Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP9790

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 10-929 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft niet aangetoond dat hij zijn status als werknemer heeft behouden op grond van artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn en kan niet ingevolge artikel 11, tweede lid, van het WWB gelijkgesteld worden met een Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Zaaknummer: AWB 10/929 WWB

Uitspraak in het geschil tussen

J.N.J. Piret, wonende te Groningen, eiser,

gemachtigde: mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Blokzijl, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft op 15 september 2010 beroep ingesteld tegen het besluit van 6 augustus 2010. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 29 maart 2010 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat eisers aanvraag om bijstandsuitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) wordt afgewezen.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 28 januari 2011.

Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en procesverloop

Eiser (Belgische nationaliteit) heeft op 2 november 2009 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingevolge de WWB ingediend. Eiser heeft zich blijkens de GBA-gegevens op 8 februari 2005 vanuit België ingeschreven op de [adres] Op 13 september 2007 is hij daar uitgeschreven. Op 15 augustus 2008 heeft eiser zich (in het GBA staat vermeld: ‘vorig land: onbekend’) op het [adres] ingeschreven. Vanaf 4 maart 2009 is eiser op het [adres] ingeschreven.

Verweerder heeft bij besluit van 17 november 2009 de aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen, aangezien eiser niet de Nederlandse nationaliteit heeft, op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste en tweede lid, van de WWB niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en als gemeenschapsonderdaan niet voldoet aan de voorwaarden om een beroep te doen op bijstand.

Verweerder heeft bij besluit op bezwaar van 9 maart 2010 - in overeenstemming met het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften sociale zaken en werk (hierna: de Commissie) - het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft – samengevat - overwogen dat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit bezit en niet rechtmatig in Nederland verblijft.

Vanaf 2 maart 2010 is eiser op het [adres] ingeschreven.

Tegen het besluit van 9 maart 2010 is namens eiser bij brief van 24 maart 2010 beroep ingesteld. Tevens is namens eiser bij brief van dezelfde datum aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te treffen.

Bij uitspraak van 20 april 2010 heeft de voorzieningenrechter het beroep van eiser ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Namens eiser is bij brief van 24 maart 2010 een aanvraag om een bijstandsuitkering bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft bij primair besluit van 29 maart 2010 eisers aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen. In de motivering van het besluit heeft verweerder overwogen dat eisers aanvraag om bijstandsuitkering afgewezen is, omdat hij niet de Nederlandse nationaliteit heeft, hij niet op grond van artikel 11, eerste en tweede lid, van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld kan worden en als gemeenschapsonderdaan van de Europese Unie (EU) niet voldoet aan de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op bijstand.

Namens eiser is bij brief van 6 mei 2010 een bezwaarschrift tegen dit besluit bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn ingediend bij brief van 2 juni 2010.

Eiser is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de Commissie, van welke gelegenheid namens hem gebruik is gemaakt tijdens de hoorzitting van 26 juli 2010. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De Commissie heeft verweerder bij brief van 26 juli 2010 geadviseerd het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het voornoemde advies van de Commissie, het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In het tweede lid van artikel 11 WWB is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel

24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

In artikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bepaald dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heet sinds 1 december 2009 het ‘Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’ (hierna: het Verdrag).

In artikel 20, eerste lid, van dit Verdrag is – voor zover hier van belang – bepaald dat een burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van dit Verdrag heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG luidt als volgt:

‘Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a. indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is;

b. indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt; of,

c. - indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en

- indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, - door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze -, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland; of

d. indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.’

Artikel 7, derde lid, van de Richtlijn 2004/38/EG luidt als volgt:

‘Voor de toepassing van lid 1, punt a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:

a. hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;

b. hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekenden bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;

c. hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorzieningen ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;

d. hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.’

Artikel 14 van de Richtlijn 2004/38/EG luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

‘1. (…);

2. Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. [...]

3. Een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van het gastland leidt niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.

4. In afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien:

a) de burgers van de Unie werknemer of zelfstandige zijn, of

b) de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.’

Artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG luidt als volgt:

‘Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.’

Artikel 24 van de Richtlijn 2004/38/EG luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

‘1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. (…)

2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.’

3.3 Overwegingen

In formeel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich in dit verband op het standpunt gesteld dat betwijfeld kan worden of de advocaat van eiser in het onderhavige geval gemachtigd is om namens hem bezwaar en beroep in te stellen. In de visie van verweerder dient het beroep van eiser dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat de hoofdregel is dat een advocaat geen machtiging behoeft om namens eiser bezwaar en beroep in te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat in het onderhavige geval afgeweken dient te worden van de hoofdregel in vorenbedoelde zin. Onder die omstandigheden dient de stelling van verweerder dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard te worden verworpen.

Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht en op juiste gronden eisers aanvraag om bijstandsuitkering ingevolge de WWB afgewezen heeft. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag om bijstandsuitkering ten grondslag gelegd dat eiser niet de Nederlandse nationaliteit heeft, niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB en als gemeenschaps-onderdaan van de EU niet voldoet aan de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op bijstand. In de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar artikel 11 van de WWB, artikel 7 en artikel 16 van de Richtlijn 2004/38/EG.

Eiser betoogt dat aan hem, ingevolge artikel 16 van de Richtlijn 2004/38/EG een duurzaam verblijfsrecht toekomt, aangezien hij sinds 2005 in Nederland heeft gewoond. Eiser bestrijdt dat hij in de periode van september 2007 tot augustus 2008 niet in Nederland zou hebben gewoond. In dit verband wijst eiser erop dat de uitschrijving uit het GBA niet aan hem bekend is gemaakt.

De vraag of eiser al dan niet in aanmerking komt voor bijstand moet worden beantwoord aan de hand van artikel 11, tweede lid, van de WWB. Dit artikellid opent de mogelijkheid tot bijstandverlening aan in Nederland woonachtige en hier rechtmatig verblijvende vreemdelingen. De gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG zijn hiervan uitgezonderd.

Ter beantwoording ligt allereerst de vraag voor of eiser rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer kenbaar uit een uitspraak van 13 juni 2006, LJN AY3868) vloeit de rechtmatigheid van het verblijf van een EU-onderdaan rechtstreeks voort uit het gemeenschapsrecht zoals dat is neergelegd in het EG-verdrag en de daaruit voortvloeiende richtlijnen en verordeningen. EU-onderdanen hebben dus geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te kunnen verblijven. Een eventueel aan een EU-onderdaan verstrekt verblijfsdocument heeft daarom geen rechtscheppend, maar slechts een declaratoir karakter. Dit betekent dat het bestuursorgaan bij de beoordeling van het recht op bijstand van EU-onderdanen niet kan volstaan met een verwijzing naar door de vreemdelingendienst afgegeven verblijfscodes in de GBA, maar dat het zelfstandig dient na te gaan of de belanghebbende rechtmatig in Nederland verblijft.

De rechtbank stelt vast dat eiser de Belgische nationaliteit heeft en dus ingevolge artikel 20 en 21 van het Verdrag in beginsel rechtmatig in Nederland verblijft.

In de Richtlijn 2004/38/EG zijn nadere voorwaarden en beperkingen opgenomen met betrekking tot dit verblijf.

Deze Richtlijn is bij Wet van 7 juli 2006 onder meer geïmplementeerd in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) door wijziging van artikel 8, eerste lid aanhef, en onder i, en artikel 9 van de Vw 2000.

Deze Richtlijn is bij Wet van 7 juli 2006 in de WWB geïmplementeerd door wijziging van artikel 11 van de WWB. Daarbij is aan het tweede lid van artikel 11 de zinsnede toegevoegd ‘met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG’.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ingevolge artikel 7 van de Richtlijn geen recht heeft op bijstand.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wet van 7 juli 2006, Kamerstukken II, zitting 2005/06, 30493 nr. 3 pagina 3) als volgt.

Artikel 7 van de Richtlijn heeft betrekking op een verblijf van langer dan 3 maanden doch korter dan 5 jaar in een ander EU-land.

Artikel 7 onderscheidt een drietal categorieën: a. economisch actieven, b. niet-actieven en c. studerenden. Ten aanzien van categorie b geldt als voorwaarde voor het verblijfsrecht dat betrokkene over voldoende eigen bestaansmiddelen zal moeten kunnen beschikken. Het verblijfsrecht eindigt, ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Richtlijn, wanneer niet langer aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Uit het derde lid van artikel 14 volgt evenwel dat een beroep op bijstand niet automatisch tot gevolg heeft dat het verblijfsrecht wordt beëindigd en betrokkene het land moet verlaten. Aan de verblijfsbeëindiging op die grond dient een expliciete beslissing vooraf te gaan, waarbij rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden van het geval en waarbij, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het proportionaliteitsbeginsel in acht dient te worden genomen. Zolang er geen beslissing is genomen tot beëindiging van het verblijfsrecht, bestaat er ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Richtlijn recht op bijstand op dezelfde voorwaarden als voor Nederlanders gelden.

Uit het voorgaande volgt dat de status van eiser als ‘niet actieve’ op zich niet aan bijstandsverlening in de weg hoeft te staan. Het is niet aan verweerder, maar aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst om, in geval bijstand wordt aangevraagd en verleend, te bezien of dit consequenties heeft voor het verblijfsrecht van eiser.

Het recht op bijstand moet naar het oordeel van de rechtbank door verweerder uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van artikel 11, tweede lid, van de WWB in samenhang met artikel 24 van de Richtlijn.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Richtlijn geniet iedere EU-burger dezelfde behandeling als de onderdanen van het gastland.

Artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG luidt als volgt:

‘In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.’

De rechtbank stelt vast dat eiser langer dan drie maanden in Nederland verblijft en dat hij geen studerende is.

Vervolgens ligt de vraag voor of eiser is aan te merken als werknemer in de zin van artikel 7 van de Richtlijn. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap is sprake van een werknemer indien deze reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens deze jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. In hoofdstuk B10, paragraaf 3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is nader omschreven wat wordt verstaan onder reële en daadwerkelijke arbeid. Uitgangspunt is zolang het merendeel van de inkomsten – bedoeld wordt meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – verkregen wordt uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit publieke middelen. Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel ook voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de beoordeling of eiser werknemer is in het onderhavige geval weliswaar niet expliciet heeft plaatsgevonden, maar dat er wel is gekeken of er sprake is van een dienstverband van eiser. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat bij voorgaande aanvragen van eiser zijn werknemerschap wel is beoordeeld. Uit een beoordeling van een uitdraai van Suwinet is gebleken dat eiser geen loonbelastingplichtig inkomen had en evenmin is gebleken van andere inkomsten, aldus de gemachtigde van verweerder.

Naar eigen zeggen heeft eiser in Nederland als muzikant gewerkt. Gelet op de door verweerder bij eerdere aanvragen verrichte beoordeling van het werknemerschap van eiser en mede gelet op de niet met verifieerbare gegevens onderbouwde stelling dat eiser als muzikant heeft gewerkt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het eerdere feitencomplex bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag om bijstand kunnen betrekken en over kunnen gaan tot een beperkte toetsing voor wat betreft het werknemerschap van eiser. Hieruit volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte, zodat hij niet viel aan te merken als werknemer in de zin van de Richtlijn. Evenmin is aangetoond of gebleken dat eiser zijn status als werknemer heeft behouden op grond van artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.

Voorts is uit de GBA-gegevens gebleken dat eiser niet vijf jaar ononderbroken op het grondgebied van Nederland heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder in beginsel afgaan op de GBA-gegevens, aangezien de gebruikers van de gegevens er op moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. In het door verweerder overgelegde GBA-overzicht wordt vermeld dat eiser is uitgeschreven uit het GBA onder de noemer ‘vertrek naar het buitenland’. Nu is dat weliswaar een standaardmelding die niet betekent dat eiser echt in het buitenland was, zo begrijpt de rechtbank de toelichting ter zitting van de gemachtigde van verweerder, maar dat neemt niet weg dat het op de weg van eiser had gelegen om met verifieerbare gegevens te onderbouwen dat hij een ononderbroken periode van vijf jaar op het grondgebied van Nederland heeft verbleven. Daarin is eiser in het onderhavige geval niet in geslaagd.

Gelet op het vorenstaande voldoet eiser niet aan het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de WWB en kan hij om die reden niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hieruit volgt dat eiser geen recht heeft op bijstand, zodat verweerder de aanvraag om bijstand naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft afgewezen.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiser ongegrond. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, mr. M.W. de Jonge en mr. E. Gottschal, rechters, en in het openbaar door haar uitgesproken op 7 februari 2011 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: hvk