Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP4556

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
117798-FA RK 10-967
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Gelijkelijke verdeling van de draagkrachtruimte over de kinderen van partijen en die, geboren uit het huidige huwelijk van de man. Een eventuele bijdrage van de vrouw wordt niet in mindering gebracht op de door de man te betalen alimentatiebijdrage. Optimale realisering van het fiscale voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 117798/FA RK 10-967

beschikking d.d. 8 februari 2011

in de zaak van:

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J-W.F. van Horssen,

en

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.C. Lich.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 31 augustus 2010 een (tussen-) beschikking gegeven.

Op 14 september 2010 is ter griffie een faxbericht van mr. Lich ontvangen, waarin zij uitstel verzoekt voor het indienen van de stukken.

Ter griffie is op 15 september 2010 een brief met bijlagen d.d. 14 september 2010 van

mr. van Horssen ontvangen.

Op 22 september 2010 zijn ter griffie twee brieven met bijlagen d.d. 21 september 2010 van

mr. Lich ontvangen.

Ter griffie is op 4 oktober 2010 een akte van mr. Lich ontvangen.

Op 5 oktober 2010 is ter griffie een akte van mr. van Horssen ontvangen.

Ter griffie is op 20 oktober 2010 een akte met bijlagen van mr. Lich ontvangen.

Op 14 januari 2011 is ter griffie een brief d.d. 13 januari 2011 van mr. van Horssen ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen-) beschikking

van 31 augustus 2010.

Bij die beschikking is de zaak verwezen naar de rolzitting van 14 september 2010 om partijen in de gelegenheid te stellen bij akte de in de beschikking nader omschreven stukken in het geding te brengen. Verder is bepaald dat partijen zich bij akte ter rolzitting van

28 september 2010 dienen uit te laten over de inhoud van de over en weer overgelegde stukken. Ook is bepaald dat het minderjarige kind van partijen A. zal worden opgeroepen om haar mening aan de rechtbank kenbaar te maken.

Met inachtneming van hetgeen in de beschikking is overwogen is iedere overige beslissing aangehouden.

Naar aanleiding van de inhoud van alle overgelegde stukken en van hetgeen door of namens partijen naar voren is gebracht overweegt de rechtbank het volgende.

ontvankelijkheid

Indien een verzoeker in rechte aanvoert dat zich sedert de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van artikel 401 lid 1 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt, is de verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.

Nu de man heeft gesteld dat zich een wijziging in de hiervoor bedoelde zin heeft voorgedaan, is de man ontvankelijk in zijn verzoek.

wijziging van omstandigheden

Vervolgens is aan de orde de vraag of zich na de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van artikel 401 lid 1 van Boek 1 van het BW heeft voorgedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een dergelijke wijziging.

De man heeft voldoende gesteld dat hij opnieuw is getrouwd, dat hij is verhuisd en dat hij andere werkzaamheden is gaan verrichten. Dit brengt met zich mee dat een herbeoordeling van de eerder, bij beschikking van 29 januari 2002, opgelegde bijdrage is gerechtvaardigd.

bijdrage na indexering

De bij de beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2002 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen van € 136,13 per kind per maand bedraagt thans als gevolg van de jaarlijkse wettelijke indexering

€ 163,54 per kind per maand.

draagkrachtbeoordeling ten aanzien van de man

In verband met de berekening van de draagkracht van de man liggen de volgende punten ter beoordeling voor:

a. de inkomsten

b. de woonlasten, de norm en het draagkrachtpercentage

c. de kosten van de omgangsregeling

a. de inkomsten

De man werkte aanvankelijk via een uitzendbureau.

Vanaf 1 juni 2010 is hij voor onbepaalde tijd in dienst van het bewuste bedrijf.

De bruto-inkomsten van de man in 2009 bedragen ongeveer € 50.000,-.

