Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP4560

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
119463/FA RK 10-1615
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie.

Bij de inkomsten van de vrouw wordt uitgegaan van hetgeen zij momenteel verdient en van hetgeen zij tot voor kort verdiende en binnen afzienbare tijd ook weer zal kunnen verdienen.

Bij de man wordt rekening gehouden met een arbeidsloze periode.

In de uitkering krachtens het Tijdspaarfonds is de vakantietoeslag verdisconteerd.

Draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 119463/FA RK 10-1615

beschikking d.d. 25 januari 2011

in de zaak van:

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.A.M. Staal-Olislaegers,

en

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. E. Henkelman.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 30 juni 2010 een verzoekschrift ingediend ertoe strekkende, dat de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil wordt gesteld, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, doch met een maximumbedrag van bruto € 716,- per maand, kosten rechtens.

Op 7 september 2010 heeft de vrouw een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek.

Daarbij heeft zij verzocht om het verzoek van de man af te wijzen en de door deze rechtbank op 24 april 2007 onder nummer 93104/FA RK 07-578 gegeven beschikking voor zover het de daarin bepaalde partneralimentatie betreft te wijzigen en - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen A. en B. vast te stellen op € 265,- per kind per maand en de bijdrage in de kosten van haar eigen levensonderhoud op bruto € 650,13 per maand, steeds te voldoen vóór de eerste van iedere maand.

De vrouw heeft ook verzocht om te bepalen, dat de eventuele kosten van de tenuitvoerlegging van de alimentatiebeslissingen voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem worden veroorzaakt.

De man heeft op 5 oktober 2010 een verweerschrift ingediend tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw.

Daarbij heeft hij verzocht om het door de vrouw verzochte af te wijzen, dan wel zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen op maximaal

€ 265,- per kind per maand, kosten rechtens.

Op 8 november 2010 is ter griffie een brief met bijlagen d.d. 5 november 2010 van

mr. Staal-Olislaegers ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 16 november 2010.

Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen en gehoord.

Ter griffie is op 23 november 2010 een brief met bijlagen d.d. 22 november 2010 van

mr. Henkelman ontvangen.

Op 29 november 2010 is ter griffie een brief d.d. 26 november 2010 van

mr. Staal-Olislaegers ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit hun huwelijk zijn in de toenmalige gemeente Winschoten, thans gemeente Reiderland, twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren. Bij beschikking van deze rechtbank van 24 april 2007 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Hun huwelijk is op 26 juni 2007 geëindigd door inschrijving van deze beschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Bij meergenoemde beschikking is bepaald dat partijen zijn overeengekomen zoals is vermeld in het van die beschikking deel uitmakende echtscheidingsconvenant, dat op 19 februari 2007 door partijen is ondertekend.

In dat convenant zijn partijen onder meer overeengekomen, dat de man met ingang van

1 maart 2007 maandelijks met een bedrag van bruto € 1.075,- - bij vooruitbetaling te

voldoen - dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en dat hij, gelet op de hoogte van voormelde bijdrage over onvoldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

beoordeling

ontvankelijkheid

De man baseert zijn verzoek op gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel

1:401 lid 1 BW.

Hetgeen door de man ten grondslag is gelegd aan zijn verzoek (verminderde inkomsten en samenwoning met een nieuwe partner) is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om hem in het verzoek te ontvangen en zijn draagkracht opnieuw te beoordelen.

de kinderalimentatie

Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn, dat de man vanaf de datum waarop hij zijn verzoekschrift heeft ingediend (30 juni 2010) maandelijks met het door de vrouw verzochte bedrag van € 265,- per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige kinderen.

De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen.

de partneralimentatie

de behoeftigheid en de behoefte

Tussen partijen is niet in geschil, dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode van hun huwelijk € 2.708,- per maand bedroeg en dat de behoefte van de vrouw (afgerond) € 1.307,- per maand bedraagt, zijnde 60% van het bedrag van € 2.178,- dat resteert na aftrek van de totale behoefte van de kinderen van € 530,-.

De man heeft gesteld dat de vrouw met haar huidige inkomsten in staat is om zelf volledig in haar behoefte te voorzien, dan wel in een belangrijk deel daarvan.

De vrouw heeft dit uitdrukkelijk bestreden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat haar inkomsten vanaf januari 2010 door het wegvallen van de werkzaamheden voor de familie C. structureel zijn gedaald ten opzichte van de inkomsten in 2009 en dat er op dit moment niet direct mogelijkheden voor haar zijn om het huidige aantal werkuren uit te breiden.

De rechtbank houdt daarom thans rekening met de huidige inkomsten van de vrouw van gemiddeld bruto (afgerond) € 1.093,- per maand (€ 300,- bij mevrouw D., inclusief 8% vakantietoeslag € 296,-, bij T. volgens de salarisspecificaties over de periodes van 19 juli tot en met 15 augustus 2010, 16 augustus tot en met 12 september 2010 en 13 september tot en met 10 oktober 2010 en € 497,- bij F.).

