Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP9428

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
18-650226-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling deels wegens fraude als penningmeester van een stichting tot werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Straf beduidend lager dan de eis. Geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf nu ook aan de overige leden van het bestuur van de stichting een en ander valt te verwijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/650226-10

datum uitspraak: 28 maart 2011

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. A.M. Crouwel

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [plaats] in 1951,

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2002 tot en met 21 april 2009, in

de gemeente Groningen, alt[verdachte] in Nederland,

meermalen, op verschillende tijdstippen, alt[verdachte] eenmaal, (telkens) met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening - middels een of meer

bankgiro-opdrachten en/of automatische afschrijvingen en/of accept-giro’s -

heeft weggenomen en/of heeft doen weggenomen na te noemen geldbedrag(en), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting Zwembad

Hoogkerk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, te weten

- op of omstreeks 13 februari 2009, een geldbedrag van 781,83 euro (bijlage B1

"[naam]”), en/of

- op of omstreeks 18 februari 2009, een geldbedrag van 1500,00 euro (bijlage

B2 "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 3 maart 2009, een geldbedrag van 425,00 euro (bijlage B3

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 30 april 2007, een geldbedrag van 2345,40 euro (bijlage B5,

"[naam]"), en/of

- op omstreeks 3 januari 2007, een geldbedrag van 3360,91 euro (bijlage B6,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 21 april 2009, een geldbedrag van 1441,39 euro (bijlage B8,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 21 april 2009, een geldbedrag van 374,99 euro (bijlage B8,

"[naam]”), en/of

- op of omstreeks 21 april 2009, een geldbedrag van 1441,39 euro (bijlage B8,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 12 januari 2009, een geldbedrag van 263,16 euro (bijlage B9,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 2 april 2009, een geldbedrag van 1060,40 euro (bijlage B13,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 23 januari 2008, een geldbedrag van 5.035,00 euro (bijlage

B17, "[naam]”), en/of

- op of omstreeks 14 november 2008, een geldbedrag van 2743,00 euro (bijlage

B19, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 23 januari 2008, een geldbedrag van 258,24 euro (bijlage

B22, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 5 september 2008, een geldbedrag van 356,50 euro (bijlage

B26, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 5 juni 2008, een geldbedrag van 386,00 euro (bijlage B29,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 28 oktober 2008, althans in of omstreeks de maand oktober

2008, een geldbedrag van 246,43 euro (bijlage B42, “[naam]”), en/of

- op of omstreeks 11 november 2008, althans in of omstreeks de maand november

2008, een geldbedrag van 149,11 euro (bijlage B43, “[naam]”), en/of

- op of omstreeks 14 juni 2007, een geldbedrag van 7.225,76 euro (bijlage B46,

"[naam]"), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 mei 2009, een of

meer geldbedragen tot een totaal van 4352,97 euro, althans een of meer

geldbedragen (bijlage B47 tot en met B73 facturen van “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand maart 2002, een geldbedrag van 4416,28 euro

(bijlage B74, “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand februari 2004, een geldbedrag van 3995,72 euro

(bijlage B75, “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand oktober 2003, een geldbedrag van 2.285,99 euro

(bijlage B78, “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand november 2004, een geldbedrag van 4.495.00 euro

(bijlage B79, “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand juni 2004, een geldbedrag van 1.006,44 euro

(bijlage B81, “[naam]”,

waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel, te weten genoemde

bankgiro-opdracht(en) en/of automatische afschrijving(en) en/of

accept-giro('s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2002 tot en met 21 april 2009, in

de gemeente Groningen, alt[verdachte] in Nederland,

meermalen, op verschillende tijdstipen, alt[verdachte] eenmaal, (telkens) opzettelijk

een of meer geldbedragen, te weten

- op of omstreeks 13 februari 2009, een geldbedrag van 781,83 euro (bijlage B1

"[naam]”), en/of

- op of omstreeks 18 februari 2009, een geldbedrag van 1500,00 euro (bijlage

B2 "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 3 maart 2009, een geldbedrag van 425,00 euro (bijlage B3

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 30 april 2007, een geldbedrag van 2345,40 euro (bijlage B5,

"[naam]"), en/of

- op omstreeks 3 januari 2007, een geldbedrag van 3360,91 euro (bijlage B6,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 21 april 2009, een geldbedrag van 1441,39 euro (bijlage B8,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 21 april 2009, een geldbedrag van 374,99 euro (bijlage B8,

"[naam]”), en/of

- op of omstreeks 21 april 2009, een geldbedrag van 1441,39 euro (bijlage B8,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 12 januari 2009, een geldbedrag van 263,16 euro (bijlage B9,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 2 april 2009, een geldbedrag van 1060,40 euro (bijlage B13,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 23 januari 2008, een geldbedrag van 5.035,00 euro (bijlage

B17, "[naam]”), en/of

- op of omstreeks 14 november 2008, een geldbedrag van 2743,00 euro (bijlage

B19, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 23 januari 2008, een geldbedrag van 258,24 euro (bijlage

B22, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 5 september 2008, een geldbedrag van 356,50 euro (bijlage

B26, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 5 juni 2008, een geldbedrag van 386,00 euro (bijlage B29,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 28 oktober 2008, althans in of omstreeks de maand oktober

2008, een geldbedrag van 246,43 euro (bijlage B42, “[naam]”), en/of

- op of omstreeks 11 november 2008, althans in of omstreeks de maand november

2008, een geldbedrag van 149,11 euro (bijlage B43, “[naam]”), en/of

- op of omstreeks 14 juni 2007, een geldbedrag van 7.225,76 euro (bijlage B46,

"[naam]"), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 mei 2009, een of

meer geldbedragen tot een totaal van 4352,97 euro, althans een of meer

geldbedragen (bijlage B47 tot en met B73 “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand maart 2002, een geldbedrag van 4416,28 euro

(bijlage B74, “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand februari 2004, een geldbedrag van 3995,72 euro

(bijlage B75, “[naam]” en/of

- in of omstreeks de maand oktober 2003, een geldbedrag van 2.285,99 euro

(bijlage B78, “[naam]” en/of

- in of omstreeks de maand november 2004, een geldbedrag van 4.495.00 euro

(bijlage B79, “[naam]”), en/of

- in of omstreeks de maand juni 2004, een geldbedrag van 1.006,44 euro

(bijlage B81, “[naam]”

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de

Stichting Zwembad Hoogkerk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking van/als voorzitter en/of penningmeester bij die Stichting

Zwembad Hoogkerk, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2002 tot en met 7 april 2009, in de

gemeente Groningen, althans in Nederland,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een of meer geld- en/of

pinautomaten heeft weggenomen een of meer geldbedragen, te weten

- op of omstreeks 10 januari 2009, een geldbedrag van 400,- euro (bijlage B9,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 10 januari 2009, een geldbedrag van 72,45 euro (bijlage B16,

"[naam]”), en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2008, een geldbedrag van 148,55 euro (bijlage B28,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 29 mei 2008, een geldbedrag van 129,90 euro (bijlage B31,

"[naam]", en/of

- in of omstreeks de periode van 11 oktober 2008 tot en met 7 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 586,53 euro (bijlagen B32, B33,

B34, B35 "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 6 november 2008, een of meer geldbedragen tot een totaal van

388,83 euro (bijlage B36 en B37, "[naam]"), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 11 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 834,59 euro (bijlagen B38 en B39

"[naam]"), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 11 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 265,23 euro (bijlage B40,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 15 november 2008, een geldbedrag van 270,- euro (bijlage

B41, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 11 mei 2002, een of meer geldbedragen tot een totaal van

1466,20 euro (bijlage B76, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 4 september 2003, een geldbedrag van 1240,20 euro (bijlage

B77, "[naam]")

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting

Zwembad Hoogkerk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel, namelijk (een) onbevoegd(e) en

niet met bovengenoemd doel door verdachte gebruikte bankpas(sen);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2002 tot en met 7 april 2009, in de

gemeente Groningen, alt[verdachte] in Nederland,

meermalen, op verschillende tijdstippen, alt[verdachte] eenmaal (telkens) opzettelijk

een of meer geldbedragen, te weten

- op of omstreeks 10 januari 2009, een geldbedrag van 400,- euro (bijlage B9,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 10 januari 2009, een geldbedrag van 72,45 euro (bijlage B16,

"[naam]”), en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2008, een geldbedrag van 148,55 euro (bijlage B28,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 29 mei 2008, een geldbedrag van 129,90 euro (bijlage B31,

"[naam]", en/of

- in of omstreeks de periode van 11 oktober 2008 tot en met 7 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 586,53 euro (bijlagen B32, B33,

B34, B35 "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 6 november 2008, een of meer geldbedragen tot een totaal van

388,83 euro (bijlage B36 en B37, "[naam]"), en/of

- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 11 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 834,59 euro (bijlagen B38 en B39

"[naam]” en/of

- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 11 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 265,23 euro (bijlage B40,

"[naam]"), en/of

- op of omstreeks 15 november 2008, een geldbedrag van 270,- euro (bijlage

B41, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 11 mei 2002, een of meer geldbedragen tot een totaal van

1466,20 euro (bijlage B76, "[naam]"), en/of

- op of omstreeks 4 september 2003, een geldbedrag van 1240,20 euro (bijlage

B77, "[naam]"),

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de

Stichting Zwembad Hoogkerk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking van/als voorzitter/penningmeester bij die Stichting Zwembad

Hoogkerk, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 4 november 2005 tot en met 16 april 2009,

in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer

geldbedragen tot een totaal van ongeveer 33.798,- euro, (waarvan

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 590,- euro middels

chipknip-opnames, en/of

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 4650,- euro middels

geldopnames bij een of meer geldautomaten, en/of

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 2000,- euro middels een

of meer zogenaamde pintransacties, en/of

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 26.558,19 euro middels

een of meer zogenaamde internetbankiertransacties),

alt[verdachte] een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte,

waarbij verdachte de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of goed(eren) al dan

niet telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse

sleutel, te weten een of meer bank- en/of chipknippassen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 4 november 2005 tot en met 16 april 2009,

in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 33.798,- euro, (waarvan

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 590,- euro middels

chipknip-opnames, en/of

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 4650,- euro middels

geldopnames bij een of meer geldautomaten, en/of

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 2000,- euro middels een

of meer zogenaamde pintransacties, en/of

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 26.558,19 euro middels

een of meer zogenaamde internetbankiertransacties),

alt[verdachte] een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te

weten als financieel administrateur van/voor die [slachtoffer] en/of

uit dien hoofde als rechtmatige bezitter van een bij de/een bankrekening(en)

van die [slachtoffer] behorende bankpas(sen), onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen door zich gelden toe te eigenen waar hij geen recht op had en daarbij gebruik/misbruik te maken van de bevoegdheden die hij had in het kader van zijn penningmeesterschap van de Stichting Zwembad Hoogkerk en als gemachtigde voor de bankrekening van zijn schoonmoeder.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat van het onder 1 ten laste gelegde feit slechts het onder het 9e, 10e, 18e en 24e gedachtestreepje ten laste gelegde (deels) bewezen kan worden verklaard. Voor wat betreft de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw gesteld dat de posten bij het 1e en 3e gedachtestreepje betalingen betreffen ten behoeve van vrijwilligers bij het zwembad dan wel materialen die door verdachte in het kader van zijn (administratieve) werkzaamheden voor het zwembad zijn gebruikt. De betalingen van de posten achter het 4e tot en met het 9e gedachtestreepje zijn betalingen aan verdachte waar hij recht op had. De mutatie onder het 10e gedachtestreepje heeft verdachte deels betwist en ten aanzien van het laatste gedachtestreepje heeft de raadsvrouw gesteld dat er in het dossier geen bewijsstuk aanwezig is dat deze nota van de rekening van het zwembad zou zijn betaald.

Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde heeft verdachte erkend dat hij (deels) ten eigen behoeve geld van zijn schoonmoeder heeft gebruikt.

Door en namens verdachte is nog aangevoerd dat hij tijdens de verhoren bij de politie zeer gestrest was en dat hij daardoor en mede door de ziekte van zijn partner niet in staat was zich volledig en rustig op het verhoor te concentreren. Daarbij was hij extra gehandicapt doordat hij niet over de administratie kon beschikken en alle vragen uit het hoofd moest beantwoorden.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting:

Met betrekking tot het geld van mijn schoonmoeder heb ik fout gehandeld.

Door liquiditeitsproblemen bij het zwembad ben ik met geldbedragen gaan schuiven. Daarbij heb ik ook de spaarrekening van mijn schoonmoeder betrokken.

De computer van de Westerkrant heb ik van de rekening van het zwembad betaald.

De machinerie bij het zwembad heeft regelmatig controle nodig, ook al gaat het deels automatisch. Ik besteedde ongeveer 15 uur gemiddeld per week aan onderhoud. Deze werkzaamheden kon ik op factuurbasis declareren. Ik heb daarvoor nota’s aan het zwembad gestuurd en die met fake omschrijvingen in de financiële administratie opgenomen, met het doel om de loonkosten van het zwembad zo laag mogelijk te houden. De reden hiervoor was dat de Gemeente Groningen subsidie verleende aan een vrijwilligersorganisatie. De Stichting Zwembad Hoogkerk kreeg hierdoor meer subsidie.

Ik heb in de jaren na 1997 veel telefoongesprekken gevoerd voor behoud van het zwembad. De kosten daarvan heb ik voor een deel in de periode van 2007 tot 2009 gedeclareerd bij het zwembad. Tevens heb ik inkomstenderving van mijn eigen bedrijf en reiskosten ten behoeve van het zwembad bij het zwembad gedeclareerd.

Ik kom uit op een bedrag van ongeveer 9000 euro waarvan ik zeg dat het niet klopt: o.a. de computer van de Westerkrant.

Ik heb kromme betalingen verricht. De betaling aan [naam] betrof geen spullen die voor het zwembad waren bedoeld, maar dit was een privé aankoop die van de rekening van het zwembad is betaald om btw-voordeel te behalen.

Het gaat om betalingen waarvan ik vind dat ik daar recht op heb: loonkosten waarvoor ik facturen heb gestuurd. Die bedragen heb ik versluierd in de administratie opgenomen omdat ik de loonkosten voor de stichting laag wilden houden.

Ik erken dat ik geld van de spaarrekening van mijn schoonmoeder rechtstreeks of indirect voor mijn eigen behoeften heb gebruikt. Ik heb daarin helemaal verkeerd gehandeld.

Vanwege liquiditeitsproblemen van het zwembad heb ik geld van de spaarrekening van mijn schoonmoeder gebruikt.

Ik heb met geld geschoven van diverse instanties en personen. Vanaf 2006 ben ik gaan schuiven. Uiteindelijk is een bedrag van ongeveer 14.000 euro overgebleven dat ik nog aan mijn schoonmoeder moet terugbetalen.

In feite had ik recht op loon en dat heb ik op deze manieren gerealiseerd.

- een proces-verbaal, d.d. 12 juni 2009, opgenomen als blz. 62 e.v. in het dossier met nummer 2009058060 (hierna aangeduid als politiedossier), inhoudende een verklaring van aangeefster [aangeefster]:

Ik doe aangifte namens de Stichting Zwembad Hoogkerk. Van medebestuurslid Henk Schreuder hoorde ik dat de rekening van de schoonmoeder van [verdachte] Vegter was opgelicht voor 20.000 euro.

Hierop heb ik de financiële administratie van het zwembad nagekeken via ‘exact online’ op internet. Ik zag dat er posten op stonden die daar niet thuis hoorden. De betreffende kosten die waren gemaakt hadden geen relatie met het zwembad. Het gaat om enorme bedragen.

Op 8 juni 2009 zijn we met de bestuursleden naar [verdachte] gegaan om verhaal te halen en de financiële stukken mee te nemen. [verdachte] zei dat hij zijn telefoongesprekken mocht vergoeden van de rekening van het zwembad. Dit was echter niet bij het bestuur bekend. Voor de verdere posten had [verdachte] geen verklaring.

Ik heb de administratie van anderhalf jaar doorgespit op facturen en dergelijke die ten onrechte ten laste van de Stichting zijn gebracht. De grootste post is een computer van ruim 6000 euro.

Volgens een door [verdachte] gemaakt overzicht is er een kostenpost van bijna 63.000 euro die nog open staat. Dit bedrag is echter veel te hoog, omdat [verdachte] vermoedelijk probeerde te camoufleren waar het geld van de stichting gebleven was.

Deze week heb ik een mail ontvangen van werknemer], werkzaam bij Essent. Hij gaf te kennen dat er een bedrag van € 46.188,82 open staat. Dit is dus nooit door [verdachte] als penningmeester betaald.

- een proces-verbaal, d.d. 16 september 2009, opgenomen als blz. 111 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van aangeefster [aangeefster]:

Ik doe aangifte tegen [verdchte]:

- het in maart 2002 laten repareren van een computer van hemzelf op kosten van het zwembad ten bedrage van € 4.416,28;

- het omstreeks februari 2004 laten onderhouden van een computer, niet van het zwembad, dan wel het aanschaffen van een nieuwe computer, die niet voor het zwembad werd aangeschaft ten bedrage van € 3.995,72;

- serviceopdracht ten behoeve van een computer die in gebruik is bij het zwembad ad € 1006,44 (juni 2004);

- aanschaf van een Miele wasmachine op kosten van het zwembad ad € 1.399,- en een grill voor een bedrag van € 67,20 (mei 2002);

- aanschaf van een vitrinekast en salontafel ad € 1.240,20 (september 2003);

- aanschaf van een Dell computer niet voor het zwembad, maar ten laste van het zwembad betaald voor een bedrag van € 2.285,99 (oktober 2003);

- betaling van een factuur gericht aan zijn bedrijf [[bedrijfsnaam]] ten laste van het zwembad ad € 4.495,- (november 2004).

Door deze betalingen is het zwembad, naast de in de hoofdaangifte genoemde contante bedragen nog eens extra door [verdachte] benadeeld.

- een proces-verbaal, d.d. 15 september 2009, opgenomen als blz. 115 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van getuige Geertje Carolina Wildervanck:

Behalve in het seizoen 2005 of 2006 als badmeester verrichtte [verdachte] verder geen betaalde werkzaamheden.

De werkzaamheden die hij op factureringsbasis verrichtte hadden alleen betrekking op zijn werkzaamheden als toezichthouder en golden alleen voor het seizoen 2003.

Wij kregen als bestuursleden een vrijwilligersvergoeding van 100 euro per jaar. Voor zover mij bekend werden wij, en dus ook [verdachte], niet betaald voor andere werkzaamheden.

Er waren geen afspraken gemaakt over contante betalingen aan [getuige] of andere werknemers.

Ik zag bij het doorspitten van de administratie dat [verdachte] zichzelf betaald had voor o.a. telefoonkosten. Dit is binnen het bestuur niet met [verdachte] afgesproken. Vanaf het moment dat ik in het bestuur zit, 1999, zijn daarover geen afspraken met hem gemaakt.

Alleen voor toezichthoudersuren werd hij door het zwembad betaald.

Aan [verdachte] zijn nimmer duurzame goederen zoals een computer, printer en kantoorartikelen ter beschikking gesteld voor het voeren van de administratie van het zwembad. Hij had daarvoor zelf apparatuur en werkte daarmee. Bij vergaderingen had hij meestal een Apple notebook bij zich.

[verdachte] heeft herhaaldelijk zichzelf betaald, waarvan het bestuur niet op de hoogte was.

Het is volstrekt onbekend dat [verdachte] privébetalingen voor het zwembad zou hebben gedaan.

Er waren geen afspraken met [verdachte] gemaakt over vergoeding van telefoonkosten, dat blijkt in elk geval niet uit de notulen.

[verdachte] is in mei 2009 uit het bestuur gezet. Sindsdien is er maar 1 storing in de machinekamer geweest. Het is op zijn minst opvallend dat het aantal meldingen zo sterk is afgenomen sinds [verdachte] weg is.

Het zwembad heeft nooit een wasmachine gehad. Ik deed de was thuis voor eigen rekening, al jarenlang.

Om maar geen gezeur met hem te krijgen nam je bepaalde beweringen die hij deed maar voor juist en correct aan, al had je misschien wel wat twijfels over de juistheid ervan.

- een proces-verbaal, d.d. 17 september 2009, opgenomen als blz. 79 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van getuige [getuige 1]:

[verdachte] werd volgens mij helemaal niet betaald voor zijn werkzaamheden voor het zwembad. Daar is binnen het bestuur ook nooit over gesproken.

Mij is niet bekend dat Vegter per 2003 op factureringsbasis is gaan werken. Voor zover mij bekend werd [verdachte] niet betaald voor zijn werkzaamheden; hij was tenslotte vrijwilliger. Als hij wel werd betaald dan deed hij dat op eigen titel en buiten medeweten van het bestuur.

Ik ben nooit contant betaald door [verdachte]. Als hij zegt dat ik aan het begin en het eind van het seizoen 1000 euro contant kreeg van hem, dan spreekt hij niet de waarheid.

[verdachte] was wel eens aanwezig als badmeester bij grote drukte, maar ik weet niet of hij daarvoor werd betaald. Daar waren geen afspraken over gemaakt in het bestuur. Ik kan me wel voorstellen dat hij werd betaald voor de uren dat hij als toezichthouder inviel.

Voor zover ik weet zijn er geen afspraken gemaakt over vergoeding van telefoonkosten van [verdachte]. Ik heb hier ook nooit iets van gemerkt sinds ik in het bestuur zit.

De door u genoemde aanduidingen waarmee [verdachte] zichzelf zou hebben betaald zeggen mij niets; die zijn mij onbekend.

Het is mij niet bekend, en [verdachte] had hiervoor geen toestemming, dat een factuur, gericht aan zijn bedrijf [bedrijfsnaam] en betrekking hebbend op de installatie van zijn computer, betaald mocht worden van de rekening van het zwembad. Evenmin had hij toestemming voor betaling van een bedrag van 5035 euro voor door hem verrichte werkzaamheden en voor door hem gedane privé betalingen ten behoeve van het zwembad. Het bestuur was daarvan niet op de hoogte.

We wisten niet dat hij loonkosten berekende, dus had hij er ook geen toestemming voor. Die airco van 386 euro staat bij zijn dochter [naam]. Hij had ook geen toestemming om met zijn zwembadbankpas goederen te kopen voor zijn dochter en die te verrekenen met zijn zogenaamde loonkosten.

Er bestond geen afspraak over vergoeding van telefoonkosten van [verdachte].

[verdachte] meldde wel eens storingen in de machinekamer op de bestuursvergaderingen, maar over vergoedingen voor werkzaamheden hiervoor is nimmer gesproken.

Van de aanschaf en betaling van een Apple computer voor € 4416,28 was mij niets bekend. Daar was uiteraard geen toestemming voor gegeven.

Hij heeft als penningmeester ons als bestuur behoorlijk voor de gek gehouden door zichzelf te betalen en betalingen te doen voor diensten die niet aan het zwembad zijn geleverd. Door de omschrijvingen die [verdachte] bij de betalingen deed bleven de betalingen aan hemzelf onopgemerkt voor ons als bestuur.

- een proces-verbaal, d.d. 3 augustus 2009, opgenomen als blz. 126 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Ik heb van 1998/1999 tot 2003 betaalde werkzaamheden voor het zwembad verricht, als badmeester. Verder werd ik betaald voor verrichte werkzaamheden aan de waterzuiverings-installatie.

Twee dingen zijn niet goed geweest: ik heb een aantal betalingen privé gedaan voor de woning van mijn dochter. Daarnaast heb ik een factuur betaald voor een computer van de Westerkrant.

In 2000 is [naam] penningmeester geworden. Omdat hij niet naar de wens van het bestuur werkte heb ik zijn functie tijdelijk overgenomen in 2000. Omstreeks 2000/2001 heeft Ko Bosscher het penningmeesterschap overgenomen tot ongeveer september 2002. Ik heb het toen van hem overgenomen.

Het bedrijf [bedrijfsnaam] is mijn eenmansbedrijf, een reclamebureau. Ik heb het bedrijf vanaf 2003.

Ik word betaald voor opstart en onderhoud van de waterzuiveringsinstallatie en voor badmeesterwerk.

De administratie/boekhouding gebeurde bij mij thuis. Ik heb een computer, kasten, ordners, printers, papier, cartridges en dergelijke gedeclareerd bij het zwembad.

- een proces-verbaal, d.d. 4 augustus 2009, opgenomen als blz. 133 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Rekeningnummer [nummer] is van de Stichting Zwembad Hoogkerk.

Rekeningnummer [nummer is van mijn bedrijf [bedrijfsnaam], daarnaast heb ik een kredietrekening die hieraan gekoppeld is.

Rekeningnummer [nummer] is volgens mij de spaarrekening van mijn schoonmoeder [slachtoffer].

Dat deze laatste rekening in de administratie van het zwembad staat komt door zo’n “kromme betaling”. Ik heb geld van de spaarrekening van mijn schoonmoeder op mijn privérekening gestort, waarna ik een rekening van het zwembad heb betaald vanaf mijn privérekening.

Rekeningnummer [nummer] is de privérekening van mij en mijn vriendin, op onze beider naam.

Rekeningnummer [nummer] is de betaalrekening van mijn schoonmoeder. Ik doe al 4 jaar haar administratie, ook telebankieren. Ik heb ook een betaalpas van deze rekening.

In 1996/1997 moest ik in verband met de renovatie erg veel bellen met diverse instanties. Ik mocht van het toenmalige bestuur een “groot gedeelte” van mijn telefoonrekening declareren bij het zwembad. Na de renovatie heb ik zitting genomen in allerlei commissies die een relatie hadden met het zwembad. Ik bleef dus nog erg veel vrijwilligerswerk doen en heb daarom de wijze van declareren voortgezet met stilzwijgende toestemming van het zwembadbestuur (bijl. B47 – B73).

Voor wat betreft de hoogte van bedragen die betaald moesten worden had ik vrij mandaat. Ik hoefde geen toestemming te vragen van het bestuur; er was geen maximum.

