Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP3031

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
18/670426-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanranding- Werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670426-10 (PROMIS)

datum uitspraak: 3 februari 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. A. Allersma

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [plaats],

thans preventief gedetineerd in de PI Flevoland – HvB Almere Binnen,

Almere, Caissonweg 2.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

20 januari 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij

op of omstreeks 15 oktober 2010

in de gemeente Groningen

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het over

de kleding heen aanraken en/of betasten en/of bevoelen van de/een borst(en)

van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds en/of van achteren naderen van die

[slachtoffer] en/of het onverhoeds aanraken en/of betasten en/of bevoelen van

de/een borst(en) van die [slachtoffer];

2.

hij

op of omstreeks 24 september 2010

in de gemeente Groningen

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het

aanraken van en/of het knijpen in de/een bil(len) en/of het achterwerk van die

[slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds

aanraken van en/of het onverhoeds knijpen in de/een bil(len) en/of het

achterwerk van die [slachtoffer];

3.

hij

op of omstreeks 1 oktober 2010

in de gemeente Groningen

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het

aanraken en/of betasten en/of bevoelen van de/een borst(en) van die [slachtoffer]

en/of het met verdachtes penis en/of (onder)lichaam heen en weer gaande

of stotende (zogenoemde neukende) bewegingen maken tegen het achterwerk van

die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

onverhoeds vastpakken van die [slachtoffer] en/of het onverhoeds aanraken en/of

betasten en/of bevoelen van de/een borst(en) van die [slachtoffer] en/of het

onverhoeds met verdachtes penis en/of (onder)lichaam heen en weer gaande of

stotende (zogenoemde neukende) bewegingen maken tegen het achterwerk van die

[slachtoffer];

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Feit 1

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010101538-1 d.d. 15 oktober 2010, opgenomen in dossier nr. 2010101538 / 2010096342 / 2010093939 d.d. 6 december 2010, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], aangeefster (pag. 27-31).

Feit 2

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010093939-1 d.d. 21 oktober 2010, opgenomen in dossier nr. 2010101538 / 2010096342 / 2010093939 d.d. 6 december 2010, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (pag. 10-19).

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010093939-3 d.d. 21 oktober 2010, opgenomen in dossier nr. 2010101538 / 2010096342 / 2010093939 d.d. 6 december 2010, inhoudende het verhoor / fotoconfrontatie van [slachtoffer] (pag. 19-21).

Feit 3

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010096342-1 d.d. 12 oktober 2010, opgenomen in dossier nr. 2010101538 / 2010096342 / 2010093939 d.d. 6 december 2010, inhoudende de verklaring van A.P. Alting, [slachtoffer] (pag. 21-27).

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 2010096342-3 d.d. 2 november 2010, opgenomen in dossier nr. 2010101538 / 2010096342 / 2010093939 d.d. 6 december 2010, inhoudende het verhoor / fotoconfrontatie van [slachtoffer] (pag. 37-39).

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 oktober 2010, in de gemeente Groningen,

door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het

dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het over

de kleding heen aanraken en betasten en bevoelen van de/een borst(en)

van die [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheden

uit het onverhoeds en van achteren naderen van die

[slachtoffer] en het onverhoeds aanraken en betasten en bevoelen van

de/een borst(en) van die [slachtoffer];

2.

hij op 24 september 2010, in de gemeente Groningen,

door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het

dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

knijpen in een bil van die [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheid

uit het onverhoeds aanraken van en het onverhoeds knijpen in een bil

van die [slachtoffer];

3.

hij op 1 oktober 2010, in de gemeente Groningen,

door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het

dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

betasten van de/een borst(en) van die [slachtoffer]

en het met verdachtes penis en onderlichaam heen en weer gaande

of stotende (zogenoemde neukende) bewegingen maken tegen het achterwerk van

die [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheden

uit het onverhoeds vastpakken van die [slachtoffer] en het onverhoeds

betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] en het

onverhoeds met verdachtes penis en onderlichaam heen en weer gaande of

stotende (zogenoemde neukende) bewegingen maken tegen het achterwerk van die

[slachtoffer].

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1, 2 en 3 telkens: Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 6 januari 2011, opgemaakt door H.K. Meijer, psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van beperkte cognitieve vermogens in combinatie met een aanlegstoornis, mogelijk een zich ontwikkelende frotteurisme (uitgestelde diagnose) en mogelijk een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken.

Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank kan zich met vorenstaande conclusie en advies verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat een behandeling bij de AFPN zal inhouden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet helemaal goed in de gaten had waarmee hij bezig was. Hij wist echter wel dat het niet kon wat hij deed. Hij staat open voor hulp. Hij wil hiermee zo snel mogelijk mee aan de gang. De verdediging heeft gepleit voor het opleggen van een straf gelijk aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, zodat de hulpverlening zo snel mogelijk kan worden opgestart.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een aantal ernstige feiten begaan. Verdachte heeft met zijn handelen de privacy, het gevoel van veiligheid van jonge vrouwen ernstig aangetast door hen onzedelijk te betasten. Verdachte schrok er niet voor terug de meisjes te volgen en hen uit het niets vast te pakken. Eén van zijn slachtoffer heeft hij zelfs naar haar woning gevolgd en hij heeft geprobeerd met een smoes binnen te komen, zijn voet tussen de deur gezet en het slachtoffer betast.

Deze gebeurtenissen kunnen schade toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Verdachte heeft kennelijk niet stilgestaan bij deze gevolgen voor slachtoffers maar zijn eigen bevrediging vooropgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank past als reactie op dit soort feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Uit de over verdachte opgemaakte rapportage blijkt dat verdachte kampt met de nodige problemen, ook op seksueel gebied. Een gerichte behandeling is nodig om het herhalingsgevaar te beperken. De rechtbank zal daarom een bijzondere voorwaarde aan de op te leggen straf verbinden.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie geformuleerde eis recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.

De rechtbank zal derhalve aan verdachte een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14, 14b, 14c, 14d, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1, 2 en 3 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde een behandeling bij de AFPN, dan wel een soortgelijke instelling zal ondergaan zolang de leiding van de instelling dat nodig oordeelt.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 20 februari 2011.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, S. Tempel en

S. Timmermans, rechters, in tegenwoordigheid van A.J. Tholen, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2011.