Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ0707

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
425373 - CV EXPL 09-16091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenreglement; indexatie

Partijen verschillen van mening pover de vraag welk pensioenreglement als het voor de werknemer geldende pensioenregeling moet worden aangemerkt. De werkgever heeft uitvoering gegeven aan het pensioenreglement waarop zij zich beroept.

Gelet op de door de werknemer vervulde functie en zijn intensieve betrokkenheid bij de totstandkoming van het pensioenreglement is er sprake van een gelijkwaardige positie van partijen waarbij voor een correctie van de bewijslastverdeling vanuit de beschermingsgedachte in het arbeidsrecht, geen aanleiding is.

De werknemer wordt toegelaten te bewijzen dat het pensioenreglement waarop hij zich beroept, het voor hem geldende pensioenreglement was.

Na getuigenverhoor wordt geoordeeld dat de werknemer niet is geslaagd in het opgedragen bewijs. De vordering tot indexering van het pensioen wordt afgewezen.

Eindvonnis. Voor tussenvonnis zie LJN BQ0705.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 425373 \ CV EXPL 09-16091

Vonnis d.d. 9 maart 2011

inzake

Q.,

wonende te [adres],

eiser, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mr. J.M. Frons, advocaat te Groningen

tegen

de stichting Stichting Koersvast,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

gedaagde, hierna Stichting Koersvast te noemen,

gemachtigde mr. D. Kuijken, advocaat te Groningen.

DE VERDERE PROCESGANG

Bij vonnis van 21 juli 2010 is aan Q. een bewijsopdracht gegeven. Q. heeft zich vervolgens als partijgetuige en de heren C. en A. als getuigen doen horen.

Stichting Koersvast heeft afgezien van contra-enquête.

Partijen hebben vervolgens geconcludeerd na enquête waarna vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1 Gelet op hetgeen is overwogen in het vonnis van 21 juli 2010, waarvan de inhoud als zijnde herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

1.2 In het tussenvonnis van 21 juli 2010 is Q. toegelaten te bewijzen dat het pensioenreglement waarop hij zich beroept, overgelegd als productie 3 bij dagvaarding, het voor hem geldende pensioenreglement was.

1.3 De inhoud van de door de getuigen afgelegde verklaringen als opgenomen in het proces-verbaal, dient als zijnde herhaald en ingelast te worden beschouwd.

1.4 Q. heeft als partijgetuige verklaard dat hij slechts 1 exemplaar van een pensioenreglement heeft ontvangen zijnde het exemplaar overgelegd als productie 3 bij dagvaarding. Hij kan niet meer aangeven van wie, wanneer of hoe hij dat precies heeft ontvangen. Hij is betrokken geweest bij de onderhandelingen met Achmea Centraal Beheer over de aanpassing van de pensioenregeling, de bedoeling was dat reglement cao-conform te maken. Het ging daarbij om een aanpassing van het begrip dienstjaren voor de pensioenleeftijd, die leeftijd ging van 22 naar 18, en de pensioenleeftijd ging van 65 naar 62 jaar. In die besprekingen is nimmer over indexering gesproken. Hij geeft aan dat hij niet goed kan verklaren dat in het pensioenreglement waarop hij zich beroept, het aantal dienstjaren tot 22 jaar niet meetelt voor de opbouw van het pensioen. Hij merkt dat aan als een omissie of een dwaling.

Over de brief van 19 december 2008 van Achmea, waarin vermeld is dat Q. zich op een concept beroept, geeft hij aan dat dit reglement geen concept is omdat dat er niet op vermeld staat. Volgens hem is op de personeelsbijeenkomst in augustus 2001 niet over de indexatie van het pensioen gesproken. Hij heeft niet het interne memo van Stichting Koersvast ontvangen van 31 januari 2002.

1.5 Getuige C. geeft aan te blijven bij zijn eerdere, schriftelijke verklaring overgelegd bij dagvaarding. Hij verklaart dat hij zelf geen andere versie kent of ontvangen heeft van het pensioenreglement dan die waarop met pen "concept" vermeld stond. Omdat hij geen ander exemplaar kende of ontvangen heeft dan dat pensioenreglement ging hij er van uit dat dat het geldende pensioenreglement was. Het artikel over het meetellen van dienstjaren tussen 18 of 22 jaar zegt de getuige niets. Hij kan zich niet meer herinneren of in augustus 2001 op de personeelsbijeenkomst door Achmea Centraal Beheer, ook over indexatie is gesproken. Wel kan hij zich herinneren dat gesproken is over aanpassing van eindloon naar middenloon. Volgens hem zijn bij de personeelsbijeenkomst geen pensioenreglementen verstrekt. Als personeelsmedewerker heeft hij na die bijeenkomst nog wel een aantal malen aan nieuwe medewerkers het pensioenreglement verstrekt. Dat was dezelfde versie die hij had en waarop bij hem "concept" vermeld stond.