- een proces-verbaal, d.d. 4 augustus 2009, opgenomen als blz. 139 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

[naam] (bijl. B47 t/m B73)

Deze rekeningen zijn via automatische incasso ingehouden op de bankrekening van [[bedrijfsnaam]]. Een gedeelte van dit bedrag is via een gekopieerde factuur gedeclareerd bij het zwembad en overgeschreven op mijn privérekening. Ik heb dit zo gedaan; achteraf had dat niet gemoeten. Ik ben het met jullie eens dat het een hoge declaratie is (van januari 2009 t/m mei 2009 een bedrag van € 681,40).

Het klopt dat ik de facturen op deze manier heb verwerkt en het is ook juist dat dit niet zo had gemoeten. Ik ben het met jullie eens dat dit onjuist is geweest.

Een bedrag van € 265,24 (telefoonkosten van mij en mijn partner) is eveneens gedeclareerd. Totaal gaat het om € 946,64. Dit is door de jaren heen op basis van niet declareren van reiskosten zo gegroeid. Achteraf vind ik de kosten ook wel vrij hoog.

De betaling van € 781,83 d.d. 13 februari 2009 (bijl. B1, feit 1) ten behoeve van een cursus [naam] is ook een “kromme betaling”. In feite was dit een vergoeding aan mij voor verrichte werkzaamheden in de machinekamer. Er is geen factuur van een [naam] cursus; deze heeft namelijk nooit bestaan binnen het zwembad. Ik deed dit om de loonkosten lager te houden. Zodoende zou de gemeente een hogere subsidie verstrekken of ons niet dwingen de loonkosten te matigen.

Ik heb overigens vaker valsheid in geschrift gepleegd met het doel de aan mij uitbetaalde loonkosten minder te laten lijken dan ze in feit waren.

Ik bedoel de facturen van [naam] € 425,- (bijl. B3, feit 1) en ‘[naam] € 1500,- (bijl. B2, feit 1). Deze zijn opzettelijk onjuist door mij vermeld om de gemeente Groningen te misleiden.

Op dezelfde manier heb ik een betaling gedaan met een valse omschrijving. Ook om de gemeente Groningen om de tuin te leiden wat betreft de hoogte van de loonkosten. Op 30 april 2007 heb ik een factuur ten name van [naam] ten bedrage van € 2345,40 (bijl. B5, feit 1), overgemaakt op mijn privérekening. Ik heb deze kosten middels een correcte factuur van mijn bedrijf [bedrijfsnaam] bij het zwembad gedeclareerd en de betaling desondanks naar mijn privérekening gedaan onder vermelding van de onjuiste omschrijving.

Dit had niet gemoeten.

Op 3 januari 2007 heb ik een valse vermelding bij een overboeking vermeld. Dit betrof “[naam]” ten bedrage van € 3360,91 (bijl. B6, feit 1). Ik deed dit met precies dezelfde reden.

Het zijn gewoon vergoedingen voor werkzaamheden die ik heb verricht.

- een proces-verbaal, d.d. 5 augustus 2009, opgenomen als blz. 144 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Ik heb geld van de rekening van mijn schoonmoeder gehaald om een rekening voor het zwembad te kunnen betalen. Dit liet ik via mijn privérekening lopen. Het betrof werkzaamheden in april 2007. Dit heb ik recht getrokken in 2009, omdat de subsidie van de gemeente zo lang op zich liet wachten.

Ik heb ook voor privé doeleinden geld van de rekening van mijn schoonmoeder gehaald. Dit gaat om 10.000 tot 20.000 euro.

Op 10 januari 2009 heb ik een bedrag van € 400,- opgenomen van de zwembadrekening, met als omschrijving “vrijwilligers”. Ik heb dit geld voor mijzelf gebruikt, ik weet niet meer waarvoor (bijl. B9, feit 2).

De factuur van [naam] ad € 263,16 betrof de installatie van een nieuwe computer van mijn bedrijf [bedrijfsnaam], die daar ook op de inventarislijst staat. Ik heb dit ten laste gebracht van de zwembadrekening zonder toestemming van het bestuur, het was daarvan niet op de hoogte (bijl. B9, feit 1)

Op 2 april 2009 is een factuur van [naam] nr. 4.18456, ad € 1060,40 betaald vanaf de zwembadrekening. Ik heb bewust op naam van het zwembad de upgrade van [naam] besteld met de 5 cartridges. Ik was mij ervan bewust dat ik op dat moment de stichting benadeelde ten gunste van mijn bedrijf en dus van mijzelf (bijl. B13, feit 1).

- een proces-verbaal, d.d. 5 augustus 2009, opgenomen als blz. 151 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Een bedrag van € 5035,- is op 23 januari 2009 overgemaakt van de zwembadrekening naar die van [bedrijfsnaam] naar aanleiding van een factuur 270048. Ik vind het vreemd dat er geen factuur is. Ik toon u een kopie van die factuur. Ik heb over 2007 een aantal facturen van het zwembad van mijn privérekening betaald. Ik toon een overzicht. Het ging in totaal om € 7386,23. Nadat de subsidie van de gemeente kwam heb ik die betalingen recht getrokken door die te verrekenen met een factuur die ik aan het zwembad stuurde. Ik heb mijn verrichte werkzaamheden over 2007 (badmeester en machinekamer) ter grootte van 2731 euro verhoogd met 2303 euro. Dit laatste bedrag betrof een deel van het door mij voorgeschoten bedrag van 7386,23 euro (bijl. B17, feit 1).

De terugstorting van 2743 euro op 14 november 2008 naar mijn rekening van [bedrijfsnaam] gaat over werkzaamheden van september t/m november 2008. Ik heb bij de betaling vermeld “verkeerde rekening”. Het betrof een geretourneerd bedrag van [naam] over 2002/2003 aan het zwembad. Een week later ongeveer heb ik dit bedrag naar [bedrijfsnaam] overgeboekt. Ik deed dit om de loonkosten te drukken (bijl. B19, feit 1).

De factuur van [naam] nr 2008342 ad € 258,24 betreft cartridges voor een [naam] printer. Die waren bestemd voor de Westerkrant. Ik gebruik alleen een [naam] printer. Dit is een verkeerde tenaamstelling geweest. Ik heb de bestelling zelf gedaan. Ik heb opzettelijk de naam van het zwembad op de factuur laten zetten (bijl. B22, feit 1).

De telefoonkosten van de diverse providers die ik privé maakte of ten dienste van mijn bedrijf [bedrijfsnaam] heb ik (deels) gedeclareerd bij het zwembad, omdat ik ruim mocht declareren (bijl. B47 – B73, feit 1).

De betaling van een factuur van [naam] in september 2008 ad € 356,50. Er is geen factuur bekend. Ik weet niet wat dit is geweest (bijl. B26, feit 1).

Op 5 juni 2008 werd een airco betaald. Ik heb die samen met [betrokkene] gekocht. Ik heb de airco contant betaald. Vervolgens heb ik van de zwembadrekening € 386,- overgemaakt op mijn privérekening om er financieel beter van de worden (bijl. B 29, feit 1).

