeelte van) die kapotte fles, althans een scherp en/of puntig voorwerp, bij/voor (de hals van) die [aangeefster] gehouden, althans aan die [aangeefster] getoond en/of (daarbij) dreigend heeft gezeg: “Ik sla je met die fles op je kop” en/of

- die [aangeefster] heeft meegenomen naar de slaapkamer en/of (aldaar) tegen haar gezegd: “trek je kleren uit”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) een of meer kledingstukken van haar heeft (af)getrokken en/of

- (aldus) een voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij, op of omstreeks 10 november 2010, in elk geval in of omstreeks de periode van

1 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten/bevoelen van/aan de vagina van die [aangeefster] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit dat verdachte

- een fles heeft kapot geslagen en/of (vervolgens) (een gedeelte van) die

kapotte fles, althans een scherp en/of puntig voorwerp, bij/voor (de hals

van) die [aangeefster] gehouden, althans aan die [aangeefster] getoond en/of

(daarbij) dreigend heeft gezeg: "Ik sla je met die fles op je kop" en/of

- die [aangeefster] heeft meegenomen naar de slaapkamer en/of (aldaar) tegen

haar gezegd: "trek je kleren uit", althans woorden van gelijke aard of

strekking en/of (vervolgens) een of meer kledingstukken van haar heeft

(af)getrokken en/of (daarbij) dreigend tegen die [aangeefster] heeft gezegd: "als je (daar) nat bent heb je een probleem", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking en/of

- (vervolgens) de benen van die [aangeefster] uitelkaar heeft geduwd/getrokken en/of

- (aldus) een voor die [aangeefster] bedreigende situatie heeft geschapen.

5.

hij, op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 25 tot en met 26 november 2010, in de gemeente Groningen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk in strijd met een door of namens de burgemeester (van de gemeente Groningen) op 24 november 2010 opgelegd huisverbod, voor de periode van 24 november 2010 te 22:00 uur tot 4 december 2010 te 22:00 uur, betreffende de woning gelegen aan [adres] te Groningen en/of een contactverbod

met [aangeefster] contact op te nemen met die [aangeefster], (middels telefoon en/of SMS) heeft getracht contact op te nemen met die [aangeefster], terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(parketnummer 18/650679-10)

hij op of omstreeks 18 juni 2010, in de gemeente Groningen, opzettelijk

beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten de hoofdagent van Regiopolitie

Groningen, [verbalisant], en/of de aspirant van Regiopolitie Groningen, [verbalisant] gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn

bediening, in het openbaar mondeling en/of in diens/dier tegenwoordigheid

mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Flikker toch op cono, ga me niet

lastig vallen" en/of "cono" en/of "padvinder, je bent een clown", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vrijspraak

Bewijsvraag ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/670471-10

Standpunt van de officier van justitie

De officier heeft gevorderd dat verdachte van het onder 3 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, aangezien er naast de aangifte geen steunbewijs kan worden gevonden in de andere bewijsmiddelen.

De officier van justitie is van mening dat het onder 4 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte, de verklaring van verdachte, de brief d.d. 8 september 2010 van verdachte aan aangeefster, de verklaring van getuige [getuige 1], een schriftelijk bescheid van het Steunpunt huiselijk geweld, de strafrechtelijke documentatie van verdachte en het betreffende verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. De officier van justitie verwijst in dit kader tevens naar relevante jurisprudentie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte van het onder 3 en 4 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, aangezien het in het dossier aanwezige steunbewijs, bestaande uit de verklaringen van de dochter van [aangeefster], genaamd [getuige 2], de verklaring van

[getuige 1] en de brief d.d. 8 september 2010 van verdachte, niet voldoende zelfstandig redengevend is om tot bewijs te kunnen dienen. Dit steunbewijs kan in ieder geval niet tot de overtuiging leiden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarnaast ontbrak het opzet bij verdachte.

Beoordeling

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Aangeefster heeft verklaard dat zij een aantal malen, te weten drie keer, alleen is weg geweest in de tenlastegelegde periode. Ze is een keer alleen naar buiten geweest, een keer naar haar dochter geweest en een keer naar een vriendin geweest. De dochter van aangeefster, genaamd [getuige 2], en de vriendin van aangeefster, genaamd [getuige 1], bevestigen dat aangeefster bij hen op bezoek is geweest. Op die momenten werd aangeefster in ieder geval niet wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte regelmatig beschikte over een sleutel van de woning. Nu de verklaring van verdachte onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen kan onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden verklaard dat verdachte in de tenlastegelegde periode aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd of beroofd heeft gehouden. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt.