1.6 Getuige A. blijft eveneens bij zijn schriftelijke verklaring overgelegd bij dagvaarding. Hij geeft aan dat het pensioenreglement zoals hij dat kent het reglement is waarop Q. zich beroept. Volgens hem is dat reglement hem toegestuurd bij de brief van 10 juli 2001. Voor zover de getuige bekend is, heeft hij later geen andere versie van het pensioenreglement ontvangen. De getuige is op de personeelsbijeenkomst geweest in augustus 2001. Daarbij ging het met name over de overgang van eindloon naar middenloon. Hij kan zich niet herinneren dat het daarbij tevens ging over de indexatie van het pensioen. Tevens verklaart hij dat de regeling voor wat betreft de telling van de dienstjaren, vanaf 22 jaar, in het pensioenreglement hem niet is opgevallen als iets dat nadere aandacht behoefde. Het interne memo van 31 januari 2002 zegt de getuige niets.

1.7 De kantonrechter overweegt als volgt. In het vonnis van 21 juli 2010 is in rechtsoverweging 4.2 onder meer overwogen: "Gelet op de inhoud van de door Q. vervulde functie en zijn intensieve betrokkenheid bij de totstandkoming van het pensioenreglement is er sprake van een gelijkwaardige positie van partijen waarbij voor een correctie van de bewijslastverdeling vanuit de beschermingsgedachte in het arbeidsrecht, geen aanleiding is.

Met de door Koersvast gestelde, door Q. op dat onderdeel niet betwiste, omissies in de tekst van de door Q. overgelegde versie, valt ook niet in te zien dat Q. er in zijn positie zonder meer van uit mocht gaan dat dit het geldende pensioenreglement was."

1.8 Uit de verklaring van Q. als partijgetuige en uit de verklaringen van de andere twee getuigen is in essentie niet veel meer op te maken dan dat in hun herinnering zij slechts de beschikking hebben gekregen over het exemplaar van het pensioenreglement zoals dat door Q. is overgelegd als productie 3 bij de inleidende dagvaarding.

Q. noch de andere getuigen hebben echter een afdoende verklaring kunnen geven voor de omissies in die tekst. Zo heeft Q. aangegeven dat de regeling ter zake van het meetellen van dienstjaren vanaf 18 jaar wel vermeld was op het lijstje van te regelen aandachtspunten. Mede gelet op het aantal besprekingen dat heeft plaatsgehad met de pensioenverzekeraar valt moeilijk in te zien dat Q. er dan desondanks van uit mocht gaan dat dit het voor hem geldende pensioenreglement was. In zijn versie van het pensioenreglement is dit immers niet geregeld.

1.9 Tevens is de kantonrechter van oordeel dat de reactie van Q. op de brief van Achmea van 19 december 2008 weinig overtuigend is. De pensioenverzekeraar geeft daarbij aan dat Q. zich op een concept beroept.

1.10 De twee andere getuigen kunnen niet met voldoende zekerheid zeggen wanneer zij deze exemplaren hebben ontvangen, kunnen geen afdoende toelichting gegeven op de omissies in het exemplaar van het pensioenreglement waarop zij zich beroepen. Ook uit die verklaringen in samenhang met de verklaring van Q. valt niet op te maken dat Q., als voormalig onderhandelaar bij de totstandkoming van het pensioenreglement, er gerechtvaardigd van uit mocht gaan dat het pensioenreglement waarop hij zich beroept, het voor hem geldende reglement is.

1.11 Op grond van vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat Q. niet geslaagd is in het hem opgedragen bewijs. De door hem ingestelde vorderingen worden dan ook afgewezen.

2 Proceskosten

Q. wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen van Q. af;

-veroordeelt Q. in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Koersvast tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 450,00 voor salaris gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en op 9 maart 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: BvdB

coll: