Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP8236

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
18-670230-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor man die op klaarlichte dag. tussen het winkelend publiek, een andere man zwaar heeft mishandeld. De opgelegde gevangenisstraf is gelijk aan het voorarrest, zodat d eman niet opnieuw de gevangenis in hoeft.

De rechtbank legt hem daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 83 dagen. Door de officier van justitie is daarnaast een werkstraf van 120 uur gevorderd. Gelet op de aard van deze zware mishandeling acht de rechtbank een werkstraf niet passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670230-10 (promis)

datum uitspraak: 10 maart 2011

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. A.R.H. Baas

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1970,

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

6 september 2010, 2 december 2010 en 24 februari 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd

dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2010 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht op/tegen het hoofd heeft gestompt

en/of geslagen, (waardoor die [slachtoffer] is komen te vallen en/of (hard) met zijn

(achter)hoofd op het wegdek terecht is gekomen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 mei 2010 te Groningen

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een hersenkneuzing en/of

een schedelbreuk en/of een bloeding onder het hersenvlies) heeft toegebracht

door opzettelijk die [slachtoffer] meerdere malen, met kracht op/tegen het hoofd te stompen en/of te

slaan (waardoor die [slachtoffer] is komen te vallen en/of (hard) met zijn (achter)hoofd op het

wegdek is terechtgekomen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 mei 2010 te Groningen

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Zuiderdiep en/of Tweede

Drift, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en/of

[slachtoffer 2],

welk geweld bestond uit het (met kracht) stompen en/of slaan, en/of trappen

en/of schoppen, en/of (weg)duwen/trekken van die [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2],

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer], een of meermalen (met kracht) op/tegen het

hoofd heeft gestompt en/of geslagen (waardoor die [slachtoffer] is komen te vallen

en/of (hard) met zijn (achter)hoofd op het wegdek terecht is gekomen)

en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een hersenkneuzing,

een breuk in de schedel rechts, en/of een bloeding onder het harde

hersenvlies), althans enig lichamelijk letsel,

voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 mei 2010 te Groningen

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

opzettelijk mishandelend een of meer personen (te weten [slachtoffer] en/of

[slachtoffer 2], (met kracht) heeft gestompt en/of geslagen, en/of getrapt en/of

geschopt, en/of (weg)geduwd/getrokken,

tengevolge waarvan

- die [slachtoffer] (is komen te vallen en/of (hard) met zijn (achter)hoofd op het

wegdek terecht is gekomen en) zwaar lichamelijk letsel (een hersenkneuzing,

een breuk in de schedel rechts, en/of een bloeding onder het harde

hersenvlies), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden, en/of

- die [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat het eerste verhoor van verdachte heeft plaatsgevonden zonder tolk; deze verklaring mag niet gebruikt worden voor bewijs. Het tweede verhoor van verdachte is niet ondertekend, zodat ook die verklaring niet kan meewerken tot bewijs.

Ook een aantal getuigenverklaringen zijn niet ondertekend; die kunnen evenmin voor het bewijs worden gebruikt.

De strekking van de verklaring van verdachte is dat hij [slachtoffer] niet zodanig heeft geslagen dat deze daardoor is komen te vallen met het letsel als gevolg. Uit de medische gegevens van het slachtoffer blijkt dat deze (overmatig) alcohol en drugs heeft gebruikt; dit kan hebben

bijgedragen aan het vallen en dus aan het letsel. Het letsel is door de val van het slachtoffer ontstaan, maar de val werd veroorzaakt doordat deze struikelde en niet door het slaan door verdachte. Derhalve is er geen causaliteit tussen het slaan door verdachte en het ontstane letsel. Verdachte heeft niet het opzet op levensberoving en toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad.

Verdachte dient van het primair en het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde dient eveneens vrijspraak te volgen omdat er geen bewijs is van opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld. Ook is er geen bewijs dat verdachte [slachtoffer 2] zou hebben geslagen.

Met betrekking tot het meest subsidiair ten laste gelegde merkt de raadsvrouw op dat wel kan worden bewezen dat verdachte heeft geduwd, maar dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte], zodat medeplegen niet bewezen kan worden. Ook hier dient vrijspraak te volgen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2011:

De Somaliër rende weg. Ik ging achter hem aan, omdat ik het wapen wilde pakken. Hij stak het Zuiderdiep over. Toen ontstond opnieuw een vechtpartij. Hij stond achter een buspaal en probeerde zich daar achter te verdedigen.

- de verklaring van [medeverdachte], als getuige afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 september 2010:

We wilden bij Albert Heijn bij het Gedempte Zuiderdiep energiedrank halen. We liepen daar. Ik hoorde Ibrahim opeens zeggen: ‘daar zijn ze’. Ik liep naar ze toe en heb ze gevraagd wat er aan de hand was. Het waren een Nederlandse jongen en een donkere buitenlandse jongen. Ibrahim begon met de Nederlandse jongen te vechten. Die buitenlandse donkere jongen bemoeide zich ermee. Ze waren met zijn drieën aan het vechten.

- een proces-verbaal d.d. 31 mei 2010, opgenomen als blz. 137 e.v. in het dossier met nummer 2010050929 (hierna aangeduid als politiedossier), inhoudende een verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

[Verdachte] zag op het Zuiderdiep naast de Albert Heijn twee jongens lopen en rende op hen af. [Verdachte] was door het dolle heen en wilde alleen maar vechten.

- een proces-verbaal d.d. 2 juli 2010, opgenomen als blz. 140 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van aangever [slachtoffer]:

Op 28 mei 2010 ben ik naar Groningen gegaan. Ik weet nog dat ik ergens met een biertje in mijn hand stond. Ik kan mij ook herinneren dat die mannen mij toen voorbij liepen. Voor ik het wist werd er gevochten. Ik herinner mij alleen dat de grote man op mij afliep. Ik weet niet waar ik ben aangetroffen. Ik werd wakker op de intensive care.

Toen ik op de intensive care lag, hoorde ik van de dokter dat het weinig had gescheeld of ik was dood geweest.

- een proces-verbaal d.d. 3 juni 2010, opgenomen als blz. 122 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Wij liepen toen de straat van de Palace uit en staken het Gedempte Zuiderdiep over. We waren al bijna bij de AH. Ik was boos, ik was geslagen.

Ik liep naar de Somaliër, die wachtte op mij op de hoek voor de AH.

Ik sloeg hem met mijn vlakke hand in zijn gezicht. Hij viel hard op de grond.

- een proces-verbaal d.d. 29 mei 2010, opgenomen als blz. 52 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 1], getuige:

Ik hoorde geschreeuw vanuit een zijstraat van het Zuiderdiep. Ik zag toen dat vier mannen aan het vechten waren. Drie negroïde mannen en een licht getinte man.

De wat stevige negroïde man met een donkere/zwarte jas was zeer agressief. Ik zag dat hij meerdere malen met zijn vuist inhakte op twee andere mannen. Dit waren een negroïde man en de licht getinte man. Ik zag dat deze twee mannen steeds wegliepen, terwijl de stevige man steeds op hen aan het inslaan was.

De vier mannen kwamen al vechtend mijn richting op rennen. Mijn vriendin heeft vervolgens 112 gebeld. Op dat moment zag ik dat de vier mannen de straat uitrenden richting kruispunt Zuiderdiep. Ik zag dat de man die al eerder was geslagen door de stevige man achter een verkeerspaal op het Zuiderdiep ging staan. Ik zag dat de stevige man hem achter de paal wegtrok en hem vervolgens een harde vuistslag in zijn gezicht gaf. De man viel hierdoor achterover met zijn hoofd op het zebrapad.

- een proces-verbaal d.d. 29 mei 2010, opgenomen als blz. 55 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 2]:

Ik zag dat er een vechtpartij gaande was tussen 4 jongens, nabij de oversteekplaats op de plek waar die jongen later op de grond lag. Ik vermoedde dat het 2 tegen 2 was. Een dikke man en een man met een witte pet; de twee andere jongens hoorden ook bij elkaar, de jongen die op de grond lag en die bij hem was.

De dikke was in gevecht met de donkere jongen. De dikke sloeg de jongen een paar keer.

Ik heb niet gezien dat de jongen die werd geslagen ook terug sloeg. Ik zag dat de dikke de jongen hard sloeg terwijl hij de jas van die jongen vasthield. De jongen viel door de klap op de grond en bleef liggen. Deze klap heeft de jongen op zijn achterhoofd gekregen.

- een proces-verbaal d.d. 30 mei 2010, opgenomen als blz. 73 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 3], getuige:

Op 29 mei 2010 liep ik over het Zuiderdiep te Groningen, richting de AH.