In de tenlastelegging is opgenomen dat verdachte een fles kapot heeft geslagen en aangeefster met die kapot geslagen fles heeft bedreigd. Aangeefster heeft in dit kader verklaard dat zij eerst met verdachte in de woonkamer was. Verdachte sloeg een fles kapot op de salontafel. Aangeefster zag dat verdachte de fles dicht bij haar hals hield. Vervolgens is verdachte naar het raam gelopen en heeft hij gedreigd aangeefster uit het raam te gooien. Daarna trok verdachte aangeefster mee naar de slaapkamer, alwaar hij haar wilde controleren op seks met een andere man. Tijdens het voorval in de slaapkamer haalde verdachte een andere fles uit de keuken en vroeg in de slaapkamer aan aangeefster of hij die fles in haar vagina moest duwen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder 4 primair tenlastegelegde dan ook niet begaan onder bedreiging met een door verdachte kapot geslagen fles. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het enkel meenemen van aangeefster naar de slaapkamer, het aldaar tegen aangeefster zeggen dat zij haar kleren uit moet trekken en het uittrekken van kledingstukken door verdachte onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het tenlastegelegde geweld of feitelijkheden of bedreiging met geweld of feitelijkheden. Verdachte zal dan ook van het onder 4 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Hetgeen de rechtbank overwogen heeft ten aanzien van het gedeelte in de tenlastelegging dat betrekking heeft op de bedreiging met de kapot geslagen fles, geldt ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde. Onder het subsidiair tenlastegelegde is echter ook opgenomen dat verdachte de benen van aangeefster uit elkaar heeft geduwd/getrokken. Hierdoor is bij het subsidiair tenlastegelegde wel sprake van een geweldscomponent. Desondanks kan naar het oordeel van de rechtbank ook het subsidiair tenlastegelegde niet worden bewezen. Ten laste is namelijk gelegd dat verdachte de vagina van aangeefster heeft bestast/bevoeld. De vagina is het inwendige deel van het geslachtsorgaan van de vrouw. Het uitwendige deel wordt de vulva genoemd. Hiertoe behoren de schaamlippen, de clitoris, de uitgang van de urinebuis en de opening van de vagina. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar controleerde door zijn duim door haar schaamlippen en clitoris te doen. Hierbij spreekt aangeefster aldus over het uitwendige deel van het geslachtsorgaan. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte de vagina van aangeefster heeft betast/bevoeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan hierdoor ook het onder 4 subsidiair tenlastegelegde niet bewezen worden en verdachte zal ook hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsvraag ten aanzien van het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/670471-10

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de aangifte, de verklaring van verdachte, de brief d.d. 8 september 2010 van verdachte aan aangeefster, de verklaring van getuige [getuige 1], een schriftelijk bescheid van het Steunpunt huiselijk geweld, de strafrechtelijke documentatie van verdachte en het betreffende verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.

De officier van justitie is voorts van mening dat het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de stukken in het dossier die betrekking hebben op het opgelegde huisverbod, de aangifte, de verklaring van verdachte, de verklaring van getuige [getuige 2] en de verklaring van getuige [getuige 3].

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, aangezien het in het dossier aanwezige steunbewijs, bestaande uit de verklaringen van de dochter van [aangeefster], genaamd [getuige 2], de verklaring van

[getuige 1] en de brief d.d. 8 september 2010 van verdachte, niet voldoende zelfstandig redengevend is om tot bewijs te kunnen dienen. Dit steunbewijs kan in ieder geval niet tot de overtuiging leiden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarnaast ontbrak het opzet bij verdachte. Ten slotte is de raadsvrouw ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde van mening dat de strafverzwarende omstandigheid ‘levensgezel’ niet bewezen kan worden.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Verdachte was na zijn aanhouding helemaal in de war en daarom moet naar de mening van de raadsvrouw geconcludeerd worden dat verdachte geen opzet had op het overtreden van het contactverbod.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte,

nr. PL01KE 2010114910-1, d.d. 25 november 2010, pag. 24 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Ik verblijf vanaf juli 2010 aan [adres] te Groningen. Ik heb een relatie met [verdachte], [verdachte] is zijn voornaam. Anderhalve week geleden was ik even buiten geweest en hij was erg boos omdat ik weg was geweest. [verdachte] pakte mij beet en trok/duwde mij mee van de ene kant naar de andere kant. Hij dacht dat ik gesprongen had. Hiermee bedoelde hij dat ik met een andere man naar bed was geweest. [verdachte] pakte mij beet met zijn vlakke hand in mijn gezicht en kneep zijn hand samen. Dit deed mij erg veel pijn in mijn gezicht, hij heeft veel kracht in zijn handen. Ik moet erg opletten wat ik tegen hem zeg. De eerste klap die [verdachte] mij gaf was na ongeveer anderhalve maand nadat ik bij hem was ingetrokken. Er zit een patroon in wanneer hij slaat. De eerste klap kreeg ik van [verdachte] met de vlakke hand in mijn gezicht, dit deed erg veel pijn. Dat was één klap in mijn gezicht. Ik ben in totaal drie keer bij de keel gegrepen door [verdachte]. Hij pakte mij dan met één hand bij de keel en dan werd ik erg benauwd. Hij pakte mij bij mijn gezicht met zijn hand, ik voelde dat hij in mijn gezicht kneep met veel kracht en dat het veel pijn veroorzaakte. Ik werd meegetrokken naar de woonkamer aan mijn armen. Het was vorige week donderdag. Even later gingen we naar bed en wilde hij gemeenschap, wat ik niet wilde. Hij begon op mij in te beuken. Ik zag en voelde dat hij, volgens mij met zijn vuist, een aantal malen hard op mijn hoofd sloeg waardoor ik veel pijn voelde. Dit was drie keer hard op mijn hoofd. Ik ben volgens mij dit jaar oktober naar [getuige 1] gegaan naar aanleiding van een ruzie met [verdachte]. Hij sloeg mij die dag.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangeefster,

nr. PL01KN 2010114910-33, d.d. 6 december 2010, pag. 48 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Na de mishandelingen had ik blauwe plekken, een open lip en een stijve nek. Ik ben ook wel eens duizelig geweest en heb wel eens pijn in mijn hoofd gehad door de klappen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,

nr. PL01KD 2010114910-28, d.d. 1 december 2010, pag. 65 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op maandag 6 september 2010 stond [aangeefster] bij mij voor de deur. Ze vertelde mij dat ze gevlucht was. Wat zij mij vertelde die avond was onder andere het volgende: dat ze naar de strot gegrepen is.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,

nr. PL01KD 2010114910-25, d.d. 30 november 2010, pag. 60 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ergens eind juli is mijn moeder bij [verdachte] gaan wonen. Ergens begin oktober werd ik door haar vriendin [getuige 1] gebeld. Zij maakte zich zorgen. Op 10 november 2010 kwam mijn moeder bij mij thuis. Ze vertelde mij dat hij meerdere keren hard in haar gezicht had geknepen. Tegen elf uur s’ avonds werd ik gebeld door mijn moeder. Zij vertelde dat hij haar had geslagen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte,

nr. PL01KN 2010114910-30, d.d. 2 december 2010, pag. 80 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Mijn relatie met [aangeefster] heeft tot nu toe ongeveer 6 maanden geduurd. Ik heb [aangeefster] meegenomen naar mijn psychiater [psychiater] van de AFPN. Ik sta bij hem onder behandeling in verband met mijn agressie. Ik heb tegen [aangeefster] gezegd dat ik tegen [psychiater] zou zeggen dat ik haar zou hebben geslagen. Tijdens het eerste gesprek heb ik dus tegen [psychiater] gezegd wat ik [aangeefster] had aangedaan. Ik ben nog een derde keer naar [psychiater] gegaan met [aangeefster]. Ik zei tegen [psychiater] dat ik samen met [aangeefster] relatietherapie wilde. Dit was naar aanleiding van de leugens die ik hem had verteld.