De rechtbank acht het echter aannemelijk dat de vrouw in staat zal zijn om op de langere termijn vervangende soortgelijke werkzaamheden te vinden en daarmee een vergelijkbaar inkomen zal kunnen genereren als toen zij nog voor de familie C. werkte.

Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 52,- per maand, zijnde de helft van het verschil tussen de huidige inkomsten van de vrouw bij T. en de inkomsten bij deze instelling toen de vrouw nog voor de familie C. werkte, een bedrag van gemiddeld bruto (afgerond) € 400,- per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

De totale maandelijkse bruto-inkomsten van de vrouw bedragen derhalve € 1.145,-.

Zij is dus nog steeds behoeftig en heeft behoefte aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

In verband met de berekening van de draagkracht van de man liggen de volgende punten ter beoordeling voor:

a. de inkomsten

b. de nieuwe partner, de woonlasten, de norm en het draagkrachtpercentage

a. de inkomsten

De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ter beperking van zijn reistijd, maar vooral in verband met zijn aanhoudende rugklachten, is overgestapt van O.. (bij welk bedrijf een doorstart is gemaakt na faillissement ) naar zijn huidige werkgever en dat het verlies in salaris daarbij beperkt is gebleven. In ieder geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies.

De rechtbank gaat uit van het gemiddelde salaris, dat de man per vier weken verdient volgens de salarisspecificaties over de periodes van 21 juni tot en met 18 juli 2010, 19 juli tot en met 15 augustus 2010, 16 augustus tot en met 12 september 2010 en 13 september tot en met 10 oktober 2010. Op maandbasis resulteert dit in een bedrag van € 2.988,96.

Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om ervan uit te gaan, dat de man dit salaris gedurende tieneneenhalve maand per jaar ontvangt en dat hij de resterende anderhalve maand in verband met het ontbreken van werk door winterse omstandigheden, is aangewezen op een Werkloosheidswetuitkering van 75% van dat salaris, op maandbasis een bedrag van

€ 2.241,72, dus in totaal € 3.362,86.

Naast voormelde inkomsten ontvangt de man maandelijks uit het Tijdspaarfonds een bedrag van bruto gemiddeld € 469,-. De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde salarisspecificaties en de daarop door of namens de man gegeven toelichting voldoende aannemelijk is geworden, dat in dit bedrag de vakantietoeslag reeds is verdisconteerd.

b. de nieuwe partner, de woonlasten, de norm en het draagkrachtpercentage

Niet in geschil is dat de huidige partner van de man in haar eigen levensonderhoud voorziet.

De rechtbank gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de helft van het eigen woningforfait, hypotheekrente en forfait eigenaarlasten, de alimentatievrije voet naar de norm van een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%.

de draagkrachtberekeningen en de vergelijking van de draagkracht

Gelet op het vorenoverwogene en op grond van de overgelegde en niet dan wel onvoldoende, bestreden financiële gegevens, komt de rechtbank tot brutoberekeningen van de draagkracht van partijen volgens het INA-alimentatieberekeningsprogramma (versie 2010-2) en een draagkrachtvergelijking.

Op grond van de draagkrachtberekeningen en de draagkrachtvergelijking, die aan deze beschikking zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, houden partijen maandelijks ongeveer evenveel vrij te besteden over wanneer de man met een bedrag van (afgerond) € 442,- per maand bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Gelet op zijn draagkracht kan de man echter - rekening houdende met het fiscale voordeel waarop hij aanspraak kan maken - maximaal maandelijks met een brutobedrag van € 411,- in voormelde kosten bijdragen. De rechtbank zal daarom deze bijdrage vaststellen.

de ingangsdatum

In een zaak als de onderhavige is het gebruikelijk om een wijziging van de alimentatieverplichting te laten ingaan vanaf het moment waarop het daartoe strekkende verzoek is ingediend, 30 juni 2010.

Er kunnen niettemin redenen zijn om de alimentatie met ingang van een andere datum vast te stellen. In hetgeen is aangevoerd vindt de rechtbank geen aanleiding om een andere ingangsdatum - de man kon er vanaf deze datum rekening mee houden dat hij een dergelijke bijdrage zou moeten voldoen - te hanteren dan voormelde ingangsdatum.

de invorderingskosten

Het verzoek om (op voorhand) te bepalen dat bij niet-tijdige betaling de invorderingskosten voor rekening van de man komen zal de rechtbank afwijzen, omdat niet aannemelijk is dat de man zijn verplichting niet zal nakomen.

de proceskosten

Omdat partijen voormalige echtgenoten zijn worden de proceskosten in die zin gecompenseerd, dat ieder van hen de eigen kosten dient te dragen.

BESLISSING

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 april 2007 en bepaalt dat de man vanaf

30 juni 2010 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen van partijen (voor zover de termijn niet reeds is verstreken) telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand, aan de vrouw een bedrag van € 265,- per kind per maand moet betalen en als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van bruto € 411,- per maand;

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Klijn en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.