Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP4376

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
18/670435-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Handel in MDMA en in amfetamine gedurende de tenlastegelegde periode is wettig en overtuigend bewezen door de verklaringen van een drietal afnemers van deze middelen.

De rechtbank veroordeelt de dealer tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een werkstraf voor de duur van 240 uren”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670435-10 (PROMIS)

datum uitspraak: 14 februari 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. W. Schoo

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats]

thans preventief gedetineerd in de P.I. HvB Ter Apel,

Ter Apel, Ter Apelervenen 10.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

31 januari 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij

in de gemeente(n) Oldambt en/of Groningen en/of elders in Nederland,

in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 17 oktober 2010,

althans in 2010, meermalen, althans eenmaal (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij,

op of omstreeks 18 oktober 2010,

in de gemeente Oldambt,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 79,5, althans een hoeveelheid, pillen, in ieder geval een materiaal,

bevattende MDMA en/of

- ongeveer 49,5 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal, bevattende

amfetamine en/of

- ongeveer 4,9 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal, bevattende

cocaïne,

zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij

in de gemeente Oldambt,

op of omstreeks 18 oktober 2010,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen van categorie I, onder 3e, te weten een boksbeugel,

voorhanden hebben/heeft gehad;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat, ondanks een aantal getuigenverklaringen, niet bewezen kan worden dat verdachte daadwerkelijk verdovende middelen heeft afgeleverd. Verdachte dient derhalve van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte weliswaar de auto van [naam] op 18 oktober 2010 heeft geleend, maar dat hij niet heeft gezien dat in deze auto verdovende middelen lagen. Het was schemerig/donker toen hij de auto bij [naam] ophaalde en tevens was het erg rommelig in de auto. Nu uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat er bij verdachte een telefonische bestelling voor het leveren van amfetamine is gedaan en het verhaal van verdachte hieromtrent niet erg sterk is, kan een deel van de tenlastelegging worden bewezen. Met betrekking tot de overige aangetroffen verdovende middelen (XTC en cocaïne) dient echter een partiële vrijspraak te volgen.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat een vrijspraak dient te volgen. Verdachte reed in een geleende auto, het was schemerig/donker en er lag veel rommel in de auto. Verdachte was zich niet bewust van de aanwezigheid van de boksbeugel in de auto.

Beoordeling

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 en 2 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010102636-27 d.d. 2 november 2010, opgenomen in dossier nr. 2010102636-1 d.d. 7 december 2010, inhoudende de verklaring van [naam], getuige (pag. 134-136), zakelijk weergegeven:

Ik heb mijn auto, een rode Peugeot ([kenteken]), uitgeleend aan [verdachte] op 18 oktober 2010. Hij heeft de auto bij mij opgehaald in Hoogkerk. [verdachte] kwam rond 20.00-20.30 uur bij mij en heeft de auto meegenomen. Toen [verdachte] de auto meenam lagen er een paar schroevendraaiers in het dashboardkastje en in de kofferbak lag een reserve wiel en een zak met daarin poststukken op mijn naam. Verder lag er niets in de auto. Ik gebruik af en toe wel eens XTC of speed. Als ik iets nodig heb, dan weet ik dat ik bij [verdachte] terecht kan om XTC of speed te kopen. Ik heb de afgelopen 3, 4 maanden ik denk 3 à 4 keer bij hem gekocht. Als ik wat wilde kopen belde of sms’te ik hem op zijn mobiele telefoon [nummer].

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010102636-28 d.d. 3 november 2010, opgenomen in dossier nr. 2010102636-1 d.d. 7 december 2010, inhoudende de verklaring van [naam], getuige (pag. 137-139), zakelijk weergegeven:

Sinds Koninginnedag 2010 koop ik amfetamine bij [verdachte]. Vanaf dat moment heb ik vaker amfetamine bij [verdachte] gekocht, bijna elke week. Ik bestelde de amfetamine per telefoon [nummer]. Ik belde [verdachte] en sms’te hem om een afspraak te maken. Of [verdachte] ging naar Winschoten of ik ging naar Groningen toe. Op 18 oktober 2010 was [verdachte] ook onderweg naar mij en mijn huisgenoot [naam]. [naam] had voor 70 euro amfetamine via de sms bij [verdachte] besteld en uit mijn naam voor 50 euro amfetamine. In de sms wordt alleen over 70 en 50 gesproken. Voor [verdachte] was het duidelijk dat hij voor die bedragen moest leveren. We hadden afgesproken dat hij bij ons aan de [adres] in [plaats] zou komen. Op die avond zagen [naam] en ik dat [verdachte] zijn auto, een kleine rode auto, bij een politieauto stond. Ik ben toen snel weer naar binnen gegaan.

U laat mij een foto van een persoon zien en vraagt mij of dat [verdachte] is. Dat is de [verdachte] waarover ik in mijn verklaring spreek. (Opmerking verbalisant: aan de getuige wordt een foto getoond van [verdachte], geboren op [geboortedatum)

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010102636-33 d.d. 18 november 2010, opgenomen in dossier nr. 2010102636-1 d.d. 7 december 2010, inhoudende de verklaring van [naam], getuige (pag. 140-142), zakelijk weergegeven:

U vraagt mij naar een jongen, genaamd [verdachte]. Deze [verdachte] wilde vorige maand bij mij en mijn huisgenoot [naam], thuis aan de [adres] te [plaats], langskomen.