Op diverse data in oktober en november 2008 zijn diverse aankopen bij [naam] gedaan, klusartikelen. Deze betalingen heb ik gedaan met de pinpas van het zwembad. Het betrof materialen voor het opknappen van de kamer van mijn dochter. Ik betaalde van de rekening van het zwembad om btw-voordeel voor het zwembad te behalen (bijl. B32 t.m B35, feit 2).

Hetzelfde geldt voor de pinbetalingen aan [naam] (bijl. B36 en B37, feit 2).

Hetzelfde geldt ook voor de pinbetalingen bij [naam] (bijl. B38, B39, feit 2) en de betalingen betreffende [naam] (bijl. B40, feit 2).

Hetzelfde gold eveneens betalingen betreffende de [naam] voor het afhalen van afval afkomstig van de kamer van mijn dochter. Dit ging om facturen (bijl. B42 en B43, feit 1).

Ik heb mijn tegoed van het zwembad verrekend met deze kosten ([namen]). Ik weet dat dit absoluut niet klopt.

De factuur van 15 november 2008 van de [naam] betrof de stofzuiger van mijn dochter. De betaling gebeurde met de pinpas van het zwembad (bijl. B41, feit 2).

De factuur van 14 november 2008 (bijl. B19, feit 1) heb ik ingebracht als “tegenfactuur” voor de ingeleverde bonnen van [namen]. De omschrijving op die factuur (detachering en managementtaken augustus) staat voor de werkzaamheden die ik heb uitgevoerd in de maand augustus, bestaande uit badmeestersuren en werkzaamheden in de machinekamer.

De factuur van [naam] gericht aan het zwembad voor levering van zwembadonderdelen ter waarde van € 7225,76 is een “verkeerde factuur”. Het is een computer geweest voor de Westerkrant / Media Adviesbureau Van der Molen. Die computer staat bij mij thuis. Ik heb deze gekregen toen de Westerkrant ophield te bestaan. [Betrokkene 2] kon de factuur niet betalen en ik heb die voor hem betaald van de rekening van het zwembad. Tonnis zou het geld terugbetalen (bijl. B46, feit 1).

- een proces-verbaal, d.d. 6 augustus 2009, opgenomen als blz. 162 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Ik heb een bedrag van € 3012,19 van de rekening van mijn schoonmoeder gehaald en overgeboekt naar mijn privérekening (4e streepje , feit 3)

Op 10 januari 2009 heb ik 400 euro opgenomen van de rekening van het zwembad. Ik heb het voor eigen gebruik aangewend (bijl. B 9, feit 2)

Een opname van € 129,90 met de bankpas van het zwembad, met vermelding “[naam]”. Ik weet niet waarvoor dit was; het kan voor het zwembad geweest zijn (bijl. B31, feit 2).

- een proces-verbaal, d.d. 23 september 2009, opgenomen als blz. 170 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Ik heb geen duidelijke overzichten van mijn werkzaamheden aan het bestuur verstrekt. Ik had dit moeten doen, maar ik heb voor de werkzaamheden allerlei fictieve benamingen aan de facturen gegeven om de loonkosten laag te houden. De gemeente Groningen eiste dat deze kosten zo laag mogelijk zouden blijven. Ik zag dit als bedreiging voor het voortbestaan van het zwembad. Ik realiseer me dat dit hartstikke verkeerd is.

Het klopt dat de door mij aan mijzelf betaalde vergoedingen voor werkzaamheden in de machinekamer niet op de facturen waren vermeld.

De factuur van [naam] ad € 4416,28. Dit zal een computer geweest zijn. Ik heb een Apple computer gekocht op kosten van het zwembad met toebehoren. Ik heb deze privé gebruikt en ook voor het zwembad. Ik weet niet meer of dit met het bestuur is besproken, maar het zal zeker geen toestemming hebben gegeven voor de aanschaf van zo’n duur apparaat. Ik beken het feit te hebben gepleegd (bijl. B74, feit 1).

Ook de factuur ad € 3995,72 van [naam] “onderhoud 2004” moet een privé-uitgave voor mijzelf zijn geweest. Ik weet niet meer waarvoor dit is geweest. Ik beken het feit (bijl. B75, feit 1).

Hetzelfde geldt voor de factuur van [naam] ad € 1006,44 (bijl. B81, feit 1).

Ook voor eigen gebruik was de betaling van € 1466,20 aan [naam] (per pin) voor een wasmachine en een grillapparaat via de zwembadrekening (bijl. B76, feit 2).

Idem betreffende de betaling van € 1240,20 voor een kast en salontafel (bijl. B77, feit 2).

De factuur voor mijn bedrijf [bedrijfsnaam] van € 4495,- aan het zwembad heb ik van de rekening van het zwembad betaald. Ik weet niet meer precies waarom ik dat van die rekening heb betaald. Misschien had ik onvoldoende saldo op de bedrijfsrekening staan. Ik beken het feit (bijl. B 79, feit 1).

Ik en mijn partner hebben vanaf eind 2005 tot 1 juni 2009 het beheer over de bankrekeningen van mijn schoonmoeder gehad. We beschikten over een pinpas. Ik had die pas hoofdzakelijk.

De chipknipopnames (31 totaal) met pas nr. 003 van rekening 1144.82.977 heb ik alleen gedaan. Het totaalbedrag is 590 euro. Ik heb dit geld hoofdzakelijk gebruikt voor parkeren en kleine aankopen, zoals broodjes bij de Albert Heijn e.d. (1e streepje, feit 3).

In de periode van 4 november 2005 t/m 7 april 2009 heb ik 78 contante opnames gedaan tot een totaalbedrag van 4650 euro. Dat geld is in mijn portemonnee verdwenen. Ik heb het privé gebruikt. Ik beken dit strafbare feit (2e streepje, feit 3).

Overboeking van 8000 euro op 25 januari 2006 van de spaarrekening van mijn schoonmoeder naar mijn privérekening. Ik heb regelmatig geld overgeboekt en heen en weer geboekt. Dat heeft te maken met privé, [bedrijfsnaam] en het zwembad. Ik betaalde facturen van het zwembad privé, omdat het saldo van het zwembad onvoldoende was. Maar ik betaalde ook wel van het geld van mijn schoonmoeder. Ik deed hetzelfde ook wel via mijn bedrijf [bedrijfsnaam]. Ik ‘leende’ het geld van de rekening van mijn schoonmoeder. Ik beken de diefstal dan wel verduistering; ik ben alle grenzen uit het oog verloren.