- Een schriftelijk stuk, te weten een brief van het Advies- en steunpunt huiselijk geweld, d.d. 17 januari 2011, overgelegd door raadsvrouw A.M. Crouwel bij haar brief d.d. 2 maart 2011, voorzover inhoudende de weergave van de zorgoverleggen door [hulpverlener], zakelijk weergegeven:

Meneer beaamt dat de relatie niet goed was. De relatie is geëscaleerd in een geweldsrelatie waarvan beiden aangeven dat dit niet goed is geweest. Maar door hun verleden zijn ze niet in staat om grenzen te stellen, het geweld te stoppen en verandering in hun gedrag te bewerkstelligen. Beiden hebben niet het doel gehad elkaar met opzet te kwetsen of te pijnigen.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank acht de stelling van verdachte dat hij tegenover de hulpverleners heeft gelogen omtrent hetgeen hij aangeefster heeft aangedaan ongeloofwaardig. Hoewel in het dossier aanwijzingen te vinden zijn voor het bestaan van eerdere relationele problematiek van aangeefster, voert de stelling van verdachte dat sprake is van projectie van die problematiek op hem veel te ver. Daar komt bij dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] in het geheel niet reppen over mogelijke projectie en ook overigens in het dossier daarvoor geen aanwijzingen te vinden zijn.

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de raadsvrouw ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid ‘levensgezel’ overweegt de rechtbank het volgende. Uit de verklaringen van aangeefster en verdachte blijkt dat beiden spreken over ‘hun relatie’. Zij spreken over samenleven en zij hebben samen hulp gezocht voor hun relatieproblemen. Dit wordt ook bevestigd door de brief van het Advies- en steunpunt huiselijk geweld. De rechtbank acht de strafverzwarende omstandigheid dan ook bewezen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte,

nr. PL01KE 2010114910-1, d.d. 25 november 2010, pag. 24 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Ik verblijf vanaf juli 2010 aan [adres] te Groningen. Ik heb een relatie met [verdachte], [verdachte] is zijn voornaam. Anderhalve week geleden was ik even buiten geweest en hij was erg boos omdat ik weg was geweest. Ik zag dat hij even snel weg ging en terug kwam met een knuppel. Deze lag in de slaapkamer. Hij had de knuppel op tafel gelegd. Hij had ook een samoeraizwaard bij zich. Ik zag dat hij dit zwaard een paar keer in en uit de houder haalde. Tevens had hij ook een mes in zijn handen. Het mes lag ook op de tafel of op de leuning van de tafel. Ik zag dat hij dan het ene pakte en dan weer het zwaard waar hij mee zwaaide. Het voelde erg bedreigend en het voelt of hij het dan elk moment kan gebruiken. Ook pakte hij een fles wijn waar hij mee zwaaide en hij zei tegen mij dat hij die ook op mijn kop kapot ging slaan. Ik zag dat hij de fles op de salontafel kapot sloeg en deze vast had bij de hals. Ik zag dat hij de kapotte fles dicht bij mij hield waardoor ik mij erg bedreigd voelde, dit was erg dicht bij mijn hals. Ik zag dat hij het raam open deed en hij vroeg mij of hij mij eruit moest gooien. Hij stond vlak bij mij. Hij heeft meerdere keren geroepen dat hij mij uit het raam zou gooien. Deze aanval heeft de hele avond geduurd. Het was vorige week donderdag. Hij had weer een andere fles uit de keuken gehaald en bedreigde mij met die fles. Of hij deze er bij mij in moest drukken.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangeefster,

nr. PL01KE 2010114910-31, d.d. 3 december 2010, pag. 34 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [aangeefster], zakelijk weergegeven:

Ik ben herhaaldelijk bedreigd en nam de bedreigingen erg serieus omdat ik ook door hem mishandeld ben. De bedreigingen werden steeds erger, hij zou mij uit het raam gooien, mijn botten breken, mijn tanden achterin mijn strot slaan en mijn kop er af hakken.

- Een schriftelijk stuk, te weten een brief van verdachte, d.d. 8 september 2010, gevoegd bij het hiervoor vermelde dossier, voorzover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Je voelt je bedreigd en daarin heb je gelijk. Vrienden en kennissen hebben gezegd dat ik jou moet bedreigen en bang maken. Ik ging jou bedreigen met dat ik je kop eraf zou hakken en jou zou verminken.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,

nr. PL01KD 2010114910-28, d.d. 1 december 2010, pag. 65 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op 6 september 2010 kwam [aangeefster] bij mij. Wat zij mij vertelde die avond was onder andere het volgende: bedreiging met vuurwapen, bedreiging met wat hij haar allemaal aan zou doen, hersenen inslaan, dat ze zeer angstig was, ze zich niet veilig voelde.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,

nr. PL01KD 2010114910-25, d.d. 30 november 2010, pag. 60 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op 10 november 2010 kwam mijn moeder bij mij thuis. Mijn moeder is met een samoeraizwaard bedreigd door hem. Hij stond boven haar met dat ding te zwaaien. Tegen elf uur in de avond werd ik door mijn moeder gebeld. Zij vertelde mij dat hij had gedreigd een fles in haar vagina te duwen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnemening, nr. 2010114910, d.d. 26 november 2010, pag. 92 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 26 november 2010 vond er een doorzoeking plaats in een woning gelegen aan [adres] te Groningen. Tijdens de doorzoeking werden in de slaapkamer onder het bed de volgende voorwerpen aangetroffen:

- een samoeraizwaard in schede

- een langwerpige houten stok omwikkeld met zwart tape.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 5 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen hovj voor beslissing huisverbod, nr. PL01SB 2010114910-9, d.d. 25 november 2010, pag. 98 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant], zakelijk weergegeven:

Op woensdag 24 november 2010 ontving ik, [verbalisant], als hovj tevens gemandateerd door de burgemeester van de gemeente Groningen, de melding voor een beoordeling van een situatie in het kader wet tijdelijk huisverbod. Aan beoogd uithuisgeplaatste, [verdachte] is het voornemen tot opleggen van een huisverbod kenbaar gemaakt. De zienswijze van beoogd uithuisgeplaatste luidde: “Ik snap niet zo goed wat er mis is gegaan, maar ik zal geen contact met haar opnemen.” Op woensdag 24 november 2010 te 22.00 uur heb ik, verbalisant, in mijn hoedanigheid als hovj, aan [verdachte] de beschikking huisverbod uitgereikt voor de duur van 10 dagen.

- Een schriftelijk stuk, te weten een beschikking van de burgemeester houdende het opleggen van een huisverbod (artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod), d.d. 24 november 2010, opgenomen onder pagina 102 van het hiervoor onder vermelde dossier, voorzover inhoudende de relatering van hulpofficier van justitie [verbalisant], zakelijk weergegeven:

Namen van degene op wie het contactverbod van toepassing is:

Volwassenen: [aangeefster].

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,

nr. PL01KD 2010114910-17, d.d. 26 november 2010, pag. 57 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:

Ik ben arrestantenverzorger. Gisteren vertelde [verdachte] dat hij zijn advocaat wilde bellen. Ik bracht hem naar de telefoon. Hij zei dat het nummer op het papier wat in zijn fouillering zat het nummer van zijn advocaat was. Ik hoorde een voicemail. [verdachte] zei dat hij de voicemail wilde inspreken. Ik gaf hem de telefoon. Hij zei: “[naam]. Ik ben boos op jou met wat jij met mij gisteren gedaan hebt.” Ik zag dat hij boos was. Daarna hing hij op. Ik zei dat hij zijn naam niet genoemd had en de advocaat daardoor niet zou weten dat hij gebeld had. Ik heb daarna nogmaals het nummer gebeld en de hoorn aan hem gegeven. Daarna raakte ik in gesprek met een collega. Ik werd er later door mijn collega’s op aangesproken dat [verdachte] naar buiten had gebeld. Ik voelde mij bedrogen door hem.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,

nr. PL01KD 2010114910-25, d.d. 30 november 2010, pag. 60 e.v. van politiedossier 2010114910, d.d. 17 december 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik was bekend met het huisverbod. Op 25 november ging de telefoon van mijn moeder. Omdat zij onder de douche stond nam ik op. Ik hoorde dat [verdachte] aan de lijn was. Ik hoorde hem zeggen: “[naam] ik ben niet boos op jou.” Ik heb de telefoon naar beneden gehouden. Ik hoorde nog even zeggen: “ik hoor niks.” Toen werd de verbinding verbroken. Direct daarna werd er weer gebeld. Ik heb toen niet opgenomen.

- De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb haar wel gebeld. Ik wilde weten wat er aan de hand was. Ik heb kennelijk haar dochter aan de lijn gehad. Ik wist niet dat dat haar dochter was, omdat niemand antwoord gaf.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan. Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de raadsvrouw dat verdachte geen opzet had overweegt de rechtbank het volgende. Zoals uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt heeft verdachte gevraagd een telefoontje naar zijn advocaat te mogen plegen, maar in plaats daarvan naar aangeefster gebeld. Verdachte heeft ook erkend naar aangeefster gebeld te hebben. Verdachte heeft bewust de arrestantenverzorger om de tuin geleid om te kunnen bellen met aangeefster. Mede op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte bekend was met het opgelegde huis- c.q. contactverbod. Verdachte heeft dan ook wel degelijk opzettelijk geprobeerd het huisverbod te overtreden.

Bewijsvraag ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/650679-10

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde op grond van het proces-verbaal van aanhouding wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat verdachte door de politie is uitgelokt.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding,

nr. PL01KD 2010058415-2, d.d. 18 juni 2010, pag. 3 e.v. van politiedossier PL01KD 2010058415-1 d.d. 18 juni 2010, inhoudende de relatering van verbalisanten [verbalisanten], zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 18 juni 2010 reden wij, verbalisanten, over de [straatnaam] te Groningen. Wij verbalisanten zagen een persoon lopen die voldeed aan het signalement waarvoor op de briefing onze aandacht gevraagd was. Ik, eerste verbalisant, vroeg naar het identiteitsbewijs van de man. Wij, verbalisanten, hoorden dat de man zei: “Flikker toch op cono.” Wij, verbalisanten, hoorden dat de verdachte meerdere keren, met luide stem, cono, riep tegen ons. Wij, verbalisanten, stonden op de openbare weg. Wij, verbalisanten, hoorden en zagen dat de verdachte naar mij, tweede verbalisant, keek en zei: “padvinder, je bent een clown.” Wij, verbalisanten, voelden ons beledigd en in onze goede naam en eer aangetast door de woorden van verdachte.

- De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb gevraagd of het om die padvinder ging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de zaak met parketnummer 18/670471-10 het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij, op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 juli 2010 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, telkens opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [aangeefster], in haar gezicht heeft geslagen en/of tegen haar hoofd heeft gestompt en/of in haar gezicht heeft geknepen en/of bij de keel heeft vastgepakt en/of dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij, op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 juli 2010 tot en met 24 november 2010, in de gemeente Groningen, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met verkrachting, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend een samoeraizwaard en/of een knuppel en/of een mes en/of een kapotte fles, aan die [aangeefster] getoond en die kapotte fles bij/voor de hals van die [aangeefster] gehouden en daarbij deze [aangeefster] dreigend toegevoegd dat hij haar uit het raam zou gooien en/of dat hij haar botten zou breken en/of dat hij haar tanden achter in haar strot zou slaan en/of dat hij haar kop er af zou hakken en/of dat hij een fles bij haar naar binnen zou drukken.

5.

hij, op verschillende tijdstippen, in de periode van 25 tot en met 26 november 2010, in de gemeente Groningen, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk in strijd met een namens de burgemeester van de gemeente Groningen op 24 november 2010 opgelegd huisverbod, voor de periode van 24 november 2010 te 22:00 uur tot 4 december 2010 te 22:00 uur, betreffende de woning gelegen aan [adres] te Groningen en een contactverbod met [aangeefster] contact op te nemen met die [aangeefster], middels telefoon heeft getracht contact op te nemen met die [aangeefster], terwijl telkens de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de zaak met parketnummer 18/650679-10 het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 18 juni 2010, in de gemeente Groningen, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten de hoofdagent van Regiopolitie Groningen, [verbalisant], en de aspirant van Regiopolitie Groningen, [verbalisant], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun

bediening, in het openbaar mondeling en in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Flikker toch op cono" en "cono" en "padvinder, je bent een clown.”

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in de zaak met parketnummer 18/670471-10 onder 1, 2 en 5 en in de zaak met parketnummer 18/650679-10 meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard in de zaak met parketnummer 18/670471-10, levert de volgende strafbare feiten op:

1 mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting, meermalen gepleegd

5 poging tot handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, Wet tijdelijk huisverbod, gegeven verbod, meermalen gepleegd

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard in de zaak met parketnummer 18/650679-10, levert het volgende strafbare feit op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/670471-10 onder 1, 2, 4 primair en 5 alsmede het in de zaak met parketnummer 18/650679-10 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met, conform het advies van de Reclassering d.d. 8 maart 2011, oplegging van de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en behandeling bij de AFPN of een soortgelijke instelling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank feiten bewezen mocht achten, gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en zonodig daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de Reclassering is geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapporten, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, bedreiging en poging tot overtreding van het hem opgelegde huisverbod. Er was sprake van een problematische relatie tussen verdachte en zijn partner. Verdachte heeft gedurende een aantal maanden zijn partner mishandeld en hierdoor inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De partner van verdachte heeft al die tijd in spanning geleefd en op haar woorden moeten letten, omdat ze mishandelingen wilde voorkomen. Desondanks is zij toch meerdere malen door verdachte mishandeld. Daarnaast heeft verdachte haar meerdere malen bedreigd met een samoeraizwaard, een knuppel, een mes en een kapotte fles. Doordat aangeefster reeds door verdachte was mishandeld was zij erg bang dat verdachte de bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren. Verdachte heeft ook een zeer bedreigende situatie voor aangeefster doen ontstaan toen zij naakt op bed lag en verdachte dreigde een fles bij haar binnen te brengen. Voorts heeft verdachte, nadat een huis- en contactverbod aan hem was opgelegd, de arrestantenverzorger om de tuin geleid om toch te pogen telefonisch contact met aangeefster te krijgen. Verdachte heeft aangeefster lange tijd veel angst ingeboezemd en heeft zelfs nadat zij door het verbod zich veilig zou mogen voelen haar niet met rust gelaten. Dit alles rekent de rechtbank verdachte ten zeerste aan. De rechtbank houdt er hierbij ook rekening mee dat verdachte eerder een problematische relatie heeft gehad en reeds geruime tijd hulp ontvangt.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van politieagenten. Terwijl de politieagenten verdachte slechts vroegen om zijn identiteitsbewijs heeft verdachte de agenten beledigd. Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eer en goede naam van de agenten.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ook rekening met de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een vrijheidsstraf van na te melden duur moet worden opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Nu een deel van de tenlastegelegde feiten, welke de officier van justitie bewezen acht, door de rechtbank niet bewezen wordt verklaard, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan geëist. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals geadviseerd door de Reclassering in het rapport d.d. 8 maart 2011, te weten een reclasseringstoezicht door de VNN, alsmede een behandelverplichting bij de AFPN of een soortgelijke instelling. De rechtbank acht het, gezien de agressie- en verslavingsproblematiek van verdachte, van groot belang dat de reeds ingezette hulpverlening van het MJD en de AFPN wordt voortgezet en dat daarbij controle en ondersteuning wordt verleend door een reclasseringswerker van de VNN. Verdachte moet daaraan zijn medewerking verlenen en moet in de toekomst het aangaan van relaties bespreken met de reclassering. Daarnaast moet verdachte akkoord gaan met bewindvoering en medewerking verlenen aan de uitvoering daarvan.

De rechtbank heeft met het opleggen van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf rekening gehouden met het feit dat verdachte op dit moment zijn woning niet kwijt zal raken. De rechtbank gaat ervan uit dat een voorwaardelijke straf verdachte, wetende dat hij het risico zal lopen zijn huisvesting alsnog te zullen verliezen in geval van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, ervan zal weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een samoeraizwaard in schede en een langwerpige houten stok omwikkeld met zwart tape, moet worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat verdachte aangeefster heeft bedreigd met voornoemde voorwerpen. Verdachte heeft aldus met behulp van voornoemde voorwerpen het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 18/670471-10 onder 2 begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 266, 267, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 2 en 11 van de Wet tijdelijk huisverbod.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart in de zaak met parketnummer 18/670471-10 het onder 3 en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart in de zaak met parketnummer 18/670471-10 het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde, alsmede het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18/650679-10 wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het in de zaken met parketnummers 18/670471-10 en 18/650679-10 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de reclassering van de Verslavingszorg Noord Nederland te Groningen, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

- dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen bij de AFPN te Groningen of een soortgelijke instelling, zo lang als de leiding van de instelling in overleg met de reclassering dat wenselijk acht.

Draagt de reclassering op om veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een samoeraizwaard in schede

- een langwerpige houten stok omwikkeld met zwart tape

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2011.