De rechtbank gaat uit van bruto maandinkomsten van in totaal € 3.326,82 (een salaris van

€ 2.818,-, een VWT-toeslag van € 166,23 en een Matrixtoeslag van € 342,59), zoals blijkt uit de meest recente salarisspecificatie van de man van juli 2010.

b. de woonlasten, de norm en het draagkrachtpercentage

Tussen partijen is niet in geschil, dat de huidige echtgenote van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarom wordt bij de man rekening gehouden met de helft van achtereenvolgens het eigen woningforfait, de hypotheekrente, de premie levensverzekering en het forfait eigenaarslasten, alsmede met de alimentatievrije voet naar de norm van een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70%.

c. de kosten van de omgangsregeling

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden, dat er gemiddeld zo’n twee keer per maand gedurende een weekend omgang plaatsvindt tussen de man en het minderjarige kind van partijen B. Op grond van de toepasselijke Tremanormen houdt de rechtbank daarom ter zake van verblijfkosten rekening met een bedrag van € 32,50 per maand.

draagkrachtberekening

Gelet op het vorenoverwogene en op grond van de overgelegde en niet dan wel onvoldoende, bestreden financiële gegevens, komt de rechtbank tot een brutoberekening van de draagkracht van de man volgens het INA-alimentatieberekeningsprogramma (versie 2010-2), die aan deze beschikking is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Volgens deze berekening bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 525,- per maand.

Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank gelijkelijk te worden verdeeld over de drie kinderen van partijen en de beide minderjarige kinderen die uit het huidige huwelijk van de man zijn geboren en ten aanzien waarvan hij eveneens onderhoudsplichtig is. Dit betekent dat de man € 105,- per maand per kind beschikbaar heeft.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een eventuele bijdrage van de vrouw in mindering te brengen op de bijdrage, die de man voor de kinderen van partijen kan voldoen. Immers, deze vermindering zal tot gevolg hebben dat de voor kinderalimentatie beschikbare ruimte van de man niet ten volle wordt benut voor de kinderen, dan wel dat deze ten goede komt aan de kinderen van de man uit zijn tweede huwelijk. Dit zou een onredelijke uitkomst zijn voor de kinderen van partijen, temeer nu ook de huidige partner van de man kan worden geacht bij te dragen in de behoefte van haar kinderen uit het huwelijk met de man.

Ten aanzien van de vraag of de man in staat is fiscaal voordeel te behalen overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen onvoldoende gegevens overgelegd om tot het oordeel te kunnen komen dat fiscaal voordeel voor het oudste kind van partijen, dat de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, kan worden behaald.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze vraag alleen ten aanzien van de twee jongste kinderen van partijen speelt. In aanmerking genomen de kosten omgangsregeling zou de man in staat zijn om een fiscaal voordeel te behalen van € 92,- bij het opleggen van een bedrag van € 120,- per maand voor de twee jongste kinderen.

De rechtbank ziet aanleiding de man te volgen in zijn onweersproken standpunt dat het fiscaal voordeel ten bedrage van € 92,- (€ 18,40 per maand per kind) dient te worden verdeeld over alle kinderen van partijen. Dit resultaat wordt bereikt indien aan de man een bijdrage wordt opgelegd van € 123,40 per maand per kind.

de ingangsdatum

In een zaak als de onderhavige is het gebruikelijk om een wijziging van de alimentatieverplichting te laten ingaan vanaf het moment waarop het daartoe strekkende verzoek is ingediend, 20 april 2010. Er kunnen niettemin redenen zijn om de alimentatie met ingang van een andere datum vast te stellen. In hetgeen is aangevoerd vindt de rechtbank geen aanleiding om een andere ingangsdatum - de vrouw kon er vanaf deze datum rekening mee houden dat hij een mogelijk lagere bijdrage zou moeten voldoen - te hanteren dan voormelde ingangsdatum.

de proceskosten

Omdat partijen voormalige echtgenoten zijn worden de proceskosten in die zin gecompenseerd, dat ieder van hen de eigen kosten dient te dragen.

BESLISSING

bepaalt dat de man vanaf 20 april 2010 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van het jongmeerderjarige kind van partijen C. en in de kosten verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen A. en B. (voor zover de termijnen niet reeds zijn verstreken) telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw een bedrag van € 123,40 per kind per maand moet betalen;

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.

gdk