Betalingen per bankpas tussen 8 november 2005 en 16 april 2009 bij diverse bedrijven tot een totaal van € 7410,91. Dit is een combinatie geweest van privé aankopen en aankopen voor mijn schoonmoeder. Ik kan mij niet alles herinneren, maar kom uit op een totaalbedrag van 2000 euro dat ik voor eigen gebruik heb aangewend. Ik beken dit bedrag te hebben gestolen / verduisterd (3e streepje, feit 3).

[Overzicht betalingen, overboekingen op pag. 178, totaal € 18.769,19]. Ik beken dat ik dit bedrag, op 211 euro na die wel correct was, heb gestolen/verduisterd.

Ik heb hiervoor geen goede verklaring. Ik had zoveel financiële nood dat ik zowel van links als van rechts de financiële ruimte heb gepakt die er was. De intentie is steeds geweest om terug te betalen. Ik heb hierbij de grenzen ruim overschreden.

- een proces-verbaal, d.d. 28 oktober 2009, opgenomen als blz. 180 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Ik kan niet expliciet terughalen waar ik de verduisterde € 33.798,19 van mijn schoonmoeder voor heb gebruikt. Ik heb het ene gat met het andere gedicht. Ik heb een bedrag van ongeveer 3000 euro gebruikt voor privéaankopen. Ik heb daardoor dus mijn levensstandaard verhoogd op kosten van het zwembad en van mijn schoonmoeder.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte was gemachtigd om namens de Stichting Zwembad Hoogkerk (hierna: het zwembad) betalingen te doen die betrekking hadden op voor het zwembad verrichte werkzaamheden en geleverde goederen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich, door betalingen te verrichten voor andere zaken dan die waarvoor hij bevoegd was, buiten de grenzen van zijn bevoegdheid is getreden en zich daardoor heeft schuldig gemaakt aan diefstal. Hij heeft als heer en meester beschikt over de gelden die hij wederrechtelijk van de bankrekening van het zwembad had overgemaakt op zijn privérekening.

Verdachte heeft een aantal pinbetalingen en transacties per bank door middel van telebankieren en het geven van betalingsopdrachten verricht ten laste van het zwembad en ten eigen behoeve. Dat volgens verdachte daar facturen aan ten grondslag lagen doet daaraan niets af.

Verdachte heeft in zijn verhoren bij de politie bekend dat alle in de tenlastelegging vermelde betalingen onrechtmatig zijn geweest en dat hij zich geld heeft toegeëigend waarvan niet voor 100% vaststaat dat hij daar recht op had. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat van een (beperkt) aantal betalingen niet kan worden vastgesteld dat deze onterecht waren, ondanks de bekennende verklaring van verdachte tijdens het opsporingsonderzoek. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank evenwel van oordeel dat het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Hieraan doet niet af dat in het opsporingsonderzoek kennelijk geen aandacht is besteed aan de onder het huidige bestuur van de Stichting berustende administratie over de jaren 2002 tot en met 2009.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 maart 2002 tot en met 21 april 2009, in de gemeente Groningen, meermalen, op verschillende tijdstippen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening - middels bankgiro-opdrachten en/of automatische afschrijvingen en/of acceptgiro’s - heeft weggenomen na te noemen geldbedragen, toebehorende aan de Stichting Zwembad Hoogkerk, te weten

- op of omstreeks 13 februari 2009, een geldbedrag van 781,83 euro (bijlage B1

"[naam]”), en

- op of omstreeks 18 februari 2009, een geldbedrag van 1500,00 euro (bijlage

B2 "[naam]"), en

- op of omstreeks 3 maart 2009, een geldbedrag van 425,00 euro (bijlage B3

"[naam]"), en

- op of omstreeks 30 april 2007, een geldbedrag van 2345,40 euro (bijlage B5,

"[naam]"), en

- op omstreeks 3 januari 2007, een geldbedrag van 3360,91 euro (bijlage B6,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 12 januari 2009, een geldbedrag van 263,16 euro (bijlage B9,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 2 april 2009, een geldbedrag van 1060,40 euro (bijlage B13,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 23 januari 2008, een geldbedrag van 5.035,00 euro (bijlage

B17, "[bedrijfsnaam] ontwerp en communica Factuur 270048), en

- op of omstreeks 14 november 2008, een geldbedrag van 2743,00 euro (bijlage

B19, "[bedrijfsnaam] ontwerp en communica, Gestort op verkeerde rekening"), en

- op of omstreeks 23 januari 2008, een geldbedrag van 258,24 euro (bijlage

B22, "[naam]"), en

- op of omstreeks 5 september 2008, een geldbedrag van 356,50 euro (bijlage

B26, "[naam]"), en

- op of omstreeks 5 juni 2008, een geldbedrag van 386,00 euro (bijlage B29,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 28 oktober 2008, althans in of omstreeks de maand oktober

2008, een geldbedrag van 246,43 euro (bijlage B42, [naam]), en

- op of omstreeks 11 november 2008, althans in of omstreeks de maand november

2008, een geldbedrag van 149,11 euro ([naam]), en

- op of omstreeks 14 juni 2007, een geldbedrag van 7.225,76 euro (bijlage B46,

"[naam]"), en

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 mei 2009, een of

meer geldbedragen tot een totaal van 4352,97 euro, althans een of meer

geldbedragen (bijlage B47 tot en met B73 facturen van “[namen]”), en

- in of omstreeks de maand maart 2002, een geldbedrag van 4416,28 euro

(bijlage B74, factuur “[naam]”), en

- in of omstreeks de maand februari 2004, een geldbedrag van 3995,72 euro

(bijlage B75, “[naam]”), en

- in of omstreeks de maand november 2004, een geldbedrag van 4.495.00 euro

(bijlage B79, “[naam]”), en

- in of omstreeks de maand juni 2004, een geldbedrag van 1.006,44 euro

(bijlage B81, “[naam]”,

waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten genoemde bankgiro-opdrachten en/of automatische afschrijvingen en/of acceptgiro’s;

2.

hij in de periode van 11 mei 2002 tot en met 7 april 2009, in de gemeente Groningen, meermalen, op verschillende tijdstippen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit geld- en/of pinautomaten heeft weggenomen geldbedragen, te weten

- op of omstreeks 10 januari 2009, een geldbedrag van 400,- euro (bijlage B9,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 10 januari 2009, een geldbedrag van 72,45 euro (bijlage B16,

"[naam]”), en

- op of omstreeks 7 oktober 2008, een geldbedrag van 148,55 euro (bijlage B28,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 29 mei 2008, een geldbedrag van 129,90 euro (bijlage B31,

"[naam]", en

- in of omstreeks de periode van 11 oktober 2008 tot en met 7 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 586,53 euro (bijlagen B32, B33,

B34, B35 "[naam]"), en

- op of omstreeks 6 november 2008, een of meer geldbedragen tot een totaal van

388,83 euro (bijlage B36 en B37, "[naam]"), en

- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 11 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 834,59 euro (bijlagen B38 en B39

"[naam]"), en

- in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 11 november 2008,

een of meer geldbedragen tot een totaal van 265,23 euro (bijlage B40,

"[naam]"), en

- op of omstreeks 15 november 2008, een geldbedrag van 270,- euro (bijlage

B41, "[naam]"), en

- op of omstreeks 11 mei 2002, een of meer geldbedragen tot een totaal van

1466,20 euro (bijlage B76, "[naam]"), en

- op of omstreeks 4 september 2003, een geldbedrag van 1240,20 euro (bijlage

B77, "[naam]")

dele toebehorende aan de Stichting Zwembad Hoogkerk,

waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, namelijk een niet met bovengenoemd doel door verdachte gebruikte bankpas;

3.

hij in de periode van 4 november 2005 tot en met 16 april 2009, in de gemeente Groningen, meermalen, op verschillende tijdstippen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer € 33.798,-waarvan

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 590,- euro middels chipknip-opnames, en

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 4650,- euro middels geldopnames bij een of meer geldautomaten, en

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 2000,- euro middels een of meer zogenaamde pintransacties, en

- een of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer 26.558,19 euro middels een of meer zogenaamde internetbankiertransacties),

toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte de weg te nemen geldbedragen telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bank- en/of chipknippas;

De rechtbank acht hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert de volgende strafbare feiten op:

1 primair, 2 primair en 3 primair telkens:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de onder 1, 2 en 3 telkens primair ten laste gelegde feiten te veroordelen tot 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Daarbij heeft zij met name aangevoerd dat verdachte zich over een reeks van jaren stelselmatig heeft verrijkt ten koste van het zwembad Hoogkerk en gemeenschapsgeld dat ten goede dient te komen aan de inwoners van Hoogkerk op schaamteloze wijze achterover heeft gedrukt. Tevens heeft hij misbruik gemaakt van het door zijn schoonfamilie in hem gestelde vertrouwen. Gelet op de aard, ernst en duur van de feiten is een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is betoogd dat bij bewezenverklaring van (slechts een klein deel van) de ten laste gelegde feiten een werkstraf passend is. Daarbij heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij aftrek van het ondergane voorarrest niet moet worden uitgegaan van 2 uur per dag, maar van een groter aantal uren, omdat de dagen van de inverzekeringstelling verdachte bijzonder zwaar zijn gevallen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Hoewel verdachte heeft verklaard eerder gelden te hebben verduisterd tot een bedrag van ƒ 80.000,- bij de toenmalige [naam bank], is niet gebleken dat verdachte eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde diefstallen, gepleegd in zijn hoedanigheid van penningmeester van de Stichting Zwembad Hoogkerk en als beheerder van de financiën van zijn schoonmoeder.

Aan verdachte kan worden nagegeven dat hij, zoals onder meer blijkt uit de verklaringen van de getuigen, veel werk heeft verzet voor de Stichting Zwembad Hoogkerk.

Anderzijds, en dat blijkt uit de thans bewezen verklaarde strafbare feiten, heeft hij zich in voormelde hoedanigheden gelden toegeëigend waarop hij geen recht had. Verdachte heeft aangevoerd dat hij, door de wijze waarop hij te werk ging om zichzelf voor zijn werkzaamheden te belonen, de loonkosten voor het zwembad zo laag mogelijk heeft gehouden. Hij heeft met dat motief ervoor gezorgd dat de gemeente Groningen meer subsidie verstrekte dan gerechtvaardigd was en daardoor heeft de gemeente Groningen feitelijk zijn, verdachtes, loonkosten voor haar rekening genomen. De rechtbank rekent verdachte dit aan, waarbij zij tevens, op grond van de in het strafdossier aanwezige gegevens en de verklaringen van verdachte, concludeert dat ook aan het bestuur van de Stichting een en ander valt te verwijten, omdat de jaarcijfers niet of nauwelijks door het bestuur werden gecontroleerd. Verdachte heeft, zoals naar het oordeel van de rechtbank uit het strafdossier voldoende aannemelijk is geworden, gesteld dat hij meerdere malen aan het bestuur heeft laten weten dat zijn werkzaamheden voor het zwembad hem eigenlijk te veel werden en dat hij assistentie behoefde. Blijkens de informatie in het dossier heeft het bestuur hier niet adequaat op gereageerd, waarop verdachte deze taken alleen is blijven vervullen

Het voorgaande maakt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend acht.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd, bestaande uit een werkstraf van aanzienlijk gewicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het pleidooi van de raadsvrouw, inhoudende een ruimere aftrek dan 2 uren per dag in verzekering doorgebracht, tegemoet te komen.

Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast een vrijheidsstraf opleggen, maar die geheel voorwaardelijk.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Feiten 1 en 2

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd de Stichting Zwembad Hoogkerk, gevestigd te Groningen.

De gemachtigde van de benadeelde partij, mr. M.R.P. Ossentjuk, heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust en deze ter zitting mondeling toegelicht. Hij heeft daarbij aangegeven dat de posten ‘Apple’ en ‘Dell’ mede in de civiele procedure tegen verdachte zijn opgevoerd en dat het de bedoeling is dat de hoogte van die vordering uiteindelijk in een schadestaatprocedure zal worden vastgesteld.

De vordering is ter terechtzitting gemotiveerd bestreden.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de posten ‘Apple’ en ‘Dell’ en tot afwijzing van de post ‘rechtsbijstand’ en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij niet van zodanig eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in dit strafproces, aangezien t[verdachte] niet kan worden vastgesteld hoe groot de gestelde schade uiteindelijk zal zijn, terwijl de omvang uiteindelijk afhankelijk is van de civiele schadestaatprocedure.

Hierop te wachten zal naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een onevenredige vertraging van het strafproces.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Feit 3

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd mw. [slachtoffer], wonende te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Namens verdachte heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering wordt erkend tot een bedrag van € 14.898,50.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, te weten een bedrag van € 16.512,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 14.898,50.

De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Het overige gedeelte van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank niet van zodanig eenvoudige aard, dat dit zich leent voor behandeling in dit strafproces.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag.

een gevangenisstraf voor de duur van ZES MAANDEN.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij Stichting Zwembad Hoogkerk, gevestigd te Groningen, in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Groningen, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 14.898,50 (zegge: veertienduizend achthonderdachtennegentig euro en 50 cent).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 14.898,50 (zegge veertienduizend achthonderdachtennegentig euro en 50 cent) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 109 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.898,50 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.W. Janssen, voorzitter, K.R. Bosker en S. Tempel, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2011.