(Opmerking verbalisanten: aan de getuige wordt een foto getoond van [verdachte])

De foto die U mij laat zien is inderdaad van de [verdachte] die ik bedoel en waarover ik in mijn verklaring spreek. Ik kwam er op een gegeven moment achter dat [naam] speed kocht van [verdachte] en toen ik dat wist heb ik zelf ook een paar keer speed van [verdachte] gekocht. Ik denk dat ik vanaf 20 augustus 2010, 4 of 5 keer speed van [verdachte] heb gekocht. Als ik speed nodig had dan sms’te ik dat naar [verdachte] en spraken we wat af. Ik ben 1 keer naar Groningen geweest om de speed op te halen. De andere keren is [verdachte] bij mij thuis in [plaats] geweest. Zijn nummers waren [nummer] en [nummer]. De keren dat [verdachte] bij mij kwam of als ik bij hem kocht, was hij nooit alleen. Een naam is mij bijgebleven: [naam]. Die was bij hem omdat hij een auto had. [naam] was er ook bij als [verdachte] speed verkocht. De auto die [naam] had was een kleine rode auto. Op 18 oktober 2010 heb ik via sms een bestelling gedaan bij [verdachte]. Ik heb voor mijzelf voor 70 euro speed besteld en later voor [naam] voor 50 euro besteld. In de sms stond: voor 70. [verdachte] wist dat, als ik dit doorgaf, hij voor 70 euro aan speed moest leveren. Ik heb hem toen ook nog aan de lijn gehad en hij zei dat als hij vervoer had geregeld, hij zo zou komen. Op de avond van 18 oktober, toen [verdachte] dus langs zou komen, ben ik nog even naar buiten geweest. Ik zag toen politie staan bij een kleine rode auto. Ik ben direct weer naar binnen gegaan. Als ik een bestelling bij [verdachte] deed, was het nooit een probleem, hij had altijd wel voorraad. Ik moest alleen wachten tot hij vervoer had geregeld om naar mij toe te komen.

Een geschrift, te weten het NFI rapport nr. 2010.11.05.002 d.d. 19 november 2010, opgemaakt door ing. P.H. Walinga, als bijlage opgenomen in dossier nr. 2010102636-1 d.d. 7 december 2010 (pag. 143-144):

Resultaten en conclusie:

Kenmerk Omschrijving Conclusie

AAAI6840NL monster crèmekleurig poeder en brokjes bevat amfetamine

AAAI6842NL monster crèmekleurig poeder en brokjes bevat amfetamine

AAAI6837NL monster, een tablet (à 0,22 gram) crèmekleurig bevat MDMA

AAAI6841NL monster, een tablet (à 0,20 gram) crèmekleurig bevat MDMA.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen nr. 2010102636-17 d.d. 26 oktober 2010, opgenomen in dossier nr. 2010102636-1 d.d. 7 december 2010, inhoudende de verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Gripzakje 497.115 bevat een wit pilletje en werd voorzien van SIN sticker AAAI6837NL.

Gripzakje 497.116 bevat een lichtbruine poeder en werd voorzien van SIN sticker AAAI6842NL.

Gripzakje 497.117 bevat een wit poeder en werd voorzien van SIN sticker AAAI6840NL.

Gripzakje 497.111 bevat een lichtbruin pilletje en werd voorzien van SIN sticker AAAI6841NL.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat hij een auto had geleend van een drugsgebruiker. Verdachte heeft de auto vaker geleend en het afleveren van verdovende middelen gebeurde soms ook in het bijzijn van [naam], de eigenaar van de auto. Hij was met deze auto op pad nadat hij een bestelling voor de levering van verdovende middelen had opgenomen. Toen vervolgens de auto door de politie werd onderzocht, bleken er verdovende middelen (amfetamine en XTC pillen) in de auto te liggen. Dat verdachte hiervan geen weet zou hebben, acht de rechtbank, op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen niet geloofwaardig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de gemeenten Oldambt en Groningen,

in de periode van 1 april 2010 tot en met 17 oktober 2010,

meermalen,

opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd,

- hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en

- hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde MDMA en amfetamine telkens een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 18 oktober 2010, in de gemeente Oldambt,

opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- 79,5 pillen, bevattende MDMA en

- 49,5 gram amfetamine,

zijnde MDMA en amfetamine telkens een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een volledige bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten komt, rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte in een relatief korte periode kleine hoeveelheden verdovende middelen zou hebben verhandeld. Dientengevolge is naar de mening van de verdediging de door de officier van justitie geformuleerde eis veel te hoog. Daarnaast dient bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf rekening te worden gehouden met de positieve houding van verdachte naar de toekomst. De verdediging geeft de rechtbank in overweging te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast de maximale werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en een aangaande zijn persoon opgemaakte rapport, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer een half jaar, veelal op bestelling, verdovende middelen afgeleverd. Verdachte heeft met zijn handelen burgers blootgesteld aan de voor de gezondheid schadelijke werking van verdovende middelen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor onder meer overtreding van de Opiumwet en de onderhavige feiten heeft gepleegd terwijl hij nog in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling. Bij de bepaling van de hoogte van de hierna te melden straffen zal de rechtbank echter rekening houden met het feit dat verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken.

De rechtbank zal derhalve aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en een taakstraf opleggen van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. P.H.M. Smeets, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en

K.R. Bosker, rechters, in tegenwoordigheid van A.J. Tholen, als griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 februari 2011.