Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP7364

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
460799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderhandse akte. Voldoende stellige ontkenning in de zin van artikel 159 lid 2 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 460799 \ CV EXPL 10-11218

Vonnis d.d. 3 februari 2011

inzake

A, h.o.d.n. [naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser, hierna A te noemen,

gemachtigde De Jong-KamphuisMenderink B.V., gerechtsdeurwaarders te Almelo,

tegen

B,

wonende te [adres],

gedaagde, hierna B te noemen,

gemachtigde mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen

PROCESGANG

A heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd B te veroordelen tot betaling van € 1.710,17 met rente, met zijn veroordeling in de kosten van het geding.

B heeft geantwoord met conclusie tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van A in de kosten van het geding.

Partijen hebben respectievelijk gerepliceerd en gedupliceerd, waarna vonnis bepaald.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. A, handelaar in sieraden, heeft in mei 2010 op de markt in Zuidbroek van B, die daar was in het gezelschap van zijn vriendin en haar ouders, een ketting met bijpassende armband gekocht en daarvoor aan hem contant een bedrag van € 1320,-- betaald.

In de maand mei hebben partijen elkaar weer op de markt ontmoet. B, die ook toen weer in het gezelschap van zijn vriendin en haar ouders was, heeft toen een stuk getekend.

Door A is overgelegd een onderhandse akte met de volgende inhoud:

" Zuidbroek 24-05-2009

C,

[adres]

Groningen

Betaald aan A

Het bedrag van € 1320 terug te betalen binnen 6 à 7 maanden

24-5-2009

(handtekening) [telefoonnummer]

[telefoonnummer]"

De standpunten van partijen

2. A stelt dat B hem de sieraden te koop heeft aangeboden met de uitdrukkelijke mededeling dat deze van goud waren. Hij heeft ze ter plekke bestudeerd maar kon met het blote oog niet vaststellen of de sieraden echt waren of niet. Hij heeft ze daarom gekocht onder de ontbindende voorwaarde dat ze van goud waren. B heeft daarmee ingestemd. A heeft het telefoonnummer van B en het telefoonnummer van zijn vriendin gekregen.

Na thuiskomst heeft hij de sieraden gecontroleerd en daarbij bleek dat ze niet van goud waren. Hij heeft telefonisch contact gezocht met B, maar deze nam niet op. Daarop heeft hij gebeld met de vriendin van B, maar deze vertelde dat zij geen bemoeienis had met de kwestie en dat de relatie was verbroken. B zou zijn vertrokken en zij was niet op de hoogte van zijn verblijfplaats.

Een aantal weken na de aankoop zag hij B weer met zijn vriendin en haar ouders op de markt in Zuidbroek. Hij heeft hem gezegd dat hij het aankoopbedrag terug wilde, maar B zei niet meer over het bedrag te beschikken. Hij heeft B toen voor de keuze gesteld: of een regeling treffen of hij zou bij de politie aangifte doen van oplichting. Partijen zijn toen overeengekomen dat B het bedrag in 6 tot 7 maandelijkse termijnen zou terugbetalen. Door partijen is een onderhandse akte opgesteld die door B in aanwezigheid van A, zijn vriendin, haar ouders en verschillende marktkooplui heeft ondertekend. Partijen zijn overeengekomen dat na de betaling de sieraden zouden worden geretourneerd.

Er is bij die tweede ontmoeting over en weer flink gediscussieerd, maar van dwang was geen sprake. B, die op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de sieraden niet van goud waren, had zich moeten realiseren dat er een reële kans was dat hij zou worden aangesproken op het verkopen van nep gouden sieraden.

A stelt recht op te hebben op terugbetaling van het aankoopbedrag. Daarnaast maakt hij aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten die hij heeft moeten maken omdat B met betaling in gebreke bleef.

3. B betwist primair de authenticiteit van de onderhandse akte. Hij heeft, onder druk van A, die hem van alles en nog wat beschuldigde, ergens een krabbel op gezet omdat hij er dan vanaf zou zijn. Hij is zeker niet akkoord gegaan met terugbetaling van de aankoopsom. De schuldbekentenis waar A zich op beroept heeft hij dan ook niet ondertekend en de handtekening daarop komt ook niet overeen met zijn handtekening. De akte kan dus niet als bewijs van de stellingen van A gelden.