Ik zag toen op het zebrapad voor de AH vier mannen staan, drie negroïde mannen en een wat blankere man, allen van buitenlandse afkomst (man 1: negroïde man met breed postuur, 1.85 m, donkere kleding; man 2: lichter getinte man, half lang haar, verwonding aan de rechterzijde van zijn gezicht, kleiner dan man 1, rond 1.80 m; man 3: de man die uiteindelijk op de grond lag, donker getint, donkere kleding; man 4: donkere kleding en jas, was donker getint).

Er werd naar elkaar geschreeuwd. Ik zag de dikkere man (man 1) man 3 sloeg, ik denk drie keer. Ik zag vervolgens dat man 1 man 3 een duw of klap gaf. Man 3 raakte uit balans en viel op de grond. Hij viel achterover op het zebrapad, eerst met zijn rug en toen met zijn hoofd tegen de grond. Ik hoorde dat zijn hoofd met een harde klap op de grond kwam. Gelijk na de klap lag de man geheel bewegingsloos op de grond.

- een proces-verbaal d.d. 1 juni 2010, opgenomen als blz. 86 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 4], getuige:

Ik zag dat vier mannen onze richting op renden. Ik zag dat man 2 (grote, brede donkere man, deze sloeg later de man 3 neer) met man 3 begon te vechten. Ik zag dat man 3 (de man die later op de grond lag) op een rare manier kwam vast te zitten aan een verkeerspaal. De grote brede man hield hem vast aan zijn handen; der verkeerspaal zat tussen man 2 en man 3 in. De grote man sloeg man 3 met een vuistslag tegen zijn hoofd. Man 3 viel hierop op de grond en bleef gelijk stil liggen.

- een proces-verbaal d.d. 8 juni 2010, opgenomen als blz. 106 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 5], getuige:

Er renden vier mannen door het straatje richting het Gedempte Zuiderdiep. Ik zag dat de grote forse negroïde man de kleine negroïde man drie keer hard sloeg. Ik zag ook dat de forse negroïde man een karatetrap aan de kleine negroïde man gaf. Ik zag dat hij de man tegen een lantaarnpaal aansloeg. Ik zag dat de kleine negroïde man wankelde en de forse negroïde man gaf hem toen nog een klap. Hierdoor viel de kleine negroïde man achterover met zijn hoofd op straat. Ik hoorde toen een heel eng geluid, net alsof een kokosnoot uit elkaar spatte. De kleine negroïde man bleef liggen.

- een proces-verbaal d.d. 8 juni 2010, opgenomen als blz. 109 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 6], getuige:

Eén van de mannen die langer was dan de rest ging achter een andere man aan. De man die achterna gezeten werd klom in een paal van een verkeersbord. De lange man gaf meerdere klappen aan de man die in de paal zat.

- een schriftelijk stuk, te weten een medische verklaring d.d. 21 juni 2006 betreffende [slachtoffer], opgemaakt door drs. T. Naujocks, coördinerend forensisch arts, inhoudende:

Bij uitgebreid onderzoek werden een hersenkneuzing, een breuk in de schedel rechts en een bloeding onder het harde hersenvlies rechts vastgesteld.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank leidt uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af.

Verdachte is naar [slachtoffer] toe gerend. Deze heeft zich achter een verkeerspaal opgesteld om zich te kunnen verdedigen. Blijkens de getuigenverklaringen heeft verdachte het slachtoffer vervolgens vastgepakt en hem enkele harde vuistslagen gegeven als gevolg waarvan het slachtoffer met zijn hoofd op straat is gevallen. De gevolgen van die val zijn in de medische verklaring omschreven als een hersenkneuzing, een breuk in de schedel rechts en een bloeding onder het harde hersenvlies rechts. Uit de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte het slachtoffer meerdere harde vuistslagen heeft toegediend in een situatie waarin het slachtoffer op dat moment niet in de gelegenheid was om te ontkomen doordat verdachte hem vasthield. Onder dergelijke omstandigheden heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hoofd is het meest kwetsbare deel van het lichaam. Bovendien waren de vuistslagen dusdanig hard dat het slachtoffer ten val is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de ten laste gelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen, nu uit de bewijsmiddelen niet het (voorwaardelijk) opzet gericht op de dood van het slachtoffer afgeleid kan worden.

De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring geen gebruik gemaakt van de verklaring van verdachte die hij bij de politie, zonder tussenkomst van een tolk, heeft afgelegd. Wel heeft de rechtbank de tweede verklaring van verdachte waarbij gebruik is gemaakt van een tolk in de Engelse taal, mede voor bewijs gebruikt. De stelling van de raadsvrouw dat de niet ondertekende verklaring niet mag meewerken tot bewijs is onjuist. Verdachte heeft immers de verklaring niet ondertekend op advies van zijn raadsvrouw en niet, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, omdat hij het met de inhoud van de op schrift gestelde verklaring niet eens zou zijn. Dat laatste blijkt niet uit het dossier.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 mei 2010 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een hersenkneuzing en een schedelbreuk en een bloeding onder het hersenvlies) heeft toegebracht door opzettelijk die [slachtoffer] meerdere malen, met kracht tegen het hoofd te stompen en/of te slaan waardoor die [slachtoffer] is komen te vallen en hard met zijn hoofd op het wegdek is terechtgekomen;

De rechtbank acht hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert het volgende strafbare feit op:

Zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Namens verdachte is aangevoerd dat hij heeft gehandeld ter verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waardoor er sprake is van noodweer en dat hij ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.

Verdachte werd aangevallen door het slachtoffer en heeft daarbij enkele kwetsuren opgelopen aan zijn hals en been. Op die grond was hij gerechtigd zich te verdedigen. Bij de daarop volgende vechtpartij is het slachtoffer weliswaar met zijn hoofd op het wegdek gevallen, maar de val werd niet veroorzaakt door toedoen van verdachte, maar doordat het slachtoffer een ongelukkige stap heeft gezet, waardoor hij over zijn eigen benen struikelde.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte, nadat hij tot twee keer toe door het slachtoffer was aangevallen, handelde als gevolg van een hevige gemoedsbeweging waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Daarbij heeft de raadsvrouw nog gesteld dat zowel verdachte als het slachtoffer onder invloed van alcohol was.

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is geweest van noodweer of noodweerexces, omdat verdachte in het treffen met het slachtoffer waarbij slachtoffer ten val kwam, de agressor is geweest en hem dus feitelijk geen beroep op noodweer toekomt.

Uit de verklaringen van de voornoemde getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] blijkt dat het verdachte was die achter het slachtoffer is aan gelopen en hem meerdere vuistslagen heeft gegeven. Op dat moment was er, blijkens de bewijsmiddelen, geen sprake van een aanval, gericht tegen verdachte door het slachtoffer en daarom was er ook geen sprake van een noodsituatie.

Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Nu er geen sprake is van noodweer komt de rechtbank niet toe aan het verweer dat er sprake zou zijn geweest van noodweer-exces.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, 187 dagen, met aftrek, alsmede een werkstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis.

Daarbij heeft zij met name aangevoerd dat het gaat om een ernstig feit, gepleegd op klaarlichte dag op de openbare weg en waarvan veel mensen getuige zijn geweest.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is betoogd dat, nu het ten laste gelegde niet kan worden bewezen, vrijspraak dient te volgen en subsidiair dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, waarbij het slachtoffer zeer ernstig letsel heeft opgelopen, zoals blijkt uit de medische verklaring. Er is sprake van een ernstige uitbarsting van agressie midden op de dag in het centrum van de stad, waar op dat moment veel mensen aanwezig waren. Uit de verklaringen die de verschillende getuigen hebben afgelegd blijkt dat zij behoorlijk zijn geschokt door het gedrag van verdachte en de gevolgen daarvan. Met name blijkt dit uit de omschrijving die enkele getuigen gaven van het geluid dat ze hoorden toen het slachtoffer met zijn hoofd op straat viel.

Onder deze omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook een forse vrijheidsstraf te worden opgelegd. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen, mede gelet op de strafrechtelijke documentatie. De rechtbank acht een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, gelet op de ernst van het feit niet passend.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het in het kader van deze strafzaak inbeslaggenomene, te weten een zwarte ploertendoder, moet worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet of het algemeen belang.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een zwarte jas met nummer 116858, moet worden teruggegeven aan [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een paar schoenen merk Jordan (nr. 116865), een zwart shirt merk Pro X (nr. 116866) en een zwarte spijkerbroek mark Karl Kani (nr. 116867), moet worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWEEHONDERDZEVENTIG DAGEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 83 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

een zwarte ploertendoder.

Gelast de teruggave van:

een zwarte jas met nummer 116858 aan [slachtoffer].

Gelast de teruggave van:

een paar schoenen merk Jordan (nr. 116865),

een zwart shirt merk Pro X (nr. 116866) en

een zwarte spijkerbroek mark Karl Kani (nr. 116867) aan veroordeelde.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J.M.M. van Woensel, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en G. Eelsing, rechters, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2011.