Voor zover mocht worden aangenomen dat er sprake is van een overeenkomst als verwoord in de onderhandse akte stelt B dat deze overeenkomst tot stand is gekomen op grond van dwaling; als hij geweten had dat hij een soort blanco cheque had ondertekend had hij dat natuurlijk nooit gedaan. Gezien het feit dat er sprake was van een dreigende sfeer op de markt en hij bedreigd werd zijn handtekening te zetten beroept hij zich ook op bedrog. Men zou het zelfs misbruik van omstandigheden kunnen noemen. Het feit dat hij de ketting niet terug heeft gekregen wijst er op dat er iets niet in de haak is.

Overigens staat niet vast dat de sieraden niet van goud waren.

De beoordeling

4. De enkele stelling, voor het eerst geuit bij conclusie van dupliek, dat niet vast staat dat de sierden niet van goud waren vormt een onvoldoende betwisting van de stelling van A. De kantonrechter gaat er daarom vanuit de sieraden niet van goud waren.

5. Het voornaamste verweer van B kan worden gekwalificeerd als een beroep op artikel 159 lid 2 Rv: een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is.

De vraag is echter of hetgeen door B is gesteld kan worden beschouwd als een stellige ontkenning als in dat artikel bedoeld. B betwist weliswaar dat hij zijn handtekening op de schuldbekentenis heeft gezet, maar erkent dat hij op het bewuste moment "ergens" een handtekening op heeft gezet. Over de vraag op wat voor stuk dat betrof geeft B geen enkele duidelijkheid. Daarbij komt dat hij, voor het geval mocht komen vast te staan dat hij wel de schuldbekentenis heeft ondertekend een beroep doet op een aantal wilsgebreken. Dat levert naar het oordeel van de kantonrechter een innerlijke tegenstrijdigheid op ook al is het tweede verweer subsidiair gedaan. Het zijn twee verweren die niet kunnen samen gaan: je kunt niet zeggen dat je iets niet gedaan hebt en daarnaast dat je gedwongen bent om het te doen. In ieder geval is er bij een dergelijke opstelling geen sprake van de voor het beroep op artikel 159 lid 2 noodzakelijke stellige ontkenning. De conclusie is dat de onderhandse akte voldoende bewijs levert van de stelling van A dat B aan hem heeft toegezegd het aankoopbedrag van €1320,-- terug te betalen.

6. B heeft nog een beroep gedaan op respectievelijk dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.

Ten aanzien van de dwaling stelt B dat tegen hem gezegd is dat hij moest tekenen en dat hij er dan vanaf was. Gezien de duidelijke tekst van de akte, waarin staat dat hij het aankoopbedrag zal terugbetalen, wordt dit beroep verworpen.

B doet daarnaast een beroep op bedrog omdat er sprake was van een dusdanige dreiging dat hij genoodzaakt was zijn handtekening te zetten. Ook dit beroep wordt verworpen. Allereerst omdat bedrog niet zozeer ziet op bedreigen als op bedriegen. Maar ook indien B bedoelt een beroep te doen op bedreiging wordt dit verworpen. B bevond zich op het moment van ondertekening op klaarlichte dag, samen met zijn vriendin en haar ouders, die ook bij de verkoop aanwezig waren geweest, op de markt in Zuidbroek. In die situatie acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat A B op onrechtmatige wijze heeft kunnen bewegen het stuk te tekenen.

Het beroep op misbruik van omstandigheden is in het geheel niet onderbouwd en wordt alleen al op die grond verworpen.

7. Dat A pas bereid is tot teruggave van de ketting nadat B de aankoopsom het terugbetaald komt de kantonrechter niet vreemd voor.

8. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van A voor wat betreft de hoofdsom zal worden toegewezen.

9. De vordering ter zake van de incassokosten is niet betwist en zal daarom ook worden toegewezen.

10. B zal, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt B tegen voldoende bewijs van kwijting aan A te betalen het bedrag van € 1710,17, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 1.320,-- vanaf de dag van dagvaarding, 1 juni 2010, tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt B in de kosten van deze procedure die tot aan de dag van deze uitspraak

aan de zijde van A worden vastgesteld op € 96,26 aan explootkosten, € 208,00 aan griffierecht en € 300,00 wegens gemachtigdensalaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en op 3 februari 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: GgvB

coll: